Samen doelen bepalen, bewezen effectieve manieren om dat te realiseren en overhaaste projecten voorkomen.

Zondag 21 februari. Wat kunnen wij als beroepsgroep voor jongeren en hun ouders betekenen in het herstel na de coronapandemie? Dié bijeenkomst was het sprankelende hoogtepunt van afgelopen week. Daarnaast spraken we met een groepje Amsterdamse hoogleraren over de beroepenstructuur, met VWS en NJI over de toekomst van het richtlijnenprogramma jeugdhulp en met SKJ over registratie jeugdhulp.

Elke leerling een ontwikkelingsperspectief, elke school een ontwikkelingsperspectief, dat was kort gezegd één van de uitkomsten van een brainstormbijeenkomst met een klein groepje leden over herstel ná corona. Zónder dat we daarmee willen labellen. Integendeel. Er zijn verschillen tussen leerlingen, er zijn verschillen tussen scholen. Sommige verschillen zijn juist goed. Maar waar ze ontwikkeling belemmeren is het belangrijk om, samen met leerkrachten, leerlingen en ouders, doelen te stellen. En (ortho)pedagogen zouden hún expertise moeten inzetten om scholen te begeleiden bij het bepalen van die doelen en bij bewezen effectieve manieren om die doelen te realiseren. We beperkten ons overigens niet tot onderwijs. Wat zien we in gezinnen gebeuren, ook in heel gewone gezinnen, en hoe zou je ouders kunnen helpen? Wié zou ouders het beste kunnen helpen? En wat draagt onze beroepsgroep dan daaraan bij? Een position-paper-in-ontwikkeling.

Amsterdamse hoogleraren pedagogiek namen een aantal weken geleden contact met ons op. Aanleiding was de beroepenstructuur. Woensdag spraken wij elkaar.  Heel fijn om samen in gesprek te zijn en te kunnen toelichten wat er zoal speelt. Dat het ons allemaal om het borgen van kwaliteit van zorg gaat en hoe wij als NVO dat denken te borgen, dat en hoe wij begeleiding en vakinhoudelijke ondersteuning van net-afgestudeerde masters organiseren, hoe we willen stimuleren dat de juiste zorg op de juiste plek door de juiste professional kan worden geleverd en hoe we dat doelmatig en uitvoerbaar denken te kunnen faciliteren.

Op de werkvloer werken orthopedagogen en psychologen heel goed samen; we zagen daarvan afgelopen week, in de media en ; gewoon’ in werkgroepjes aansprekende voorbeelden. Op verenigingsniveau zijn op onderdelen verschillen in visie. Dat kan gebeuren, maar dat hoeft samenwerking helemaal niet in de weg te staan. De Amsterdamse hoogleraren zochten ná ons gesprek overigens ook contact met hun collega’s psychologie om inzichten en bevindingen uit te wisselen.

Kwaliteitsborging in de jeugdhulp gebeurt o.a. door registratie bij SKJ. SKJ is een unieke organisatie, die vaart op de normen van de beroepsverengingen. Als registratieorgaan staat SKJ midden in het veld en krijgt tal van signalen mee, waarmee ook beleidsmatig en vakinhoudelijk vaak iets moet gebeuren. SKJ wil professionals snel en optimaal ondersteunen bij registratie. Dat leidt regelmatig tot vragen over een juiste balans tussen verbondenheid en distantie. Vanuit vertrouwen in elkaars intenties en expertise. Dat blijft zoeken en dat dat blijft dialoog vergen. Afgelopen week zetten we daarin op bestuurlijk niveau weer een stap. Misschien een stap op de plaats, maar dan wel één om vooruit te komen. Voor de NVO speelt vooral een aantal inhoudelijke vraagstukken: hoe kunnen wij het leden die zowel bij de NVO als bij SKJ zijn geregistreerd zo makkelijk mogelijk maken? En (hoe) kunnen wij helpen bij de normering van hbo-masters pedagogiek?

Over normen gesproken: in opdracht van dezelfde beroepsverengingen ligt er een set aan richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming, ontwikkeld met subsidie van VWS en ondersteuning door SKJ. Hoe nu verder? Wat moet er gebeuren zodat alle professionals in de jeugdhulp die richtlijnen kennen en kunnen toepassen? Vergen ze actualisering en zo ja, op welke aspecten? Hoort dat laatste bij onderhoud en beheer en wie bepaalt dan wat er moet gebeuren? Moeten er nieuwe richtlijnen worden ontwikkeld en zo ja, op welke thema’s en waarom? NJI en de beroepsverengingen spreken daarover al een tijd met elkaar en stuitten óók op het feit dat er onduidelijkheid was over beschikbare middelen. Dat laatste is nu opgelost; VWS stelt die, via NJI, beschikbaar; ook en specifiek voor onderhoud en beheer en voor implementatie. Dat is heel fijn. Ik hoop dat we nu samen snel daadwerkelijk het inhoudelijke plan kunnen gaan ontwikkelen dat antwoord geeft op bovenstaande vragen.

Tot volgende week

M