Omslagartikelen NVO-Bulletins tot eind 2008 :
‘MISHANDELDE KINDEREN MOETEN NÚ WORDEN GEHOLPEN’
Prof. dr. Francien Lamers-Winkelman (67) zet zich al dertig jaar in voor kinderen die mishandeld worden. En voelt zich al net zo lang vaak een roepende in de woestijn. Ze is coördinator van het Kinder- en Jeugdtraumacentrum in Haarlem en bijzonder hoogleraar bij de Vrije Universiteit in Amsterdam, afdeling orthopedagogiek. In 1995 promoveerde ze daar op een onderzoek naar seksueel misbruik van jonge kinderen. Het onderwerp seksueel misbruik houdt haar al lang bezig.
Francien Lamers-Winkelman: ‘Het begon in 1978. Toen werkte ik als gymnastieklerares bij een inrichting voor kinderbescherming. Ik wist van toeten noch blazen. In die tijd ging het alleen over incest en daar had ik nog nooit van gehoord. Ik werkte met een groep adolescente meiden. Die werden vieze meiden genoemd omdat ze hun vader hadden verleid. Daar snapte ik niks van. Ik ging via verwondering en verbijstering naar: daar moeten we iets aan doen. Dus ik moest er meer over gaan leren, vond ik.’
Ze deed een opleiding voor psychomotorisch therapeut, studeerde bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit en koos als bijvak orthopedagogiek. Dat bijvak werd hoofdvak. Bij de VU is ze ‘gewoon blijven hangen’, zoals ze zegt. Ze werkt er sinds eind jaren tachtig. En ze is altijd in de praktijk blijven werken.
Francien Lamers-Winkelman: ‘De eerste jaren kreeg ik geen poot aan de grond. Die zogenaamde vieze meiden werden naar meneer Finkensieper gestuurd omdat ze zo lastig waren. En die kon ook niet van hen afblijven. Na verloop van tijd ging ik in een medisch kinderdagverblijf werken, Het Spallier. Daar zag ik kleintjes die hetzelfde hadden meegemaakt als die grote meiden. Mijnbaas vond het goed dat ik daar iets aan ging doen. De eerste jaren heb ik alleen individuele therapie gegeven, later begon ik met kleine groepjes. Toen Het Spallier ging samenwerken en later fuseren met andere instellingen, kreeg ik ook oudere kinderen.’
We doen wat op ons pad komt
Inmiddels is ze al jaren coördinator van het Kinder- en Jeugdtraumacentrum in Haarlem. Er komen jaarlijks ruim 300 kinderen – en hun ouders – die traumatische ervaringen hebben. Met seksueel misbruik, fysieke mishandeling en geweld in het gezin. Van de vijftien medewerkers, zijn er twaalf gedragswetenschappers: een psychiater, vijf pedagogen en zes psychologen.
‘Iedereen die hier werkt is geïnteresseerd in trauma’s’, zegt ze, ‘en wat eraan is te doen. We kijken altijd eerst naar methoden die er al zijn en passen die aan voor Nederland. Als er niks is, gaan we ze zelf ontwikkelen. Zo hebben we een methode voor behandeling bij seksueel misbruik ontwikkeld, groepstherapie voor kinderen en parallelgroepen voor ouders. Vervolgens een methode voor kinderen – en later jeugdigen – die huiselijke geweld hebben meegemaakt. Nu hebben we een try out voor kinderen met seksueel agressief gedrag. En we zijn bezig met een methode voor rouwverwerking na een gewelddadige dood, wanneer pa ma heeft vermoord bijvoorbeeld. Zo doen we wat op ons pad komt.’
Nieuwe methodes
‘Samen met De Waag – voor forensische psychiatrie – starten we in september met een nieuwe methode voor fysieke kindermishandeling. Dus: pa en/of moe mishandelen hun kind, maar niet elkaar. Echt de ouderwetse kindermishandeling zal ik maar zeggen. De pleger wordt bij De Waag behandeld en wij doen de veilige ouder plus de kinderen.’
Om de ontwikkelingen in de hulp bij kindermishandeling bij te houden, wijkt ze met haar team steevast uit naar het buitenland. ‘Dat moet wel, want op die Nederlandse flut congresjes wordt er niks verteld wat mijn meiden en jongens nog niet weten. Wij gaan ieder jaar een week naar een congres en training in San Diego. Daar zit ook het oudste Amerikaanse multidisciplinaire centrum voor diagnostiek en hulpverlening bij kindermishandeling en seksueel misbruik. Alle disciplines, inclusief politie, zitten er onder één dak. Veel van onze medewerkers krijgen ook bijscholing in de cognitieve gedragstherapie, abuse focused zoals dat heet. Die is er niet in Nederland, dus daarvoor gaan ze naar Philadelphia of Duitsland.’
Onderzoek naar alle aspecten van kindermishandeling
Haar leeropdracht bij de Vrije Universiteit luidt: Onderzoek en onderwijs inzake alle aspecten van kindermishandeling. Haar meest recente onderzoek, in opdracht van de ministeries van Volksgezondheid en Justitie, was naar de omvang van kindermishandeling in Nederland. Ze rondde het vorig jaar af.
‘Het was de eerste keer dat dit in Nederland is onderzocht en daarom ook nodig. We deden het samen met de universiteit van Leiden. Wij hebben middelbare scholieren gevraagd of ze het afgelopen jaar te maken hebben gehad met kindermishandeling. In het Leidse onderzoek zijn professionals gevraagd naar hun vermoeden van kindermishandeling. Wij kwamen op 160.000 kinderen per jaar. En Leiden op107.000. Beide uitkomsten komen ongeveer overeen met de aantallen in andere landen. Dus ik ben er niet van geschrokken.’
Het onderzoek is aangeboden aan minister Rouvoet. Die zei zich ernstige zorgen te maken en snel met maatregelen te komen. Francien Lamers-Winkelman heeft er een hard hoofd in. ‘Ik ben bang dat er wéér geld naar preventie gaat. Daar zijn Nederlanders fantastisch in. Kijk maar naar het RAAK-project1 dat nu in Nederland loopt. Daarmee help je niet de kinderen die nú mishandeld worden. Die moeten nú geholpen worden, samen met hun ouders. Niet alleen door het AMK, maar ook door de RIAGG’s en Bureaus Jeugdzorg. Alleen weten de meeste mensen die daar werken niet wat goede hulpverleningsmethoden zijn. Dat bleek pas nog weer eens uit een enquête van het Tijdschrift Kindermishandeling.’2
Richtlijnen huiselijk geweld
Namens de NVO zit ze in de werkgroep Richtlijnen Huiselijk Geweld. ‘Daar zitten alle beroepsverenigingen in. We hebben richtlijnen opgesteld voor de diagnostiek en behandeling van geweld in het gezin, in de meest brede zin van het woord. Zo zijn er voor de kinderen richtlijnen voor de assessment, veiligheidsplanning, diagnostiek en behandeling. De bedoeling is dat iedereen daarmee gaat werken. En volgens de zogenaamde evidence based methoden.’
En dat is hard nodig, vindt ze. ‘Er is onvoldoende deskundigheid in de behandeling van kinderen die mishandeld zijn. Dat geldt niet alleen voor orthopedagogen, maar voor alle beroepsbeoefenaren. De VU is de enige universiteit waar het vak Kindermishandeling gedurende langere tijd op het rooster staat. Bij alle andere universiteiten is het hooguit een klein onderdeel van het curriculum. Dat is al heel lang zo.’
Volgens Francien Lamers-Winkelman zien veel hulpverleners er gewoon tegenop om zich voor mishandelde kinderen in te zetten. ‘Je hebt altijd te maken met ouders die niet toe kunnen geven wat ze gedaan hebben, bang zijn dat hun kinderen uit huis gehaald worden en in hun jeugd ook beschadigd zijn. Die moet je kunnen motiveren. Verder zitten er veel juridische aspecten aan. En veel overhead, zoals overleg met de Raad voor de Kinderbescherming, het AMK, Bureau Jeugdzorg, de advocaat van de vader, die van de moeder, de politie. En dat wordt niet betaald door de ziektekostenverzekering.’
Meldcodes
Minister Rouvoet wil een meldcode voor kindermishandeling verplicht stellen. ‘Een goede zaak’, vindt Francien Lamers-Winkelman. ‘Mits professionals weten wanneer ze kunnen melden en wat signalen waard zijn. En mits ze goed beschermd worden. Voor je het weet ligt er een klacht bij het Tuchtcollege. Dat gebeurt behoorlijk vaak. En ik kan niet zeggen dat de NVO dan zo’n fantastische verdediger van haar leden is. In Ierland is een wet: wie op goede gronden melding doet, mag niet door het Tuchtcollege aangepakt worden. Zoiets is nodig. Anders zeggen hulpverleners: we zullen nog even aankijken of het écht kindermishandeling is. Dat duurt te lang. Het gaat er uiteindelijk om dat een kind veilig is. Daar zijn we voor opgeleid.’
Annemiek Haalboom
1. RAAK staat voor Reflectie- en Actiegroep Aanpak Kindermishandeling. Zie:www.stopkindermishandeling.nl
2. Kijk voor de resultaten van de enquête op: www.kindermishandeling.net
OOG VOOR DOOFBLINDEN
Marleen Janssen (52 jaar) heeft haar carrière als orthopedagoog gewijd aan een bijzondere doelgroep: kinderen en volwassenen met aangeboren doofblindheid. Driejaar geleden stapte ze van de gezondheidszorg over naar deuniversiteitswereld. Tijdens haar derde jaar als leerkracht raakte ze geboeid door een gastles van professor Jan van Dijk van het Instituut voor Doven (tegenwoordig Viataal) over kinderen die niet of nauwelijks konden zien én horen.
De belangstelling voor mensen met beperkingen heeft Marleen Janssen niet van huis uit meegekregen. ‘Mijn tuindersfamilie vond het vreemd dat ik les wilde geven aan moeilijk lerende blinde kinderen’. Het verhaal van Van Dijk opende haar ogen. ‘Ik vond het een uitdaging om te ontdekken wat ik hen kon leren. Een enorme puzzel, want niemand had daarover enige kennis. Van Dijk leerde mij dat je bij deze kinderen de communicatie op gang kunt brengen door een belangrijk onderdeel, zoals een beker met drinken, weg te laten uit een bekende situatie. Vervolgens is het afwachten op een reactie van het kind. Deze reactie is het begin van communicatie.’ Deze ‘anticiperende methode’1 is volgens Marleen eigenlijk heel simpel, maar niet vanzelfsprekend. Je moet hem eerst aangereikt krijgen.
Wat is er zo boeiend aan doofblindheid in het algemeen
en in het bijzonder voor (ortho)pedagogen?
‘Doofblinde mensen laten ons zien wat de essentie is van mens-zijn. Doordat zoveel wegvalt, het zien én het horen, wordtduidelijk waar het echt om gaat’.
Als mens heeft Marleen veel van doofblinde mensen kunnen leren. Nadat zij ging werken op Viataal begon zij met de studie orthopedagogiek. Haar overtuiging is dat het creëren van ontwikkelingsmogelijkheden voor kinderen met doofblindheid voor orthopedagogen de ultieme
uitdaging is. Ik ben ervan overtuigd dat datgene wat doofblinde mensen helpt om te groeien naar een volwaardig burgerschap, ook andere mensen met en zonder beperkingen kan helpen.’
Via interactie tot communicatie
‘De kern van het mens zijn zit hem volgens mij in de behoefte om in interactie te zijn met andere mensen. Interactie tussen mensen is een dynamisch gebeuren, waarin beide partners zich op elkaar afstemmen om vervolgens tot gedeelde intenties te kunnen komen over de dingen die zij meemaken’. Interactie kan dus tot communicatie leiden.
Ik kan me voorstellen dat taalwetenschappers en logopedisten vinden dat dit thema veel beter binnen hun kennisgebied past.
‘Daar ben ik het niet mee eens. Communicatie is zoveel meer dan het ontwikkelen van symbooltaal. Het gaat om het in dialoog zijn met andere mensen, het delen van ervaringen en het deel uitmaken van een sociale omgeving’. Marleen heeft gezien dat vroeger doofblinde kinderen wel (gebaren)taal leerden, maar weinig over sociaal contact. Haar bevinding is dat een eenzijdige focus op het trainen van formeel taalgebruik of gebarentaal vaak inhoudt dat niet wordt aangesloten bij de communicatieve gedragssignalen van het kind zelf. Dit kan ertoe leiden dat communicatie functioneel blijft: er wordt gepraat over de dagelijkse routine, maar er worden geen persoonlijke ervaringen en emoties gedeeld. Dit fenomeen is niet nieuw, want honderd jaar geleden werd al beschreven dat doofblinde kinderen vaak contactstoornissen hadden.2
Betekent dit dat communicatievragen van doofblinde kinderen altijd beantwoord moeten worden door een (ortho)pedagoog?
‘Ik pleit voor een multidisciplinaire aanpak, waarin taalkundigen en pedagogen samenwerken.’
De kennis van linguïsten over de taalontwikkeling moet volgens Marleen door de pedagoog in een opvoedingsperspectief geplaatst worden. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de sociale omgeving waarin het kind zich ontwikkeld. Perspectief kunnen bieden binnen de sociale context thuis, op school en in de leefgroep ziet ze als de meerwaarde van de orthopedagogiek ten opzichte van de psychologie. ‘Uiteindelijk gaat het erom dat het doofblinde kind niet alleen kan communiceren met professionals, maar ook met zijn ouders, broers, zussen en vrienden.’
Interventiemethode contact
Marleen Janssen heeft haar ervaringen met doofblinde kinderen gebruikt voor de ontwikkeling van een interventieprogramma om interacties tussen doofblinde kinderen en hun communicatiepartners harmonieuzer te laten verlopen. Dit interventieprogramma noemde ze CONTACT3. De methodiek richt zich op het verbeteren van acht categorieën die de kern vormen van interactie:
- ninitiatief,
- bevestigen,
- antwoord,
- aandacht,
- beurten,
- reguleren,
- betrokkenheid,
- zelfstandig handelen.
De categorieën zijn gebaseerd op verschillende theoretische kaders, waaronder de Video-Interactie-Begeleiding van Dekker en Biemans.4 Ook van de Europese werkgroep Deafblind International Network on Communication zijn elementen verwerkt. ‘Tijdens de interventie worden communicatiepartners begeleid door interactie-coaches om hun interactievaardigheden te verbeteren. Dit gebeurt aan de hand van video-opnames van zichzelf in contact met het doofblinde kind.’
Marleen ontwikkelde samen met collega’s van Viataal een methode die voor dagelijkse verzorgers niet ingewikkeld was om te gebruiken. De effectiviteit toonde ze aan in haar promotieonderzoek. ‘Het mooie is dat wat werktvoor doofblinden, ook werkt voorandere doelgroepen.’
Recent onderzoek in Bartiméus toonde aan dat de methodiek ook succesvol kan worden toegepast bij mensen met een visuele- en verstandelijke beperking en hun begeleiders.5
Schreeuwen om wetenschappelijk onderzoek
Je maakt je hard voor meer wetenschappelijk onderzoek naar aangeboren doofblindheid. Waarom is ditnodig?
‘De wetenschap staat op dit gebied nog in de kinderschoenen. Ouders en professionals die deze mensen begeleiden schreeuwen om wetenschappelijk getoetste interventies.’ Marleen ziet dat er nog veel menselijk leed is als gevolg van handelingsverlegenheid. Doofblinde mensen ontwikkelen zich daardoor nog steeds niet in overeenstemming met hun potentieel. Een flink aantal mensen met aangeboren doofblindheid zijn in potentie niet of veel minder verstandelijk beperkt dan ze nu lijken.
Betekent het feit dat veel van deze mensen volwassen zijn, dat orthopedagogen nu niets meer voor hen kunnen betekenen?
‘Nee dat is zeker niet het geval. Ik ken voorbeelden van doofblinde mensen die pas op volwassen leeftijd tot volwaardige taal komen’. Belangrijke factoren zijn daarbij voldoende specialistische kennis en ervaring, maar ook voldoende beschikbaarheid van één-op-één begeleiding.
Je legde een link tussen wetenschappelijk onderzoek en praktijkvragen. Hoe kijk je aan tegen de relatie tussen wetenschap en praktijk?
‘In mijn ogen kunnen wetenschap en praktijk niet zonder elkaar. Ik ben sterk voorstander van praktijkgericht onderzoek.’
De komende jaren zal Marleen vijf promotiestudies begeleiden die allemaal praktijkgericht zijn. Interventiestudies zijn er nog nauwelijks, omdat ze relatief ingewikkeld uit te voeren zijn bij deze complexe doelgroep. De vakgroep orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit Groningen biedt hiervoor gelukkig alle ruimte.
Hoe is het voor iemand die jarenlang in de zorg heeft gewerkt om de overstap te maken naar de universiteit?
‘De instellingscultuur en de universiteitscultuur verschillen natuurlijk, echter dat belemmert mij niet.’ Marleen richt zich liever niet op verschillen, maar is veel meer op zoek naar het gemeenschappelijke. Ze ziet zichzelf als bruggenbouwer tussen de praktijk en de wetenschap.
Kansen en risico's
Hoewel veel kwaliteitsverbetering verwacht kan worden als gevolg van de interventiestudies aan de Rijksuniversiteit Groningen, zijn er ook zorgen. Een aantal ontwikkelingen in de gezondheidszorg staan volgens Marleen haaks op de ondersteuningsbehoefte van mensen met aangeboren doofblindheid. ‘De beleidslijn van de overheid gericht op inclusie en normalisatie moet met grote voorzichtigheid worden benaderd als het gaat om mensen met aangeboren doofblindheid’.
Marleen maakt zich ook zorgen over het baseren van tarieven in de gezondheidszorg op zogenaamde “ijkcliënten”. ‘Elk persoon met doofblindheid is uniek. Rekening houden hiermee betekent ook kritisch kijken naar interventiemethoden. Dat zouden orthopedagogen meer moeten doen.’
Saskia Damen
Saskia Damen is sinds begin dit jaar lid van de redactie van het NVO-Bulletin. Ze werkt als orthopedagoog bij Bartiméus in Doorn.
1. Van Uden, A. (1977). A world of language fordeaf children. Part 1. Basic Principles (Amaternal relective method) third revised edition. Amsterdam and Lisse: Swets & Zeitlinger.
2. Lenderink, H.J. (1907). Blind en doofstom tegelijk. De ontwikkeling der doofstomme blinden in en buiten Europa, beneevens eenebeschrijving van het doofstommenwezen in Nederland. Haarlem: H.D. Tjeenk Willink en Zoon
3. Janssen, M.J., Riksen-Walraven, J.M. & Van Dijk, J.P.M. ( 2003). Contact: Effects of an intervention program to foster harmonious interaction between deafblind children and their educators. Journal of Visual Impairment and Blindness, 97, ( 4) 215-229.
4. Dekker, T. & Biemans, H. (1994). Videohometraining in gezinnen. Houten/Zaventhem: Bohn Stafleu van Loghum
5. Damen, S, Worm, M, Kef, S, Janssen, M.J. & Schuengel, C: The effects of the CONTACT-intervention on the quality of interaction between persons with visual and intellectual disabilities and their caregivers. In prep.
HET JEUGDJOURNAAL: KINDEREN NIET DOM HOUDEN
(Serie over opvoeding en media #2)
Het is voorjaar in Hilversum. In de immense kantoortuin die de verschillende NOS nieuwsredacties delen bloeien de beeldschermen uitbundig. Op de meeste bureaus staan er twee. Terwijl ik aanschuif bij Chef NOS Jeugdjournaal Ronald Bartlema,staat de redactie van het Jeugdjournaal binnen gehoorsafstand te vergaderen rond een grote statafel. ‘Vroeger hadden we beneden een grote vergadertafel, vertelt Ronald. ‘Maar die is ons ontnomen. Dat is nu de plek voor de deskjes van de middaguitzending. Het werkt ook praktisch, want we vergaderen nu efficiënter.’
We zullen nog een paar keer moeten verkassen om ongestoord te kunnen praten over de doelgroep van het Jeugdjournaal, over de manier waarop het nieuws op kinderen wordt toegesneden en hoe de redactie zich verplaatst in de leefwereld van kinderen.
Ronald Bartlema (49) begon na een opleiding aan de School voor Journalistiek in Utrecht bij het Haarlems Dagblad en stapte later over naar Radio Noord Holland. Dertien jaar geleden kwam hij bij de NOS, en doorliep daar zoals hij zelf zegt, ‘een klassieke carrière.’ Redacteur, eindredacteur, een jaartje ingevallen als chef en zo’n negen jaar geleden benoemd als chef. Lachend: ‘Ja, ik ben een lang zittende chef.’
De mensen die bij het Jeugdjournaal werken zijn allemaal journalisten. Ze hebben ofwel een journalistieke opleiding of journalistieke ervaring. ‘We hebben twee psychologen, maar die zijn niet als zodanig binnengekomen, maar als journalist. We vragen een gedegen journalistieke vakkennis en het vermogen om ingewikkelde onderwerpen te kunnen vertalen.’
Voor kinderen? ‘Voor kinderen. Of het nu voor het Journaal is of voor het Jeugdjournaal. Daar wordt wel eens wat ingewikkeld over gedaan, maar eigenlijk houdt het in dat je teruggaat naar de essentie. Dat is ook wat het vak is. Natuurlijk moet je goed kunnen schrijven en helder kunnen formuleren en zaken terug kunnen brengen tot de essentie, maar dat is waar het uiteindelijk om gaat.’
De kijkers van het Jeugdjournaal
De doelgroep van het Jeugdjournaal is de bovenbouw van de basisschool. Ronald Bartlema:
‘Daarna raak je ze langzaamaan kwijt. We zitten ook met het fenomeen dat kinderen steeds vroeger oud lijken te worden. Ik denk dat kinderen ook wel wat eerder afhaken dan vroeger.’
Maar komen er ook niet kinderen van jongere leeftijd bij?
Ja, Ik heb de indruk dat kinderen steeds jonger geïnteresseerd raken in wat er in de samenleving gebeurt. De invloed van internet en school, waar het nieuws vaak door de leraar wordt besproken is merkbaar.
Een jaar of zes geleden hebben we de discussie gevoerd over wat we aan moesten met het meekijken van jongere kinderen. Wilden we dat wel, en moesten we de programmaformule daar niet op aanpassen? Uiteindelijk hebben we er voor gekozen om dat niet te doen en ons op die doelgroep van tien tot twaalf te blijven richten, omdat je anders het risico loopt dat je te kinderachtig wordt voor de doelgroep die je eigenlijk wilt bedienen. Jongere kinderen willen altijd een trapje hoger en we weten dat er wordt meegekeken door kinderen van acht, negen jaar.
Daar houden we ook rekening mee, met name in de beeldkeuze. In dat laatste zijn we sowieso voorzichtig. We kunnen ons niet aan onze verantwoordelijkheid onttrekken, maar hier telt ook de verantwoordelijkheid van de ouders. Als ik een boze brief krijg van een ouder die zegt dat hun kind in de war was nadat hij een item in het Jeugdjournaal heeft gezien, en dat kind is net zes jaar, dan mag zo’n ouder wel beter opletten wat die hun kinderen voorschotelt.
Bij controversiële onderwerpen krijg je meer reacties. Gemiddeld zal het er een per week zijn. Het zijn trouwens wel altijd de ouders die klagen, nooit de kinderen. Die reageren overigens wel massaal via de website. Honderden reacties na een oproep is inmiddels normaal. Toen kijkers bij de inval in Irak de redactie via de website vragen konden stellen, werden het er al gauw meer dan duizend.’
De wereld in tien minuten
‘Een uitzending van het Jeugdjournaal duurt tien minuten, omdat 27 jaar geleden bedacht is dat de spanningsboog, de tijd waarop je de aandacht van kinderen in onze doelgroep kunt vasthouden, zo lang is. Het zou interessant zijn om te onderzoeken hoe dat nu ligt. Je zou kunnen denken dat die spanningsboog nu korter is, maar ik krijg heel vaak de vraag van kinderen, ouders en leerkrachten of het niet wat langer kan. Ik ben benieuwd wat de pedagogen daarvan denken. Uit kijkersonderzoek blijkt dat áls kinderen een keer inschakelen, ze ook tot het einde blijven kijken.
Elke dag maken we een enorme lijst met onderwerpen en daarover wordt in de redactie gediscussieerd. Dan wordt eerst gekozen wát we gaan doen en vervolgens hóe we het gaan aanpakken.
We willen in ieder Jeugdjournaal een nieuwsonderwerp of een inhoudelijk onderwerp hebben, een jeugdonderwerp en tot slot een luchtige uitsmijter.
Doorgaans duurt een onderwerp tweeënhalf tot drie minuten. Als er groot nieuws is met heel veel facetten, dat lastig is om uit te leggen, kun je ervoor kiezen om dat ene onderwerp in tien minuten te doen. Soms in een extra uitzending of in een langere uitzending.’
Zijn die 10 minuten eigenlijk niet te weinig?
Resoluut: ‘Ja, dat is te weinig. Ik pleit er al jaren voor om naar een kwartier of twintig minuten te gaan. Niet alleen omdat kinderen daar om vragen. Kinderen praten op school over nieuws, of thuis, en ze zien ook de dagjournaals op tv langskomen. Maar ze zitten ook massaal op het web, waar al het nieuws heel snel te vinden is. Ze mailen en SMS-sen, ze MSN-en, hebben een Hyves pagina, ze bellen mobiel, ze spelen games en houden er een druk sociaal leven op na met hobby- en sportclubjes. Hun leven is veel drukker. Kortom de wereld van een elfjarige nu is veel groter dan zevenentwintig jaar geleden.’
Vertalen, uitleggen, inkaderen
Hoe selecteren jullie de nieuwsitems? Maken jullie volledig je eigen selectie of vertalen jullie bijvoorbeeld het Journaal?
‘We kunnen heel breed kiezen. We bestaan nu zo’n 27 jaar en in een ver verleden was het misschien meer zo dat we een vertaling brachten van “het GMJ”, zoals wij het Grote Mensen Journaal noemen. In de loop der jaren zijn we meer opgeschoven naar de doelgroep: kinderen van tien, elf, twaalf. We brengen wel nieuws, het is een belangrijk onderdeel van onze formule, we zijn een nieuwsprogramma voor kinderen. We vinden dat we het grote belangrijke nieuws wel moeten vertalen en uitleggen voor kinderen, maar niet alles. We kiezen voor een formule waarin we aandacht besteden aan het grote nieuws van de dag dat de voorpagina’s beheerst. Dat is dus vertalen en uitleggen.’
Nieuws dat op het laatste moment binnenkomt en dat niet met de vereiste zorgvuldigheid kan worden verwerkt, haalt het Jeugdjournaal meestal niet. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor ‘breaking news’, nieuws waarvan de impact zo groot is dat het raar zou zijn als het niet zou worden gemeld. De interne richtlijnen van het Jeugdjournaal hierover: ‘In dergelijke gevallen, dus waarin het Jeugdjournaal niet compleet kan zijn en onvoldoende kaders kan scheppen, moeten kinderen er op kunnen rekenen dat het JJ daar de volgende dag op terugkomt. ’Als voorbeelden worden de 11/9 en de moord op Pim Fortuyn genoemd.
Ronald Bartlema”:
‘Daarnaast brengen we nieuws over en uit de doelgroep en we sluiten af met een uitsmijter, een luchtig onderwerp.’
En een dierenonderwerp als vast onderdeel? De keren dat ik naar het Jeugdjournaal keek, kwam ik tenminste altijd een dier tegen.
‘Dat hoeft niet, maar dieren scoren nou eenmaal hoog op het interesselijstje van kinderen, blijkt telkens weer uit onderzoek. Oorlogen en rampen trouwens ook, maar politiek bijvoorbeeld scoort laag en sport weer hoog. Er hoeft niet per definitie een dier in het programma te zitten. Maar we doen dat ook omdat er vaak heftig nieuws is. Dat schuwen we niet. Het hangt een beetje af van wat er in de wereld speelt. Maar of het nou om Irak of Afghanistan of kindermoorden gaat, we hebben als motto dat je kinderen niet dom moet houden. Je kunt beter uitleggen en toelichten en inkaderen. In deze wereld worden we toch overdonderd door het nieuws, ook kinderen. Het risico is groot dat ze dingen opvangen en daar op los gaan fantaseren. Onze filosofie is dat we beter eerlijk kunnen zijn en het melden en uitleggen. We sluiten af met een luchtig onderwerp om de emoties die het heftige nieuws oproept hun plaats te geven en te laten zien dat er ook hele leuke dingen in het leven zijn.
Heftig nieuws
Jullie denken dus heel goed na bij wat het Jeugdjournaal bij kinderen te weeg zou kunnen brengen? Dat is iets wat naar mijn mening een objectief journalistiek programma als het Journaal eigenlijk niet zou moeten doen.
Ja, er is een groot verschil met het Journaal. Het is een interessante discussie in hoeverre je een educatief programma of een nieuwsprogramma bent. Wij zijn allemaal journalisten en we willen een nieuwsprogramma zijn. Dat willen we ook uitstralen.
Maar we denken wel heel goed na over de mix van onderwerpen en over hoe we die vormgeven. Een heftig verhaal, zoals dat van kinderen die door hun ouders zijn vermoord, kun je op heel veel verschillende manieren vertellen.
Je kunt het op zo’n manier maken dat het heel erg binnendringt bij kinderen. Bijvoorbeeld door details te vertellen over de slachtoffers, door foto’s te tonen, door er muziek onder te zetten. Ook door de intonatie en door dramatisch te doen kun je zo’n verhaal vele malen heftiger maken dan dat het van zichzelf al is.
Wij kiezen ervoor om het terughoudender te doen, door neutrale bewoordingen te kiezen, door níet in details te treden en door het niet te verpersoonlijken.
Enige jaren terug sprongen we erg voorzichtig om met nieuws over kindermoorden. Eigenlijk wilden we dat nieuws niet brengen. Het raakt immers aan de veiligheid en de veilige omgeving en leefwereld van onze kinderen. Daarin zijn we wat opgeschoven. Als het echt groot nieuws is brengen we het wel, maar we doen dat aangepast. Liever eenmalig een of twee keer een onderdeel dat we met wat meer zorg en aandacht omkleden. We kiezen er bewust voor om het dan niet nog eens vier dagen door te laten sijpelen, wat andere nieuwsuitzendingen wel doen. Je hebt begrafenissen, herdenkingen enzovoort. We zijn daar scherper in dan het Journaal. Je wilt ook een realistisch beeld geven. Televisie vergroot enorm uit en daar heb je als programmamaker een verantwoordelijkheid in. Op het moment dat er in een week tijd drie keer aandacht aan zo’n kindermoord wordt besteed, geef je kinderen wel een heel rare kijk op de wereld als je niet uitlegt hoe vaak dat nou werkelijk voorkomt. We proberen ook bij zware nieuws onderwerpen te zoeken naar een lichtpuntje. Bij grote rampen, zullen we ook melden als er hulp onderweg is. Zonder de waarheid geweld aan te doen overigens. We hebben er zelfs een term voor. Geruststellingsstrategieën.’
Weten wat kinderen willen
‘Ik ben blij dat we een redactie van twintig ontzettend toegewijde mensen in stand kunnen houden. Het kan beter, maar het kan ook veel slechter. Ik zie vergelijkbare programma’s in het buitenland waar ze het met minder mensen moeten doen. Dat resulteert in kwalitatief mindere programma’s en onderwerpen. Je hebt dan minder tijd om je onderwerpen te zoeken, minder voor voorbereiding, minder om te polijsten, minder tijd om je in de doelgroep te verdiepen.
Wij komen elke dag op scholen, maken reportages en praten met kinderen. We nodigen kinderen uit om te reageren op uitzendingen en op stellingen via de website. En ze reageren royaal. Sinds een jaar of drie hebben we een meetinstrument dat Jeugdpeil heet. Elke maand leggen we vragen voor aan een on-line panel van zo’n tweeduizend kinderen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een extern bureau, maar wij bepalen de vragen. Wat vinden ze van een onderwerp of een thema? Leeft het bij hen? We toetsen ook wat ze van ons programma vinden en wat er volgens hen anders moet. Bij regelmatige bezoeken aan scholen laten we onze programma’s zien en vragen om reacties. Dat laten we niet alleen aan de verslaggevers over, ook de redacteuren gaan bij toerbeurt mee op stap. Op die manier blijven we voeling houden.
Maar het belangrijkste is natuurlijk dat je met mensen werkt met empathisch vermogen en met liefde voor de doelgroep.
Simpel is niet gemakkelijk
‘Mensen snappen dat niet altijd, maar het maken van een Jeugdjournaal is ontzettend arbeidsintensief.
Het maken van een nieuwsprogramma voor kinderen wijkt in alles af van hoe een gemiddeld nieuwsonderwerp wordt gemaakt.
De manier van interviewen is anders. De voorbereidingstijd is veel langer, je moet kinderen gerust stellen en ze aan je laten wennen. Het kost ook tijd om te zoeken naar de juiste kinderen die het verhaal kunnen vertellen. Je moet rustig met ze kunnen voorpraten.
Tegen volwassen kun je roepen: “Over vijf minuten gaan we draaien en ik wil dit of dat graag horen, en we gaan het zus of zo vragen”, en dan Actie!
Ook met deskundigen die we aan het woord laten moet je langer voorpraten om te zorgen dat ze het op een voor kinderen begrijpelijke manier uit kunnen leggen.
Op locatie hebben de cameraploeg en de verslaggever meer tijd nodig om een rustige routing af te spreken. (Als je in de klas zit kun je dat gelukkig ook samen met de leraar doen.)
Het is dus niet het zomaar in elkaar raggen van een onderwerp. Voor kinderen zijn beeld en geluid ontzettend belangrijk. Wat je niet aan beeld hebt, of wat je voor kinderen niet geschikt vindt, moet worden vervangen door animaties. Dat gaat in nauw overleg metde regisseur, de redacteur en de grafische afdeling. Je wilt dat de jonge kijker zich niet gaatvervelen en dat kost montagetijd. Het in elkaar zetten van een ‘kortje’ of een onderwerp van twee minuten voor het Grote Mensen Journaal gaat sneller dan voor het Jeugdjournaal. Dat moet trouwens ook sneller want er zijn voortdurend nieuwe journaals en nieuwe bulletins.
Bij het Jeugdjournaal zitten verslaggevers en redacteuren in zo’n geval al gauw twee uur te monteren. Ik vind het nog steeds chique dat de NOS daar de waarde van inziet en dat wij dit mooie programma kunnen blijven maken.’
Rinke Bok
http://www.nos.nl/jeugdjournaal
‘EEN NOGAL MERKWAARDIGE ONDERWIJSKUNDIGE’
Voor zijn eerste proefwerk Engels, in de brugklas, haalde hij een dikke onvoldoende. Hij herinnert zich de dodelijke reactie van zijn leraar nog goed. Die maakte hem totaal machteloos. Inmiddels doet professordoctor TheoWubbels al ruim 25 jaar onderzoek naar de relatie tussen leraar en leerlingen in het voortgezet onderwijs. Hoebeter die relatie is, hoe beter leerlingen leren. ‘Een nogal merkwaardige onderwijskundige’, noemt hij zichzelf. Afgestudeerd als natuurkundige en gepromoveerd aan defaculteit Sociale Wetenschappen inUtrecht, werd hij hoogleraar onderwijskunde. Daar was hij ook directeur Pedagogiek en Onderwijskunde. Daarvoor was hij voorzitter van deKamer Onderwijskunde. Eninmiddels is hij vice-decaan vande faculteit Sociale Wetenschappen en directeur van de Graduate School.
Komt u uit een onderwijsfamilie?
‘Een van mijn opa’s was hoofd van een basisschool. Mijn moeder was eerst onderwijzeres aan een basisschool. Later haalde ze haar hoofdakte en werd ze lerares aan een MULO.’
Welke herinneringen hebt u aan leraren op de middelbare school?
‘Er schieten me er meteen twee te binnen. Ik zat op het gemeentelijk lyceum in Enschede. Daar zaten ook twee oudere zussen van me en die haalden heel hoge cijfers. In de brugklas haalde ik voor mijn eerste proefwerk Engels een zware onvoldoende. De leraar zei: Je hebt je best niet gedaan of je heet geen Wubbels. Een uitermate onaangename opmerking die me totaal machteloos maakte. Ik had mijn best namelijk wel gedaan èn ik heette Wubbels. Heel anders was mijn leraar natuurkunde. Die was net zo mager als ik en vertelde dat zijn moeder een feestje had gegeven toen hij boven de vijftig kilo kwam. Dat soort ontboezemingen gaven een gevoel van verbondenheid. En waarschijnlijk vond ik daarom natuurkunde ook een leuk vak.’
U ging natuurkunde studeren. En toen?
‘Toen kon ik kiezen uit een promotieplaats bij molecuulfysica of een baan op een middelbare school. Tijdens mijn studie had ik de lerarenopleiding gedaan – die toen nog weinig voorstelde – en allerlei onderwijstaken. Ik vond omgaan met mensen toch boeiender dan met apparaten en knoppen. Dus koos ik voor leraar natuurkunde op het montessori lyceum in Zeist. Dat heb ik vijf jaar gedaan.’
Wat voor leraar was u?
‘Het eerste jaar had ik ordeproblemen. Niet ernstig, maar toch. Ik was een leerlinggerichte leraar. In het tweede jaar gaf ik ook sociale vaardigheden aan brugklassers, die geen natuurkunde hebben. Ik schoof al gauw op naar leerlingbegeleiding. Als mentor besprak ik alles met die kinderen. Op een montessorischool is de relatie tussen leraar en leerling intens en in die tijd – midden jaren zeventig – zeker. Er waren leerlingen die flipten van de LSD, en ik kreeg ouders op het spreekuur die mij, ik was toen 24, over hun huwelijksproblemen vertelden.’
Van natuurkunde naar onderwijskunde
Hoe komt een leraar natuurkunde bij onderwijskunde terecht?
‘Dat ging heel natuurlijk. In het tweede jaar van mijn studie natuurkunde werd ik mentor van eerstejaars studenten. En in het derde jaar trainer van aanstaande mentoren. Als leraar op de middelbare school ging het net zo. Naast die lessen sociale vaardigheden, begeleidde ik daar in mijn tweede jaar ook studenten van de lerarenopleiding, en in het derde jaar ook beginnende leraren op school.
Ik had nog jaren door kunnen gaan als leraar. Maar in 1978 ben ik gevraagd om mee te werken aan het project Leerpakket Ontwikkeling Natuurkunde, bij de vakgroep natuurdidactiek van Natuur- en Sterrenkunde. Dat ging om vernieuwend natuurkundeonderwijs dat aansloot bij de leefwereld van leerlingen. En daar begeleidde ik ook leraren die het materiaal op scholen uitprobeerden. Daarnaast ging ik onderzoek doen bij de lerarenopleiding van Natuurkunde naar de problemen van beginnende leraren natuurkunde en de begeleiding die je hen kunt geven. Maar toen ik daar op scholen over ging praten, zeiden ze: waarom alleen leraren natuurkunde? Dus het onderzoek schoof op naar de begeleiding van alle soorten beginnende leraren. In 1984 ben ik, samen met Hans Créton, gepromoveerd op dat onderzoek bij de faculteit Sociale Wetenschappen. Toen was mijn omscholing tot onderwijskundige formeel afgerond.’
Kunt u op grond van dat onderzoek verklaren waarom u zelf als kersverse leraar ordeproblemen had?
‘Ja, ik reageerde net iets te agressief op leerlingen die zich gedroegen op een manier die me niet aanstond. Met het gevolg dat die leerlingen ook agressief reageerden. Het eerste jaar dat ik les gaf, heb ik veel gedaan om die negatieve spiraal om te buigen. Verder was ik iets teveel opgeleid in het centraal voor de klas staan. Dat ben ik minder gaan doen en dat hielp veel.’
Model voor interpersoonlijk leraarsgedrag
Als onderdeel van het promotieonderzoek ontwikkelde Theo Wubbels, samen met Hans Créton, een vragenlijst waarmee leerlingen en leraren bevraagd kunnen worden over hun relatie. Hierop gebaseerd is het Model voor Interpersoonlijk Leraarsgedrag. De twee assen van dit model worden aangeduid met Invloed en Nabijheid. De Invloeddimensie geeft aan in hoeverre een docent bepaalt wat er in een klas gebeurt. De dimensie Nabijheid geeft de (emotionele) afstand tussen docent en leerling weer. De vragenlijst wordt inmiddels in meer dan veertig landen gebruikt om de relatie tussen leerlingen en leraren te onderzoeken. Theo Wubbels doet al ruim 25 jaar onderzoek naar deze relatie.
Waarom is die zo belangrijk?
‘De motivatie van leerlingen hangt sterk samen met de kwaliteit van de relatie met de leraar. Dat geldt ook voor hoeveel ze leren. Die relatie is dus zowel vanuit pedagogisch als vanuit inhoudelijk perspectief belangrijk. Onderzoek laat zien dat ongeveer de helft van de hoeveelheid die leerlingen leren, wordt bepaald door hoeveel leerlingen al weten. Van de andere helft wordt ongeveer de helft bepaald door de leraar-leerling relatie.’
Relatie blijkt tamelijk stabiel
Eind dit jaar ronden Theo Wubbels c.s. een onderzoek af naar de relatie tussen leraren en leerlingen in een nieuwe klas. Er zijn vragenlijsten afgenomen bij de start van een schooljaar en na vijftien weken weer. Tot zijn grote verrassing blijkt die relatie al vanaf de eerste les behoorlijk stabiel. Theo Wubbels: ‘Wij hadden altijd het idee dat het veel langer duurde, maar dat is nooit onderzocht. Een verklaring kan zijn dat de eerste indruk die de leerlingen van een leraar hebben een belangrijke rol speelt. Uit veel onderzoeken blijkt dat de eerste indruk die mensen van iemand hebben in de loop der tijd nauwelijks verandert. Vergelijk het met een sollicitatiegesprek. Veel werkgevers zeggen: als iemand binnenkomt, weet ik al of ik ‘m wel of niet wil hebben.’
Uit het onderzoek blijkt ook een grote variatie aan relaties tussen leraren en leerlingen. ‘Er zijn niet twee grote groepen van goede en slechte relaties’, zegt Theo Wubbels. ‘Maar je ziet juist een heel gespreide verdeling, met alle gradaties daar tussenin. Leerlingen zijn het ook behoorlijk met elkaar eens over hoe ze een leraar zien. Die consensus wordt de eerste vijftien weken steeds groter.’
Het onderzoek laat verder zien dat de relatie tussen leraren en leerlingen in de loop van de eerste vijftien weken ietsje slechter wordt. Niet veel slechter, maar wel significant. ‘Dat is gemiddeld genomen’, benadrukt Theo Wubbels. ‘Die verslechtering is wel betekenisvol, maar niet dramatisch. We hebben ook een vragenlijst afgenomen aan het eind van het schooljaar en daaruit blijkt dat die relatie dan weer iets beter is geworden. Het hangt ook af van hoe een relatie in het begin is. Als die boven een bepaalde drempel is, wordt die alleen maar beter. En andersom.’
Don’t smile until christmas
Worden onderzoeken als deze gebruikt om een goede relatie tussen leraren en leerlingen op te bouwen?
‘We geven daar trainingen over aan beginnende en ervaren leraren. En we stoppen het natuurlijk in de lerarenopleiding. Beginnende leraren wordt vaak aangeraden: don’t smile until Christmas. Als je streng begint, kun je later de teugels wat laten vieren. Als je dat kúnt, is het prima. Maar juist beginnende leraren kunnen dat vaak niet en denken dat “don’t smile” betekent dat je onvriendelijk moet zijn. Dat roept agressie op bij leerlingen en zo kom je in een negatieve spiraal terecht. Het probleem voor beginnende leraren is dat ze die twee dimensies van Invloed en Nabijheid niet onafhankelijk van elkaar zien. Ze denken: als ik onvriendelijk ben, bepaal ik ook wat er gebeurt in een klas. En: als ik vriendelijk ben, ben ik ook meegaand. Maar dat is niet aan elkaar gekoppeld. Wij proberen hen te leren om vriendelijk te zijn en ook leiding te geven. Zo bouw je een goede relatie op met je leerlingen.’
Is multicultureel anders?
Hoe zit het met de relatie tussen leraar en leerlingen in een multiculturele klas? Moet een leraar daar over speciale vaardigheden beschikken? Samen met collega’s uit Leiden deed Theo Wubbels een paar jaar geleden onderzoek naar het functioneren van leraren in multi-etnische klassen.
‘Er is een controverse tussen onderwijskundigen’, zegt hij. ‘Sommige zeggen: omgaan met leerlingen van een andere etnische achtergrond is zó anders, dat het specifieke kennis en een speciale houding vereist. Maar wat mij betreft, en wat we in ons onderzoek zagen, gaat het om dezelfde vaardigheden die elke goede leraar moet hebben. Een leraar die goed kan omgaan met een homogene klas, kan ook goed omgaan met een multiculturele klas.
Onlangs zag ik een documentaire over meester Ben, leerkracht aan een multiculturele basisschool in Den Haag.1 Eenbriljante man! Hij had allemaal gesprekjes met individuele leerlingen, wist hoe het bij hen thuis was en hoe het met hun ouders ging. Pedagogisch gezien heeft elk kind recht op dit soort aandacht, in wat voor klas ie ook zit. Maar omdat er in een multiculturele klas meer kinderen met een achterstand zitten, zegt mijn emancipatorische inborst: daar is het nog belangrijker.’
Een miljoen vragenlijsten
Is er veel veranderd in de relatie leraar-leerling de afgelopen 25 jaar?
‘We hebben inmiddels, sinds 1982, meer dan een miljoen afnames van onze vragenlijst in de computer. Dus we kunnen veel vergelijken. Maar daar zitten methodologisch grote problemen aan. Als een leerling nu zegt “deze leraar is vriendelijk” op een vijf-puntsschaal, betekent dat dan hetzelfde als twintig jaar geleden? We bekijken nu technieken om die vergelijking toch te kunnen maken.
Kijk je in een klas, dan zie je dat er heel veel is veranderd. Leraren staan veel minder tijd voor de klas. Leerlingen zeggen nu “goeiemoggel” en gedragen zich naar de normen van 25 jaar geleden brutaal. Maar de resultaten op de vragenlijsten zijn gemiddeld genomen niet zoveel anders dan 25 jaar geleden. De essentie van de relatie is hetzelfde gebleven, denk ik.’
Een vak apart
Vindt u Onderwijskunde een apart vak, los van Pedagogiek?
‘Zondermeer. Wij leiden mensen interdisciplinair op, vanuit de pedagogiek, psychologie en sociologie. Vanuit die drie richtingen is Onderwijskunde ook ontstaan, eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Een combinatie van schoolpedagogiek, leerpsychologie en onderwijssociologie. Er is toen meteen een lastige verhouding ontstaan tussen Onderwijskunde en Pedagogiek. Pedagogiek was de grootste toeleverancier van know how en zeker van studenten. Ik ben zelf meer een pedagogische onderwijskundige, maar die andere twee disciplines horen er nadrukkelijk bij in de opleiding.
De populariteit van Onderwijskunde is bij studenten nooit erg groot geweest. Dat waren altijd kleine aantallen. Daarom was het voortdurend de vraag of Onderwijskunde wel kon bestaan. De laatste tien jaar worden die kleine studentenaantallen steeds minder door de bestuurders getolereerd. Ze oefenen druk uit om verbindingen aan te gaan met opleidingen waar ze meer studenten hebben. Bij veel universiteiten is dat toch de Pedagogiek geworden.’
De NVO wil aantrekkelijker worden voor onderwijskundigen. Een goede zaak?
‘Ik denk dat er wel behoefte is aan een huis voor alle onderwijskundigen. Die zijn nu nog teveel versnipperd. Naast de NVO is er een beroepsvereniging waar vooral bedrijfsopleiders bij zitten. En de Vereniging voor Onderwijsresearch waar ik lid van ben. Mensen die bij het Cito werken of bij de Stichting Leerplan Ontwikkeling hebben eigenlijk geen huis als beroepsvereniging. De NVO kan al die groepen bij elkaar brengen. Dat zou goed zijn voor het beroep.’
Annemiek Haalboom
1. ‘Meester Ben’ (Vuk Janić - 45’) is te bekijken via www.hollanddoc.nl
PRATEN OVER KIJKEN
(Serie over media en opvoeding #1)
Moeten opvoeders als waakhond voor de buis gaan liggen? Moeten ze computergebruik en het spelen van games controleren en reguleren? Moeten ze de tere kinderzieltjes beschermen tegen wat de media ons voorschotelen?
Na bijna honderd jaar mediaonderzoek zijn wetenschappers het nog steeds niet eens over hoe groot en hoe direct de invloed van media is. Door de tijd is er een golfbeweging waar te nemen over de heersende opvatting over de effecten van media: tussen grote en minder grote invloed. Gemeenschappelijk is wel dat de mogelijk kwetsbare ontvanger van kwade media invloed altijd de ander is. Niet wij, die immers tot een afgewogen oordeel in staat zijn, maar de ongeletterde arbeider, de gedepriveerde jongere, de mono-culturele allochtoon of het kwetsbare kind lopen gevaar.
Zorg over de kwalijke invloed van media voor kinderen komt al voor de Tweede Wereldoorlog tot uiting in populaire publicaties van onderzoeken waarvan de titels als ‘Our Movie-Made children’ en ‘Movies, Delinquency and Crime’, zal voor zich spreken.
Het overzicht van studies die een verband onderzoeken tussen ouderlijke begeleiding van het mediagedrag van kinderen en hun gewelddadige houding, emoties en gedrag in ‘Mediageweld en kinderen’ van Peter Nikken, begint pas in 1993.
Dit eerste artikel in een serie over opvoeding en media, is onder meer gebaseerd op een tweetal gesprekken met de auteur. Peter Nikken zal de plenaire inleiding verzorgen op het NVO-studenten congres ‘De Virtuele Pedagoog’.
Peter Nikken studeerde psychologie en massacommunicatie en is verbonden aan het Nederlands Jeugdinstituut NJi. Hij was vanaf het begin in 2000 betrokken bij de Kijkwijzer en hij geeft daar nog steeds advies.
‘Ik houd me onder andere bezig met “Het Zandkasteel”, oneerbiedig gezegd de Nederlandse versie van de Teletubbies. Daarnaast zijn er de vele vragen vanuit de media zelf over geweld in de media en de mogelijke gevolgen daarvan op kinderen die ik moet beantwoorden.
We hebben bij het NJi net een onderzoek gepubliceerd over jongeren, seksualiteit en media. De centrale vraag was wat videoclips doen, hoe jongeren daar mee omgaan en wat de rol van de ouders en de vriendenkring daarbij is.
Tot nu toe hebben we gevonden dat er een correlatie is tussen het kijken naar clips, of het zoeken op internet naar sites met seksuele inhoud en de -laten we zeggen- lossere moraal onder jongeren met betrekking tot seks. Dat lijkt vooral te spelen voor Surinaamse en Antilliaanse jongeren en beduidend minder voor Turkse, Marokkaanse. Autochtone jongeren zitten daar weer tussenin.
Ik verzamel onderzoek op een heel breed terrein van TV, internet en games, en ik probeer daar een vertaalslag van te maken. Mijn indruk is dat er wel degelijk invloed is van die media. We zijn er ook om de nuance te leggen. Je ziet al snel een beschuldigende vinger in de richting van bijvoorbeeld MTV, en dan lees je over uitwassen als seks voor breezers. Uit ons onderzoek blijkt dat 80 % van de jongeren zegt: “Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg” en “Meisjes dwingen tot seks, dat dóe je niet.”
Aantoonbaar effect?
Er ís een verband zeg je. Een beroemd citaat uit 1949 van Berelson over de effecten van massamedia is: ‘Some kind of communications, on some kind of issues, brought to the attention of some kind of people, under some kind of conditions, have some kind of effect.’
Peter Nikken: ‘Er zíjn correlaties en er zijn experimenten waaruit blijkt dat als je proefpersonen confronteert met gewelddadige games of gewelddadige films, dat tot effecten leidt, met name korte termijn effecten. Uit longitudinale studies blijkt dat na een half jaar, een jaar of zelfs twintig jaar, nog verbanden zijn aan te tonen van het op jonge leeftijd kijken naar bepaalde types ‘gewelddadige’ programma’s (en tegenwoordig ook games). Personen die vroeger veel van dat soort producten consumeerden, blijken vaker met justitie in aanraking te komen, of meer gewelddadig in gedrag of houding te zijn.’
Maar wat meet je dan? Voor het onderzoek ‘Movies, Deliquencies and Crime’ werd aan jongeren in een jeugdgevangenis gevraagd of zij niet tot hun daad waren gekomen onder invloed van films. We mogen hopen dat de kwaliteit van onderzoek inmiddels is geëvolueerd, maar meet je niet effecten bij een groep die toch al meer geneigd was tot het gedrag waar je naar op zoek bent?
‘Je kunt elke studie helemaal fileren en dan kun je die in de prullenbak gooien. Geen enkele studie kan alles omvatten, er zijn altijd tekortkomingen.
Toch denk ik dat je kunt concluderen dat er wel degelijk risico’s verbonden zijn aan die confrontaties met geweld, als je al die uitkomsten bij elkaar optelt. Dat geldt met name voor die kinderen waarbij de opvoeding faalt, die zelf al wat meer agressief zijn. Je krijgt dan een cirkel: Kinderen die toch al wat geneigd zijn tot agressief gedrag en die dat gedrag waarderen en die niet voldoende gecorrigeerd worden, gaan nog meer op zoek naar geweld.
Dat geldt denk ik overigens ook voor de seksualisering, een thema dat nu veel aandacht krijgt.
Jongeren die ongelimiteerd naar alles mogen kijken en die al op jongere leeftijd 16+ producten tot zich nemen, komen al snel in die cirkel terecht. Als ze samen kijken met hun vrienden, die daar nog eens positieve reacties op geven, wordt het effect nog versterkt.
In die zin sluit het aan bij die definitie van Berelson: Die media zijn maar éen factor tussen al die andere: School, demografische kenmerken, persoonskenmerken enzovoort.
Het ene type mediageweld is riskanter dan het andere.
Als het getoonde geweld botter is, wil dat nog niet zeggen dat het effect ook negatiever is. Dat ligt wat minder voor de hand dan je zou kunnen denken. Ik heb me in het verleden bezorgd getoond over de tv serie ‘the A-team’, die nu op kindvriendelijke tijd wordt herhaald. Een ploeg Vietnam veteranen neemt het op voor slachtoffers die zelf niet in staat zijn zich met geweld te verzetten tegen slechteriken. Ze gebruiken letterlijk grof geschut: Machinegeweren, handgranaten en geïmproviseerde wapens. Ondanks de kogelregens valt er nooit een dode of zelfs maar een gewonde. ‘Ach, maak je niet druk’, kreeg ik vaak als reactie. ‘Er gebeurt toch niks?’
‘Thuis merk je vaak weinig van de effecten van geweld bij kinderen. Maar de volgende dag op het schoolplein wel. In de negentiger jaren ging een soortgelijke discussie over de ‘Power Rangers’, waarin vijf ogenschijnlijk vreedzame jongens en meisjes zich ontpoppen tot bovennatuurlijke vechtmachines als ze door duistere krachten worden bedreigd. Gehelmd en gehuld in strakke pakken trekken ze ten strijde. Vooral de jongetjes vertoonden de volgende dag op het schoolplein de karatetrappen die ze hadden gezien.’
Geweld in de media dat geen nare consequenties vertoont, is eigenlijk schadelijker? ‘Ja, de afwezigheid van pijn en lijden is een van de factoren die het risico op effecten van geweld in de media verhogen. Dat geldt voor films en series en waarschijnlijk nog meer voor gewelddadige games.
Een andere risicoverhogende factor is de mate waarin een kind zich kan identificeren met de held. De helden in de serie Power Rangers waren jongens en meisjes, wit, zwart en Aziatisch.
Het is ook risicoverhogend als het gebruikte geweld als gerechtvaardigd wordt gepresenteerd en als zodanig door kinderen wordt ervaren.
En uiteraard is het van invloed als het getoonde geweld wordt beloond en tot een oplossing leidt.’
De rol van de ouders
Het komt er vooral op neer hoe ouders er mee omgaan?
Uiteindelijk is mediaopvoeding natuurlijk een onderdeel van de totale opvoeding. Ik denk dat ouders er al op jonge leeftijd bovenop moeten zitten. Doseer wat kinderen mogen zien en hoeveel ze zien.
Je moet er over praten, je moet je eigen normen en waarden er tegenover stellen. Wat is goed en wat is niet goed?
En wat denk je van domweg verbieden?
‘Ik denk dat het én én is. Je moet als ouder wel degelijk regels en beperkingen stellen en je kunt het kijken naar bepaalde producties zeker verbieden. Je laat je kind ook niet de hele week alleen patat eten. Kinderen hebben naar mijn idee ook erg behoefte aan regels. Ik geef ouders mee dat ze voet bij stuk moeten houden over kijken naar iets waarvan zij écht vinden dat het niet kan. Ze moeten zich niet laten verleiden door het argument dat andere kinderen het wel mogen. Je moet dan wel alternatieven aanbieden. Alleen verbieden helpt niet.’
Je zegt dat samen kijken eerder contraproductief werkt.
‘Om er met kinderen over te kunnen praten, moet je het programma natuurlijk wel hebben gezien. Maar meekijken kan door de kinderen al snel worden uitgelegd als legitimatie. Ze kunnen denken dat je eigenlijk toch het wel goed vindt wat er getoond wordt. Ik heb inderdaad sterk de indruk dat het samen kijken wel eens verkeerd uit zou kunnen pakken. Maar ook hier is meer en longitudinaal onderzoek nodig.’
De school is de goede opvoedingsplek
De ouders zijn in de eerste plaats verantwoordelijk, maar op school manifesteren de effecten zich eerder. Maar is de school ook bij uitstek de plek waar je er iets kunt doen tegen negatieve invloed van geweld in de media?
‘Ik denk inderdaad dat het onderwijs een goede plek is om tegenwicht te bieden tegen media-invloeden. Daar zitten kinderen in een expliciete opvoedingssituatie.
Overigens is het natuurlijk niet alleen slecht wat de media brengen. In tegendeel: kinderen zijn actief op zoek naar verhalen, naar informatie, naar voorbeelden waarmee ze zelf kunnen groeien, hun persoonlijkheid op kunnen bouwen en daar gebruiken ze zelfs ook programma’s met geweld voor.
In de klas kun je kinderen samen op hun eigen niveau gericht na laten denken en met elkaar in debat laten gaan over geweld op tv en over hun eigen kijkgedrag. Waarom zijn die media zo belangrijk? Waarom besteden we er zoveel tijd aan? Wat is er nou zo interessant aan? Wat halen we er uit? Waarom heeft de een voorkeur voor soaps en de ander juist niet? Met dat soort vragen kun je kinderen na laten denken over wat die media eigenlijk met ons doen.
Ik heb meegewerkt aan de serie “Anders TV-kijken” van wat toen nog de Schooltelevisie heette. Die gingen over het nieuws. We hebben toen een paar onderzoekjes gedaan waaruit bleek dat kinderen dachten dat wat je op het nieuws ziet dé werkelijkheid is.
Vanaf een jaar of negen weten ze heus wel dat alles ‘gemaakt’ wordt in de media, maar ze doorzien vaak toch nog niet welke enorme reeks van keuzes door de makers zijn gemaakt.
Waarom wordt het ene item gekozen en het andere niet? Hoe wordt het in beeld gebracht? Wie komt aan het woord? Wat voor commentaar wordt gegeven? Enzovoort. Na het kijken naar die serie hadden kinderen een heel ander oog voor het nieuws.’
Media-educatie
Je pleit voor media-educatie?
‘Ja, maar dat hoeft voor mij niet beslist een apart vak te zijn. Het kan een onderdeel van maatschappelijke vorming zijn, maar je kunt het insteken bij ieder vak, ook bij taal en rekenen. Initiatieven als ‘Mijn Kind Online’ en ‘Weet wat je ziet’ zijn heel enthousiast bezig met projecten en met het ontwikkelen van lespakketten. Ik vind overigens dat de aandacht momenteel wel erg sterk op het internet ligt. Er is maar mondjesmaat aandacht voor games en de traditionele media als televisie, krant en tijdschriften.
Maar wat we vooral missen in Nederland, is een doorlopende leerlijn. We missen ook goed inzicht in wat werkt. Wat is er goed aan bepaalde lespakketten, wat is er minder goed aan? Hoe ga je na een eerste leerervaring verder met kinderen van 8-12 jaar? En kun je vervolgens verdieping aanbrengen bij kinderen van 12 -16 jaar, of moet je daar voor een heel andere benadering kiezen? Daar weten we heel weinig van.
Leerkrachten willen er graag iets aan doen, maar zien door de bomen het bos niet.
Dat er bij dit thema telkens weer andere partijen betrokken zijn draagt ook niet bij aan de helderheid en de continuïteit. De Raad voor Cultuur heeft in 2005 een advies uitgebracht over Mediawijsheid. Daarin stellen ze onder andere voor mediacoaches aan te stellen.
Er komt nu een expertisecentrum, een netwerk waarin onder andere Kennisnet, ECP.nl, de publieke omroep, de Vereniging van Openbare Bibliotheken en het Instituut voor Beeld en Geluid behoren. Die moeten in kaart brengen welke initiatieven, pakketten en ontwikkelingen er zijn.’
Is er volgens jou voldoende structurele interesse en kennis bij pedagogen en onderwijskundigen?
Ik heb niet de indruk dat mediaopvoeding in de opleiding pedagogiek uitgebreid aan bod komt. Bij communicatiewetenschappen in Nederland komen media, kinderen en de effecten wel aan bod, maar het hele Umfeld van ouders, school en de samenleving krijgt heel weinig aandacht. Ook binnen de gezondheidszorg en de jeugdhulpverlening is die aandacht er niet sterk.
Dat is mijn pleidooi: Er moet meer kruisbestuiving zijn.
In de USA houdt de American Academy of Pediatrics zich actief bezig met media. Ze komen met voorstellen om kinderen onder de 2 jaar helemaal niet aan media bloot te stellen en daarna maximaal 2 uur mediaconsumptie per dag toe te staan. Dat zijn prachtige adviezen, maar hoe voer je die in de praktijk uit? De Amerikaanse kinderartsen hebben door hun relaties met pedagogen wel enige invloed op het terrein van opvoeding.
Ik zie daar in Nederland een lijn naar de centra voor Jeugd en Gezin. Misschien dat daar op individueel niveau aandacht kan komen voor mogelijk schadelijke effecten van media. Want ook bij professionele hulpverleners kan de alertheid daarvoor omhoog.
Als er een ouder komt met de klacht dat hun kind zo slecht slaapt, denk dan ook aan eens aan de media als één van die factoren die de klacht zouden kunnen veroorzaken.’
Rinke Bok
Kort door de Bogt
‘Sexy videoclip beïnvloedt meisjes. En jongens nauwelijks.’ Dat was vooral wat bleef hangen van de ruime aandacht in de media voor een experimenteel onderzoek onder 500 jongeren naar de invloed van sexy videoclips op hun seksuele opvattingen.
Meisjes gaan sterker denken dat een sexy uiterlijk essentieel is voor vrouwen.
Hoogleraar populaire muziek en jeugdcultuur prof. dr. Tom ter Bogt constateerde tijdens zijn oratie aan de Universiteit van Utrecht op 15 februari echter meer dan dat. Bijvoorbeeld dat jongens niet bijster gevoelig zijn voor de smaak van hun vaders of moeders, maar dat meisjes wel gevoelig zijn voor het klimaat waarin zij opgroeien. Andere uitkomsten bevestigen in grote lijnen het eerder door het NJi uitgevoerde onderzoek.
Slechts een kleine groep jongeren (13%) vindt dat seks zonder liefde prima kan. Een kleine meerderheid van hen (51%) denkt dat mannen sterke seksuele impulsen hebben, en omschreven kunnen worden als ‘gedreven door seks’.
GEHECHT AAN WETENSCHAP EN DIALOOG
Als Billy Graham was komen prediken in de Martuskerk inAmersfoort was het niet drukker geweest. De zaal was bomvol bij de lezing van Prof.dr.Schuengel over ‘Feiten en meningen over verstoorde gehechtheid’. Maar Carlo Schuengel sprak niet als predikant enniet als verlosser. De ondertitel van zijn inleiding luidde bescheiden: ‘Waar wetenschappers (niet) mee kunnen helpen.’ De organisatie1 moest nog ruim tweehonderd belangstellenden teleurstellen. Zij krijgen een herkansing in januari. Wie wel binnen was staarde naar de slanke gestalte van de professor naast het orgel. Een échte, een whizzkid zou je denken. Hij had zijn eigen laptop en beamer meegenomen. De volgende dag spreken we op zijn kamer bijdeVU over feiten en over houding. (Het moet niet te laat worden, zijn dochter wordt die dag negen jaar.) Het wordt een gesprek dat zich beweegt tussenAlpha en Beta.
Carlo Schuengel, een Italiaanse voornaam en een Duitse achternaam, waar komen dievandaan?
'Mijn overgrootopa kwam als schoorsteenvegertje op 10-12 jarige leeftijd van zijn dorp in Noord Italië naar Nederland.2 Vandaar de naam, mijn vader heet ook Carlo. Hij schijnt ook nog een tijd in Parijs te hebben gewoond om aan de Eiffeltoren te bouwen. Over de achternaam is de familie wat onduidelijker, die schijnt een Pruisische achtergrond te hebben. Maar dat is wel enige generaties geleden.’
Carlo Schuengel studeerde Pedagogiek in Leiden, maar daarvoor een korte tijd scheikundige technologie in Delft.
‘Dat was maar van korte duur. Na anderhalve week vroeg ik me al af of ikdaar wel goed zat’.
Daar hebt u dus niet veel van over gehouden?
‘Wel dat ik altijd al Beta-gericht was. Ik ben nu ook zeer tevreden dat we met allerlei kastjes en lampjes en gadgets onderzoek kunnen doen. Dat spreekt mij wel aan.’
Geen liefhebber van een wollige pedagogische benadering, dus?
‘Ik houd erg van afgrenzing, van dingen strikt definiëren, operationaliseren, van begrippen goed omschrijven. Wees helder over wat je bedoelt. Ikdenk dat wetenschap zo werkt.’
Niet bang voor het evidence beest, zoals Micha de Winter dat noemde.
‘Natuurlijk niet, maar tegelijkertijd benik overgestapt van een technische wetenschap naar pedagogiek omdat ik het gevoel had dat er meer in het leven was dan harde wetenschap en wiskundige formules. Ik ben ook geïnteresseerd in ethische en filosofische achtergronden, in menselijke relaties en hoe die op elkaar ingrijpen. Ik had misschien dan wel een beta-oriëntatie, maar ik wilde ook graag die alfa- en die gammakant van mezelf verder ontwikkelen.’
Oproep tot mondigheid
Bij de lezing in Amersfoort riep u cliënten en ouders op om aan de behandelaars te vragen: “U constateert verstoorde gehechtheid/hechtingsstoornis/hechtingsproblematiek/geen-bodem-syndroom. Wat bedoelt u daarmee?” Denkt u dat de behandelaars, de pedagogen blij zijn met zo’n oproep?
‘Ik denk dat je er op de lange termijn meer aan hebt als je cliënten mondig zijn. Volgens mij moet het bij uitstek het doel zijn voor pedagogen om in je handelen bij te dragen aan de mondigheid van je cliënten. De kinderen voorop, maar zeker ook de ouders. Dat houdt indat je in principe een gelijkwaardig discours voert, waarbij je de kennis op basis waarvan je opereert deelt, niet achter houdt en de andere partij ook inzicht geeft in de achtergrond van waaruit je handelt. Dat klinkt erg Habermasiaans maar daarin heb ik in mijn studie in Leiden dan ook een heel goede scholing ontvangen.
Dialoog met mensen meteen complementaire deskundigheid.
Het lijkt of er een slingerbeweging is. Toen ik in het begin met pedagogiek te maken kreeg, vond ik de manier waarop over pedagogiek en ‘het kind’ werd gesproken vaak nogal wollig.
Vervolgens merkte ik een trend, het leek wel een mode gril, om liefst aan alles het label evidence based te willen hangen. Nu bespeur ik ook weer een voorzichtige beweging terug.
Vindt u dat er nog steeds te weinig evidence based wordt gewerkt?
‘Laat ik voorop stellen dat ik altijd heb gevonden dat wetenschap nooit aan de praktijk zou moeten dicteren wat er moet gebeuren. Wat ik wel vind is dat praktijkmensen en wetenschappers toch allebei voor hetzelfde staan. Door te kiezen voor het onderwerp pedagogiek denk ik dat je je al engageert, of je dat nu toe wil geven of niet. Het lijkt me erg moeilijk om pedagogiek te bedrijven puur alleen voor de intellectuele uitdaging is. Al moet die er wel altijd in zitten. Maar voor een groot deel is de doelstelling van pedagogische wetenschappers en pedagogen in de praktijk dezelfde: de belangen van ouders en kinderen bevorderen. Wetenschappers en praktijkmensen doen dat vanuit hun specifieke deskundigheid. Wetenschappers specialiseren zich vooral in het stellen van vragen en het toetsen van mogelijke antwoorden.
In de praktijk zijn pedagogen goed in het toepassen. Daarbij komen praktijkmensen ook weer nieuwe problemen tegen en stellen ze nieuwe vragen, of stellen ze interessante nieuwe ideeën voor. Dat houdt in dat je niet kan zonder een actieve dialoog tussen wetenschappers en praktijkmensen. Daar heb ik altijd in geloofd. Ik heb er ook altijd in geloofd dat pedagogen in de praktijk er uiteindelijk meer aan hebben om een dialoog te voeren met wetenschappers die hun complementaire deskundigheid zo goed mogelijk ontwikkelen, in dit geval in onderzoek doen en theorievorming bedrijven. Een dialoog met wetenschappers die eigenlijk op de stoel van behandelaars willen gaan zitten lijkt me minder zinvol. Omgekeerd geldt natuurlijk hetzelfde. Nou is dat een lastige figuur. Om onderzoek te kunnen doen moet je toegang hebben tot de praktijk. Je moet een samenwerking hebben, je moet elkaar kunnen verstaan. Tegelijkertijd vind ik dat je als academicus, ook al werk je in de praktijk, altijd een vorm van kennisvergroting en kennisverbreding dient na te streven. Het is ook niet zo zwart-wit: wetenschappers die alleen maar wetenschap bedrijven en praktijkmensen die alleen maar praktijk bedrijven. Maar deze schoenmaker blijft tamelijk dicht bij zijn leest. Ik hoop daarmee niet oninteressant te zijn voor mensen die in de praktijk werken; dat ik hen iets te bieden heb waar in de praktijk van alledag vaak lastig aan is te komen. Ikprobeer met goed wetenschappelijk onderzoek iets te leveren dat aanvullend is. Uiteindelijk is dat de emanciperende rol van wetenschap: laten zien dat het misschien ook anders kan dan je gedacht hebt, mogelijkheden verkennen, bijdragen aan inzicht.’
Gehechtheidsstoornissen
Carlo Schuengel waarschuwt ervoor dat er een onderscheid is tussen de wetenschappelijk gefundeerde notie van gehechtheid en wat je er mee in het dagelijks spraakgebruik bedoelt.
‘Het is heel normaal om te zeggen: “Ik ben gehecht aan mijn kind.” Natuurlijk, je houdt van je kind. Maar in de gehechtheidstheorie zou dat pathologisch zijn, want het zou betekenen dat je veiligheid en zekerheid ontleent aan je kind. Dat je kind je helpt je emoties te reguleren. Dat is natuurlijk niet waar een gezonde ouder-kind relatie om zou moeten draaien.’
In zijn lezing in Amersfoort3 somt Carlo Schuengel een groot aantal diagnostische labels op die direct of indirect naar gehechtheid verwijzen:
Reactieve hechtingsstoornis, hechtingsstoornis, verstoorde gehechtheid/hechting, hechtingsproblematiek, hechtingsstoornisgedrag, niet-gehechtheid, geen-bodem-syndroom, fundamentele relatiestoornis, sociaal gebrek, stoornis van intersubjectiviteit. ‘De inventiviteit van psychiaters en psychologen kent geen grenzen.’ Hij wijst er op dat er daarnaast van soorten gehechtheidsrelaties wordt gesproken: veilige, onveilig-vermijdende, onveilig-afwerende en gedesorganiseerde gehechtheid.
Het onderscheid tussen deze soorten gehechtheid slaat op de kwaliteit van specifieke gehechtheidsrelaties in wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld naar kinderen met hun moeder. ‘Je spreekt in wetenschappelijk onderzoek niet van een onveilig gehecht kind, hooguit van een kind met onveilige gehechtheidsrelaties.’
Gedesorganiseerde gehechtheid klinkt ernstiger, en dat is het volgens Schuengel ook. ‘In tegenstelling tot onveilige gehechtheid blijkt een gedesorganiseerde gehechtheidsrelatie met de moeder op zichzelf een verhoogde kans op te leveren op de ontwikkeling van externaliserend probleemgedrag, zeg maar agressief en opstandig gedrag.
Verstoorde gehechtheid
Van alle termen in de diagnostische praktijk is er tot nu toe slechts één waarover internationaal voldoende overeenstemming bestaat onder psychiaters en psychologen: reactieve hechtingsstoornis. Alleen deze stoornis heeft het gebracht tot internationaal erkende classificatiesystemen voor psychische en gedragsmatige stoornissen, de DSM-IV en de ICD-10. Over deze stoornis wordt het meest geschreven op basis van klinische ervaring, behandeleffecten én wetenschappelijk onderzoek. Er worden twee subtypen onderscheiden.
• Geïnhibeerd/emotioneel teruggetrokken subtype
Het kind reageert buitengewoon ingehouden op de opvoeders, of uiterst ambivalent en tegenstrijdig, met name tijdens spannende momenten waarbij kinderen normaliter hun opvoeder zouden opzoeken. Deze kinderen vertonen afwisselend of gelijktijdig toenadering, vermijding, of houden hun omgeving verkrampt in de gaten. Het kind wijst aangeboden troost en koestering af.
• Gedisinhibeerd/willekeurig sociaal subtype
Het kind is niet selectief in het vertonen van gehechtheidsgedrag. Het kind zoekt contact met willekeurige personen, en spreekt mensen zomaar aan. Op het eerste gezicht lijkt het kind spontaan en sociaal, maar een kind dat zomaar met onbekenden mee zou kunnen gaan, brengt zichzelf in gevaar. In onbekende, spannende situaties zoeken ze geen steun bij de vaste opvoeders.
Verstoorde gehechtheidsrelaties
Carlo Schuengel vertelt dat veel behandelaars de DSM categorie RHS te beperkt vinden:
'Naast deze kindgebonden stoornis, zijn er mogelijk ook relatiegebonden stoornissen. Dat wil zeggen, dat het kind specifiek in de relatie met de ene opvoeder maar niet per se in de relatie met de andere opvoeder ernstig verstoord gehechtheidsgedrag laat zien. Er gaapt echter nog een kloof tussen deze klinische noties omtrent verstoorde gehechtheid en wetenschappelijk onderzoek naar de betrouwbaarheid envaliditeit van deze typen.
De rode draad binnen deze verschillende vormen van verstoorde gehechtheidsrelaties is dat de gehechtheidsrelatie afbreuk lijkt te doen aan de emotionele veiligheid van het kind, in plaats van eraan bij te dragen.
• Binnen een verstoorde gehechtheidsrelatie met zelfbeschadiging laat het kind in aanwezigheid van de opvoeder opvallend roekeloos, onhandig of agressief gedrag zien ten opzichte van zichzelf of anderen. Dit gedrag verdwijnt of vermindert aanmerkelijk als deze opvoeder er niet is.
• Overdreven waakzaamheid of onderdanige gehoorzaamheid binnen een gehechtheidsrelatie belet het kind om zelfstandig te spelen en de omgeving te verkennen. Binnen de relatie toont het kind geen emoties, houdt de opvoeder nauwlettend in de gaten en volgt als een marionet alle opdrachten op die de opvoeder geeft.
• Bij verstoorde gehechtheid met excessief vastklampen, leidt de komst van een onbekende tot krampachtig nabijheid zoeken en vastklampen aan de opvoeder. Zolang de vreemde er is, is het kind niet tot spel te bewegen, en verzet het zich hevig tegen loslaten door de opvoeder. Als de vreemde weg is, gaat het op zijn gemak met de opvoeder om. Alleen als de opvoeder er is, vertoont het kind een dergelijke extreme angst voor vreemden.
Waarschijnlijk dat er zowel sprake is van overdiagnostiek als onderdiagnostiek van verstoorde gehechtheid. Settings die werken volgens evidence-based diagnostiek, laten deze problematiek vaak buiten beschouwing omdat er tot voor kort geen evidence based methoden voor diagnostiek bestonden. Daar zullen kinderen met verstoorde gehechtheid mogelijk eerder een diagnose krijgen in de sfeer van gedragsstoornis of contactstoornis. Inandere settings worden methoden gebruikt die juist teveel kinderen bestempelen als hechtingsgestoord. Dat risico bestaat nog sterker wanneer alleen af wordt gegaan op informatie uit de anamnese, vragenlijsten bij ouders of spelobservatie.'
Pedagogen zijn ook mensen
We begonnen met de vraag of pedagogen wel blij zouden zijn met een oproep om de behandelaar kritisch te ondervragen. Denkt u dat de bereidheid om ouders en cliënten te betrekken in voldoende mate aanwezig is?
‘Ik kan natuurlijk niet generaliseren. In het eerste jaar beginnen we al aan studenten uit te leggen dat er verschillende manieren zijn om naar je vak te kijken. Vanuit een zelfbeschikkingsmodel van een cliënt, dan heb je het over noties als vraag gestuurd, vraag gericht. Daarbij is het expliciet de bedoeling om de ongelijkwaardigheid tussen cliënt en behandelaar op te heffen. Daarbij ben je dan ook volkomen transparant, en stel je je niet hoger op met een exclusieve claim op kennis.
Aan de andere kant hulpverlening volgens het deskundigheidsmodel, dat ook wel wordt vergeleken met het medische model. Dat model staat dan in een kwade reuk, maar het hoeft niet per se kwalijk te zijn of cliënten te bevoogden. Je moet als pedagoog in ieder geval wel nadenken vanuit welk model, vanuit welke oriëntatie, je het vak wilt beoefenen. Ben je iemand die gaat voor dat zelfbeschikkingsmodel, empowerment, of ben je een pedagoog die meer gelooft dat je zelfbewust moet zijn en er voor moet zorgen dat je de cliënt heel veel te bieden hebt en hem een aantal overzichtelijke keuzes geeft.’
Is dat een keuze die iedere pedagoog moet maken? Kun je die niet wisselend toepassen?
‘Voor beide modellen is wat te zeggen. Voorzover je in de uitwerking van die modellen terugkomt op de intentie om een gelijkwaardig discours te voeren en niet op slinkse wijze je invloed te laten gelden, zijn beide modellen valide. Maar je moet niet vergeten dat er ondanks al die zuivere motieven ook interpersoonlijke processen spelen. Pedagogen zijn ook mensen. Het duidelijkst weten we dat van psychotherapeuten, waarbij er in de relatie met hun cliënt soms een ‘folie a deux’ optreedt. We hebben een aantal jaren geleden bijvoorbeeld epidemieën gehad van meervoudige persoonlijkheidsstoornissen. Die epidemieën traden heel opvallend vooral op in de VS en in Nederland, daarbuiten niet. Nu hoor je niets meer van die meervoudige persoonlijkheidsstoornissen. Er is een aantal interessante studies gewijd aan hoe in het contact tussen de therapeut en de cliënt de notie kan ontstaan: ik heb misschien wel een meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Bekend zijn ook de onderzoeken naar gesuggereerde jeugdherinneringen. Mensen denken dan echt: ik ben als kind seksueel misbruikt, satanisch misbruikt, noem het allemaal maar op.
Ik denk niet dat pedagogen immuun zijn voor dat soort processen.
In het contact met ouders in een moeilijke opvoedingssituatie kan suggestie wellicht ook wel eens naar voren treden. Dan kan de notie ontstaan: misschien heeft mijn kind wel een hechtingsstoornis en kan ik hem daarom niet bereiken. Dat past dan in het plaatje en vervolgens gaat het zijn eigen weg.
Ook om die reden brengen we pedagogen die wetenschappelijke oriëntatie bij.
Het is een van de middelen, geen panacee, om bij een diagnose of een behandeling te voorkomen dat vooronderstellingen met je op de loop gaan.’
RINKE BOK
Prof.dr. C. Schuengel is als hoogleraar Orthopedagogiek verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam bij de faculteit Psychologie en Pedagogiek.
1. De Knoop. Algemene landelijke vereniging voor hechtingsstoornissen/Geen Bodem-syndroom
2. De Italiaanse schoorsteenvegers zijn in Europa vooral beroemd geworden door de kinderarbeid, waarop het ambacht was gebaseerd. Lisa Tetzner heeft in haar onvergetelijke ‘Levende Bezems’de hemeltergendeomstandigheden beschreven, waaronder de schoorsteenvegertjes in Milaan moesten werken. Maar ook in Amsterdam en in alle andere steden van Nederland werkten de schoorsteenvegersbazen met kleine jongetjes die ze uit hun dorpen meenamen endat sprak al evenzeer tot de verbeelding. Bron:Frank Bovenkerk en Loes Ruland: Italiaanse schoorsteenvegers in Amsterdam
3. De volledige tekst van deze lezing zal beschikbaar komen na een tweede sessie eind januari. Zie: www.deknoop.org
'JEUGDZORG MEER BODY GEVEN'
Op 11 juli overhandigde EllaKalsbeek het‘Actieplan professionalisering in de jeugdzorg’ aan minister Rouvoet. Het is door de NVO samen met andere beroepsorganisaties en diverse organisaties in de jeugdzorg opgesteld. Er zijn plannen voor een duidelijke beroepscode, een eigen tuchtrecht, een sterkere verankering vanberoepsverenigingen en beroepsregistraties en opleidingen die beter voorbereiden op de beroepspraktijk. EllaKalsbeek is voorzitter van destuurgroep die de kwaliteit van de jeugdzorg onder
de loep neemt.
Was minister Rouvoet blij met het plan?
‘Zeker’, zegt Ella Kalsbeek. ‘In de Kamer had hij al een paar keer aangekondigd dat het eraan kwam. Er wordt al zo lang op gehamerd dat de professionalisering in de jeugdzorg heel belangrijk is. Eerlijk gezegd heb ik er zelf als kamerlid ook vaak op aangedrongen. Nu ligt er dan eindelijk een gedegen actieplan, een eerste stap. Dat wordt de komende drie jaar uitgewerkt.’
Ella Kalsbeek zat jarenlang voor de PvdA in de landelijke politiek. Sinds begin dit jaar werkt ze bij Altra, een grote instelling voor jeugdzorg en speciaal voortgezet onderwijs in Amsterdam. Ze is er voorzitter van de Raad van Bestuur. Ze schrijft ook een column in het blad Jeugd en Co, van het Nederlands Jeugdinstituut. Waar komt haar betrokkenheid bij de jeugdzorg eigenlijk vandaan?
‘Op de één of andere manier ligt daar mijn hart. Ik weet niet precies waarom. Maar ik kan het gewoon niet hebben als kinderen in de knel zitten en niet goed worden geholpen. Als staatssecretaris was ik verantwoordelijk voor de justitiële jeugdzorg. De gezinsvoogdij, kinderbescherming, maar ook het jeugdstrafrecht. Toen ik daarna terug kwam in de Kamer, wilde ik graag het woordvoerderschap jeugdzorg. En dat heb ik gekregen. Toen het einde van mijn Kamerlidmaatschap naderde, ben ik bestuursvoorzitter geworden van het Nederlands Jeugdinstituut. Dat is nog steeds een nevenfunctie. Als ouder – ikheb drie volwassen kinderen – heb ikgelukkig nooit iets te maken gehad met de jeugdzorg.’
Welke ontwikkelingen heeft u in die tijd gezien in de jeugdzorg?
Ella Kalsbeek: ‘De meest dominante ontwikkeling is misschien wel dat de sector heel hard groeit. En nog steeds te langzaam als je kijkt naar de wachtlijsten. Inhoudelijk verandert er ook veel. Er komen meer wetenschappelijke inzichten. Bijvoorbeeld over huiselijk geweld. Vroeger dachten we: als pa alleen ma in elkaar mept, valt het voor een kind wel mee. Inmiddels weten we dat het heel traumatiserend werkt als kinderen zien dat hun ouders fysiek geweld gebruiken. Ook over stoornissen in het autistisch spectrum zijn we de laatste jaren veel meer te weten gekomen. Bepaalde gedragsproblemen kun je daaraan relateren.
Verder zijn er, vooral in de Angelsaksische landen, methodieken ontwikkeld over hoe je kinderen en gezinnen met problemen kunt helpen. Alles bij elkaar weten we meer, kijken we beter en accepteren we minder dat kinderen in de knel zitten. Met de centra voor jeugd en gezin die nu opgezet worden, komen nog meer kinderen met problemen in beeld. Daardoor zal de vraag naar hulpzorg blijven stijgen.’
Waarom is er volgens u een actieplan nodig?
‘In vergelijking met andere sectoren in de publieke sector, zoals de gezondheidszorg en het onderwijs, is de jeugdzorg nog betrekkelijk jong. De sector is de laatste jaren explosief gegroeid, maar dat geldt niet zo sterk voor de ontwikkelingen rond het vak van mensen die werken in de jeugdzorg. Dit plan probeert de professie meer body te geven, meer inhoud. Op alle fronten. Dat zie je in de vier onderdelen van het actieplan: de beroepenstructuur, de beroepsverenigingen, het tuchtrecht en de opleidingen.’
Wat houdt die beroepenstructuur in enwaar dient die voor?
Ella Kalsbeek: ‘Daarmee breng je in kaart welke beroepen er eigenlijk zijn binnen de jeugdzorg. Dat zijn er waarschijnlijk heel veel. Het scheelt nogal of je ambulant hulpverlener bent voor een groep jongeren, of in een gedwongen kader in een multiproblem gezin moet opereren, of hulpverlener bent in een justitiële inrichting waar zwaar gestoorde jongeren zitten. Drie willekeurige voorbeelden van volstrekt verschillende beroepen binnen de jeugdzorg.
Al die beroepen op een rij vormen een soort catalogus. Vervolgens kijk je wat er nodig is om die beroepen uit te oefenen. Zo komt het vierde onderdeel van het actieplan, de opleidingen, al snel in beeld. Je gaat na welke vakken je op mbo-, hbo- of universitair niveau kunt doen. Je geeft aan welke competenties en kennis je moet hebben en die vind je als spiegelbeeld terug in de opleidingen. Verder moet je nagaan welke specialisaties er binnen de initiële opleidingen moeten komen en welke erna. Bijvoorbeeld training on the job, zoals je ook bij artsen ziet. Als je arts bent, ben je eigenlijk nog niks. Dan moet je je nog specialiseren tot huisarts of psychiater. Zo’n model kun je je bij de jeugdzorg ook voorstellen.’
De meeste werkers in de jeugdzorg, zeventig procent, komen van het hbo. Richt het actieplan zich daarom vooral op verbetering van de hbo-opleidingen?
Ella Kalsbeek: ‘Ja, daar beginnen we mee. Daarna komen we bij het mbo en de universiteiten uit. Er zijn veel academici werkzaam in de jeugdzorg, zoals orthopedagogen, psychologen en jeugdpsychiaters. Die beroepen zijn veel verder uitgekristalliseerd. Maar misschien zijn er wel aanvullend eisen nodig, bijvoorbeeld voor het werken in een gedwongen kader. Maar dat kan ik nu nog niet beschrijven, daarvoor is het te vroeg.’
Een ander doel van het actieplan is om gedegen beroepsverenigingen van de grond te tillen. Op dit moment hebben werkers in de sociaal agogische sector zich nauwelijks georganiseerd. Slechts drie procent is lid van een beroepsvereniging. Dat moet omhoog naar 25 procent. Academici zijn wel goed georganiseerd. Tussen de 40 en 70 procent is aangesloten bij beroepsverenigingen als de NVO en het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen). Volgens het actieplan kan dit percentage omhoog naar 80 procent.
Waarom zijn er eigenlijk zoveel meer academici lid van een beroepsvereniging?
Ella Kalsbeek: ‘Een academische titel geeft meer identiteit, denk ik. Mensen zeggen makkelijker “ik ben arts” of “ik ben psycholoog”, dan “ik ben sociaal agoog”. Academici hebben, denk ik, meer beroepstrots. Dat leidt eerder tot lidmaatschap van een beroepsvereniging. Ik denk dat alle artsen lid zijn van een beroepsvereniging en geabonneerd zijn op vaktijdschriften. Waarschijnlijk hebben ook heel veel juristen een abonnement op het Nederlands Juristenblad. Ik denk dat dat bij pedagogen minder is, eerlijk gezegd. En nog veel minder bij mensen die een hbo-opleiding hebben. Dat komt ook omdat het hbo weinig specifiek opleidt. Afgestudeerden komen op veel verschillende plekken terecht. Vermoedelijk is dat ook een drempel voor hbo-ers om lid te worden van een beroepsvereniging.’
Dat gaat verbeteren via een ledenwerfcampagne?
Ella Kalsbeek: ‘Onder andere. En door duidelijk te maken wat het belang is van een beroepsvereniging. Als je je vak op een goede manier wilt uitoefenen, kunnen beroepsgenoten je daarbij helpen. Je kunt van elkaar leren, expertise uitwisselen, een vaktijdschrift op poten zetten. Je kunt bijscholingen organiseren, symposia en congressen over nieuwe ontwikkelingen. Maar hoe kleiner een beroepsvereniging is, hoe minder mogelijkheden en middelen er zijn om dat allemaal te doen. Dus moet die groter. Dan wordt het ook aantrekkelijker om lid te worden van een beroepsvereniging. Werkgevers zouden ook bij moeten dragen aan de contributie. Daar zijn ze in principe wel toe bereid.’
De NVO, het NIP, de NVMW (Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers) en Phorza (de beroepsorganisatie van werkers in sociale en/of (ortho)pedagogische functies) hebben elk hun eigen beroepsregister. Het aantal sociaal agogen dat is geregistreerd ligt rond de twee procent. Van de gedragswetenschappers is de helft geregistreerd. Doel van het actieplan isdat deze aantallen omhooggaan.
Hoe?
Ella Kalsbeek: ‘Als er meer werkers in de jeugdzorg zich aansluiten bij een beroepsvereniging, zal ook het aantal inschrijvingen bij beroepsregisters toenemen. Op dit moment zijn die registraties nog vrijwillig. In de gezondheidszorg hebben we de wet BIG (Beroepen Individuele Gezondheidszorg). Daar móet men geregistreerd zijn, wil men als zodanig kunnen functioneren. Die registratie laat zien dat je adequaat bent opgeleid. Zo wil men beunhazerij voorkomen. Waarschijnlijk werken er meer artsen en psychologen als vrij gevestigde. Dan is die bescherming ook belangrijker. Maar als je in dienst bent bij een jeugdzorgorganisatie of een school, vertrouwt men erop dat die organisatie heeft gecheckt of een professional de goeie papieren heeft. Het is echt nog de vraag of we in de jeugdzorg toegaan naar een verplichte of vrijwillige registratie. Daar gaat men zich de komende tijd over buigen.’
Er zijn ook plannen voor de invoering van tuchtrecht. Het kader daarvoor is een beroepscode voor ethisch handelen. De NVO, het NIP en de NVWM hebben zelf al een beroepscode en tuchtrecht. Uit het actieplan is op te maken dat vooral wordt gefocust op kennisontwikkeling op het gebied van beroepscodes en tuchtrecht van de beroepen waar dit al geregeld is en de ontwikkeling van tuchtrecht voor beroepsbeoefenaren waarvoor op dit moment niets is. Er komt drie jaar lang een Tijdelijk Kwaliteitscollege Tuchtrecht in de jeugdzorg om actief vorm te geven aan die kennisopbouw .
Is de instelling van een eigen tuchtrecht ingegeven door de vervolging van de voogd van de in 2004 vermoorde peuter Savanna?
Ella Kalsbeek: ‘Mede. De urgentie is daardoor toegenomen. De casus van Savanna is een soort symbool geworden voor de jeugdzorg. Die heeft twee schokgolven veroorzaakt. Het is de nachtmerrie van elke jeugdzorgmedewerker dat een kindje dat onder je hoede staat en bij veel plekken in de zorg bekend is, wordt vermoord. Als je dan ook nog strafrechterlijk wordt vervolgd, geeft dat een heel basaal gevoel van onveiligheid. De vraag die een tuchtcollege kan beantwoorden is waar je een professional op kan aanspreken en wat er buiten de reikwijdte van zijn verantwoordelijkheid valt.’
Ze is zeer te spreken over het actieplan en vindt dat er in korte tijd veel werk is verzet. ‘In januari was de eerste bijeenkomst. Met alle betrokkenen; de werkgevers, beroepsverenigingen, de opleidingen en de cliëntenorganisaties. We hebben een soort matrix gemaakt van onderwerpen die belangrijk zijn voor professionalisering en ingevuld welke deelnemers die voor hun verantwoordelijkheid nemen. Na nog twee bijeenkomsten lag het actieplan er al.’
Hoe was het om met al die betrokkenen in de jeugdzorg om tafel te zitten?
‘Dat ging heel goed. De jeugdzorg is wel een snel groeiende sector, maar blijft overzichtelijk. Veel mensen kennen elkaar. De uitwerking van de onderwerpen is gedaan door verschillende deelgroepen. Mijn rol is daarin niet zo groot geweest. Ik moest als het ware rond met het oliekannetje om het proces soepel te laten lopen. Maar al die mensen uit de sector hebben het zo eensgezind opgepakt, dat het nooit heeft geleid tot problemen. Integendeel. Iedereen was heel gemotiveerd. Dat komt, denk ik, omdat iedereen heel intrinsiek betrokken is bij kinderen in de knel.’
Sinds begin dit jaar werkt u voor Altra in Amsterdam. Bevalt dat? En mist ze de politiek niet?
Ella Kalsbeek: ‘De politiek vond ik geweldig werk. Maar zelfs geweldig werk heb je na achttien jaar wel van alle kanten gezien. Dan wordt het tijd voor iets anders. Vandaar. Ik zie het nu van de andere kant. En gek genoeg lijkt het werk voor een deel op de politiek. Hier moet ik ook de grote lijnen in de gaten houden, regelingen en geldstromen met elkaar verbinden, draagvlak zien te maken en samenwerken met de lokale overheid en collega’s van andere instellingen. Voor een deel is het anders. Altra is ook gewoon een bedrijf dat gerund moet worden, met een begroting en een jaarrekening.’
Altra biedt zorg aan zo’n 5.000 kinderen, vertelt ze. En ja, ze vindt het erg leuk om er te werken. ‘Het is een heel gedreven organisatie, dat bevalt me. We zijn actief in de jeugdzorg en we hebben een grote school voor voortgezet speciaal onderwijs. Daar valt ook gesloten jeugdzorgvoorziening De Koppeling onder. En onderwijs aan kinderen die zijn opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis of daar onder dagbehandeling staan. Op ongeveer honderd basisscholen in Amsterdam geven we schoolmaatschappelijk werk. Voor het voortgezet onderwijs hebben we het programma Switch, voor jongeren die van school wisselen. Schoolwisseling is vaak een voorspeller voor schooluitval. Als kinderen één of twee keer van school wisselen – en dat komt niet door een verhuizing – zitten we er meteen bovenop om hen te begeleiden. Verder hebben we nog voorzieningen voor kinderen die op school of in hun klas niet meer te handhaven zijn.’
Vindt u, nu u aan de andere kant zit, niet dat de politiek zich teveel met dejeugdzorg bemoeit?
Ella Kalsbeek: ‘Nee. Het is namelijk een heel belangrijk onderwerp. Ik vind wel dat politici moeten oppassen dat ze zichzelf niet overschreeuwen. Maar dat geldt niet alleen voor de jeugdzorg. Erworden veel plannen geventileerd waarvan ik denk: hoe gaan we dat doen? Bijvoorbeeld in de Amsterdamse politiek riep de door mij zeer gewaardeerde burgemeester Job Cohen pas: als de jeugdzorg er dan niet uitkomt, zal ík wel bepalen wat er moet gebeuren met zo’n probleemkind. Dan denk ik: prachtig, maar hoe ga je dat aanpakken? Je kunt het zelf niet, dus zul je je moeten laten adviseren. Door wie? Door dezelfde mensen waarvan je nu denkt dat ze er niet uitkomen! En als je een kind gedwongen wilt laten opnemen, zul je toch eerst naar de rechter moeten. Daar ga je als burgemeester niet over. Vervolgens loop je tegen het probleem aan dat er te weinig plaatsen zijn. Soms moeten politici wel iets roepen om de urgentie van een probleem aan te geven. Maar het zou fijn zijn als ze dan ook kijken naar de praktijk.’
Annemiek Haalboom
'HET GAAT GOED MET HET GEZIN'
‘Gezinnen zijn de meest moderne instellingen die we in onsland hebben’. Aan het woord is Peter Cuyvers. Debevlogen Brabander oogt donker, maar het is beslist geen zwartkijker. Regelmatig springt een Zalm-achtige lach door het oppervlak vanzijn klaterende woordenstroom. Hijstudeerde historische pedagogiek in Nijmegen en was tien jaar het gezicht van deNederlandse Gezins Raad in Den Haag. Hij vervulde vele nevenfuncties en was secretaris voor het VN jaar voor het gezin. Als directeur van adviesbureau Family Facts is hij delaatste tijd zeer druk met het geven van beleidsadviezen aan gemeenten en provincies, onder andere over hetoptuigen van Centra voor Jeugd en Gezin.
Met zijn uitspraken zwemt Cuyvers tegen de stroom in. Datdoet hij al jaren. Voor de Nationale gezinsrapportage (2001) gaf de regering als opdracht ‘de samenhangende effecten van maatschappelijke ontwikkelingen en overheidsbeleid in globale zin te schetsen’. Het rapport draagt de door Cuyvers gekozen titel ‘Gezin: beeld en werkelijkheid’1.
Cuyvers: ‘Op basis van de cijfers moet ik concluderen dat het beeld van het gezin als kwijnend instituut in een atomiserende en verloederende samenleving niet klopt. De werkelijkheid is dat we in Nederland een bloeiend en vooral heel dynamisch gezinsleven hebben.’
Voor de duidelijkheid: In de rapportage wordt dekabinetsdefinitie uit de Notitie Gezin (1996) gebruikt: ‘elk leefverband van een of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van een ofmeer kinderen’
ONJUIST BEELD VAN HETGEZIN
Volgens Cuyvers heeft het grote publiek dus een beeld van het gezin als een kwijnend en verdwijnend instituut. Er komen steeds minder gezinnen en de gezinnen díe er zijn functioneren slecht. ‘Rechtse mensen zeggen dan dat die moeders teveel gaan werken, dat ze te weinig tijd hebben voor de kinderen. Linkse mensen zeggen, Nee, ze hebben last van stress, ze staan onder druk van de consumptiemaatschappij. Zowel links als rechts vindt dat het slecht gaat met het gezin. Het gaat niet goed met het gezin, lijkt iedereen te denken. En dat is zeer onjuist.’
Zelfs de basale beweringen zijn volgens hem fout:
‘Er komen niet minder gezinnen. Er blijven evenveel gezinnen en de kans dat iemand kinderen krijgt en een gezin heeft is even groot als vroeger.
Ouders besteden meer tijd dan vroeger aan het gezin. Vaders zijn vaker thuis, kinderen krijgen meer aandacht.
Alleen staan is vooral een tijdelijke situatie tussen het uit huis gaan en samenwonen. Na een echtscheiding is er voor de meeste mensen opnieuw een tijdelijke situatie waarop ze alleenstaand zijn. Na een tijdje kiezen ze voor een nieuwe partner. Als daarna een partner overlijdt, blijf je langer alleen.’
EEN OP DE DRIE HUISHOUDENS ALLEENSTAAND?
Toch meldt het CBS zojuist dat er in de komende decennia steeds meer alleenstaanden in Nederland komen. In 2050 zal volgens het CBS 20 procent alleen wonen, tegen 15 procent in 2006.
In ‘Tien mythen over het gezin’3 beschrijft Peter Cuyvers hoe er inderdaad meer alleenstaanden komen, maar dat er weinig wezenlijks verandert in de opbouw van de bevolking. ‘De media schrijven zinnen als: De single rukt op: alleenstaanden vormen al een op de drie huishoudens en hun aantal groeit steeds. In de toekomst is nog maar een derde van de huishoudens een gezinshuishouden.’
De conclusie ligt dan voor de hand dat er steeds minder mensen in een gezin wonen. Waar het om gaat is dat er in deeerste plaats naar het aantal huishoudens werd gekeken en niet naar het aantal personen. Het is een eenvoudige rekensom dat een huishouden dat uit een kinderloos paar bestaat twee keer zoveel personen omvat en dat een huishouden van een gezin met kinderen daar weer een veelvoud van is.
Peter Cuyvers: ‘We hebben eenderde gezinshuishoudens, maar daarin woont wel driekwart van de mensen.’
En dat blijft in de toekomst ook zo, zoals blijkt uit de tabel van het CBS hierboven. Die tabel laat ook zien dat de single niet eens leefvorm nummer 2 wordt maar nummer 3: er zijn ook heel veel paren zonder kinderen. Dat alles heeft te maken met de moderne levensloop. Alleen wonen doe je vooral voor je 30e en na je 70e. Mensen wonen vaak eerst een tijdje alleen, dan samen met een partner, dan krijgen ze kinderen, en als die uit huis gaan zijn ze eerst weer een paar en dan alleen. Demeerderheid van de alleenstaanden is ouder dan 60 en alleen wonen is voor velen vooral een tijdelijke fase.
KLEINERE GEZINNEN?
De notie dat gezinnen steeds kleiner worden nuanceert Cuyvers door te wijzen dat er daarbij geen rekening is gehouden dat veel gezinnen in een op- of opbouwfase verkeren en dat er bij deze voorstelling sprake is van een tijdsopname.
‘Het gemiddeld aantal kinderen per vrouw was 1898 wel aanmerkelijk hoger, maar daar staat een hoge kindersterfte tegenover. Het uiteindelijk gemiddeld kindertal per huishouden is maar heel licht gedaald.’
De gemiddelde leeftijd waarop mannen en vrouwen in het huwelijk traden daalde in de 70-er en 80-er jaren, maar was in 1990 ongeveer weer even hoog als in 1945. Sindsdien is er sprake van een stijging. Maar ook de leeftijd waarop vrouwen kinderen (kunnen) krijgen stijgt.
‘De meeste vrouwen (40 procent) krijgen twee kinderen, een kwart krijgt drie of meer kinderen, een vijfde blijft kinderloos en maar 15 procent krijgt 1kind5. Er zijn dus maar zeer weinig gezinnen met 1 kind, terwijl iedereen dat toch denkt.’
HEEFT EEN KIND MEER KANS EEN ECHTSCHEIDING MEE TE MAKEN?
Ook op het punt van echtscheiding is sprake van een cijfermythe. De media gebruiken vrijwel alleen het algemene echtscheidingscijfer: een op de drie huwelijken strandt. Dat is overigens al een wat ouder cijfer, de nieuwste gegevens van het CBS op basis van levensloopanalyses komen eerder op een kwart. Maar ook hier is er een enorm verschil naar levensfase. Cuyvers rekent voor dat samenwonenden liefst 50 % kans hebben dat ze uit elkaar gaan, getrouwden een kwart en mensen met kinderen weer de helft daarvan. Als het gezin eenmaal gevormd is, blijft het stabiel. Uit de nieuwe Netherlands Kinship Panel studies blijkt dat gezinnen met kinderen een kans van 9,8% hebben om uit elkaar te gaan.
‘Maar als ik zeg dat negen van de tien gezinnen bij elkaar blijven gelooft vrijwel niemand me. Er is altijd wel iemand die dan weer met schokkende aantallen komt, tienduizenden kinderen per jaar die scheiding meemaken. En dat klopt, maar er zijn er honderdduizenden die het niet meemaken.’
Daarmee ontkent hij de mogelijk negatieve effecten van echtscheiding voor kinderen niet.
‘De NGR stelde vijftien jaar geleden voor echtscheidingsbureaus op te richten. We wisten toen uit alle studies dat minstens een derde van de kinderen ernstige problemen ondervindt na een scheiding. Toen was de heersende ideologie en de politieke werkelijkheid echter heel anders: “Hoera, echtscheiding is een bevrijding van het juk van het gezin.” De gedachte was dat het huwelijk een saai instituut was en dat echtscheiding de bevrijding van de vrouw was. Een volstrekt elitair standpunt. Ik ben er nog steeds kwaad over.‘
Overigens slaat volgens Cuyvers de balans nu helaas weer naar de andere kant door, echtscheiding is nu weer per definitie slecht. ‘Ook onzin. Een goede scheiding bestaat wel degelijk en is beter dan een slecht huwelijk. Er is niets slechter voor kinderen dan opgroeien in een omgeving zonder liefde. We weten dat een op de drie scheidingen niet goed loopt en daar is dus ook hulp nodig en wel meteen. De NGR stelde destijds voor dat ieder echtpaar dat ging scheiden bemiddeling aangeboden moest krijgen. Dat kost natuurlijk geld en ik heb indertijd dan ook voorgesteld een verplichte echtscheidingsverzekering in te stellen voor die kosten. Er is ook een verplichte autoverzekering. Dat vindt iedereen logisch omdat je met een auto iemand anders behoorlijk wat schade kunt toebrengen. Met een echtscheiding ook, zeker aan kinderen, en een risico van 10 procent is uitstekend verzekerbaar. Maar ook dat werd als belachelijk van de hand gedaan.’
FAMILIENETWERK IS UITGEBREIDER DAN OOIT
‘Het feit dat 90% van de gezinnen met twee of drie kinderen bij elkaar blijft “tot de dood ons scheidt”, getuigt van een grote stabiliteit. Die is zelfs groter dan 100 jaar terug. Toen hadden we meer een-ouder gezinnen dan nu. Dat kwam natuurlijk door sterfte. De kans dat je toen een overgrootvader had was heel klein. Het aantal zilveren en gouden huwelijken is de laatste jaren explosief gestegen. De familienetwerken zijn uitgebreid. Kortom: demografisch gezien heeft het gezin niets van zijn positie verspeeld. De generatienetwerken zijn sterker dan ooit tevoren. De communicatie tussen generaties is optimaal. Bijna iedereen heeft een of twee keer per week contact met zijn eigen ouders.’
Overigens blijkt (ook uit de Netherlands Kinship Panel studies): Hoe hoger opgeleid, hoe minder contact. Universitair opgeleiden wonen verder weg. De gemiddelde afstand van een academicus naar zijn gezin van herkomst is 60 km, van een MBO-er is dat 10 km.
‘In het lagere en middensegment functioneren die familienetwerken als ondersteuning voor het pedagogische proces nog volop. Het zijn de hoger opgeleiden die de behoefte aan kinderopvang uiten. Die extrapoleren ze ook naar de andere segmenten van de samenleving.’
WAAR DE SCHOEN WRINGT
De moderne levensloop brengt fricties met zich mee.
Uiteraard is echtscheiding een punt van frictie. Maar ook de overgang naar de gezinsfase die vroeger een opmaat was, is volgens Cuyvers nu een dal.
‘Huwelijk betekende vroeger een bevrijding en financiële zelfstandigheid. Eindelijk had je je eigen geld en de mogelijkheid tot seks. Maar nu hebben jonge mensen al eigen geld en seks vanaf hun zestiende (Al is ook hier sprake van een mythe, gemiddeld hebben mensen voor het eerst sex met 18. Dus velen ook later!)
Maar het gezin is nu niet meer het begin van de vrijheid, maar het begin van de verantwoordelijkheid. Hoe geweldig je het ook vindt dat je kinderen krijgt het is wel een enorme domper dat je ook ineens een boel dingen kwijt bent. Na een aantal jaren redelijk zorgeloos samenwonen met financiële armslag brengt de overgang een forse duikeling voor het netto inkomen minder vrije tijd en een hoop stress met zich mee. De komst van kinderen is daarmee een van de momenten van frictie geworden. En het is niet het enige moment.
Er wordt bijvoorbeeld ook veel meer verhuisd. Vooral door hoger opgeleiden in verband met werk. Verhuizing is een dramatisch frictiemoment. Erg voor volwassenen, erg voor kinderen. Wanneer gaan de meeste mensen verhuizen behalve voor hun werk? Als er een kind op komst is.’
Cuyvers noemt die fricties de voornaamste probleemfactoren voor de meeste gezinnen. Vooral omdat ze er dan ineens behoorlijk alleen voor staan in een nieuwe omgeving zonder de gebruikelijk sociale steun.
PREVENTIE
Volgens Peter Cuyvers lossen in een organische samenleving waar mensen bij elkaar wonen, de verschillende generaties elkaars problemen op. Maar onze infrastructuur is niet ingesteld op de nieuwe gezinsrelaties.
‘We hebben rare schooltijden, weinig flexibele schooltijden en jonge gezinnen wonen in slaapwijken waar geen oppas te vinden is. Het moderne en dynamische gezin loopt stuk in een samenleving die weigert de juiste maatregelen te treffen. Dat gebeurt niet, omdat politieke partijen een soort autisme hebben. De VVD wil liever geen kinderbijslag want kinderen zijn een soort privé-consumptie, dat moet je zelf betalen. De PvdA wil liever geen verlof geven, want dat houdt vrouwen achter het aanrecht en het CDA wil liever geen kinderopvang, want dat neigt naar staatsopvoeding’.
Hij gelooft overigens zeker niet dat de overheid de sleutel tot de oplossing is. Gezinnen dragen nu al driekwart van de kosten van kinderen zelf, zowel in tijd als geld, ze kunnen meestal hun eigen keuzen wel maken. De overheid heeft daarbij (gelukkig) alleen marginale invloed. Het is wel van belang om meer ‘preventieve informatie’ te geven, om jongeren gericht voor te bereiden op een latere levensfase.
‘We hebben wel een levensloopregeling gecreëerd voor latere fase in het leven, maar we bereiden kinderen op school niet voor op de gevolgen van datgene wat ze allemaal het liefste willen: relaties en kinderen. Als je op je zestiende weet dat de kans dat je gaat trouwen en kinderen gaat krijgen negentig procent is, waarom ga je dan niet op je achttiende met je eerste baan € 50 per maand in een spaarpotje stoppen? Voor je ouderschapsverlof. Dan ben je ook bewust van het feit dat het geld gaat kosten. Én een gezin betekent veertig uur extra werk. Dat vertelt niemand je. Veertig uur extra werk aan opvoedings- en zorgtaken. Hoe breng je dat op? Als je kinderen wilt, ga daar dan twee jaar van tevoren over praten en niet drie maanden na de bevalling. Want dan is het te laat om nog iets te doen aan een traditionele taakverdeling. Enzovoort. Er zijn gewoon af en toe stoplichten en waarschuwingsborden nodig, want dat soort kennis wordt juist niet meer van de oudere generaties overgenomen.’
HET GROTE GETAL
Je betoog is sterk gebaseerd op demografische data, op statistische gegevens. Benjamin Disraeli zou ooit gezegd hebben: ‘There are three kinds of lies: lies, damned lies, and statistics.’ Verliezen we door de grote getallen niet de individuele problemen uit het oog?
‘Juist niet! Door het opblazen van problemen verhinderen we juist dat we individuele mensen helpen. Het gaat in wijken om maximaal enkele tientallen jongeren, niet om alle allochtonen. Maar de discussie begint met het dreigende getal van 40 procent allochtone kinderen op school. Er moeten in Nederland per jaar enkele duizenden gezinnen intensief begeleid worden bij echtscheiding, dat is heel haalbaar. Maar we doen het niet omdat zogenaamd iedereen zomaar gaat scheiden en het aan gemakzucht en gebrek aan verantwoordelijkheid van iedereen zou liggen. Tegenover Disraeli zet ik een oer-Hollands praktisch spreekwoord: “Het zijn luie naaisters die grote steken maken”. Het is veel gemakkelijker om alle ouders de schuld te geven dan om degenen die het nodig hebben echt te helpen.’
DE ROEP OM OPVOEDINGSONDERSTEUNING
De conclusie is dus: Het gaat goed met het gezin. Waarom dan de roep om meer ondersteuning?
‘Het gaat net als met onze gezondheid: We zijn gezonder dan ooit, maar we doen ook een groter beroep op de gezondheidszorg dan vroeger. De opvoeding is beter, maar onze eisen zijn ook hoger. En dus zijn we ook eerder teleurgesteld, gaan minder goed om met onvolmaaktheden en tegenslagen. Iedere pedagoog weet dat een grote angst van ouders is dat hun kinderen niet mee kunnen komen. Daar voelen die ouders zich dan weer verantwoordelijk voor. Toen ik pedagogiek studeerde was het volstrekt taboe om over erfelijkheid en ongelijkheid te praten. Alles lag aan de opvoeding. En ik ben bang dat we nog steeds niet helemaal over die periode heen zijn. We roepen wel weer hard dat we talent moeten koesteren, maar weigeren te accepteren dat er ook kinderen zijn van wie de mogelijkheden ver onder het gemiddelde liggen. En dat die er ook altijd zo zullen blijven. Het gemiddelde lijkt zelfs taboe, iedereen moet ergens in uitblinken.
Gelukkig trekken de meeste ouders zich daar weinig van aan en gelukkig weten de meeste kinderen dat hun ouders van ze houden, ook al kunnen ze níet zo goed voetballen of rekenen. Maar dat soort ouders komt zelden in de spreekkamer terecht. Daarom zou ik me heel goed kunnen voorstellen dat ook veel pedagogen een tamelijk negatief beeld van ouders hebben opgebouwd.
Rinke Bok
1. NGR, ‘Gezin: beeld en werkelijkheid.’ DenHaag 2001 ISBN 90-70815-55-9
2. Bron CBS:Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2007
3. Cuyvers, Peter, ‘Tien mythen over het gezin’. Naarden 2003 ISBN 90-586-0189-7
4. Bron CBS:Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2007
5. CBS 2000 i.o.v. de NGR
'AUTISME KUN JE NIET GENEZEN'
’Autisme kun je niet genezen, maar je kunt wel de kwaliteit van leven verbeteren’, zegt Ina van Berckelaer. Met haar benoeming in 1991 aan de Universiteit van Leiden werd zij de eerste (bijzonder) hoogleraar autisme ter wereld. Sinds 2001 werkt prof. dr. Van Berckelaer-Onnes aan diezelfde universiteit als gewoon hoogleraar ‘ontwikkelings?stoornissen en gehandicapten?zorg, in het bijzonder autisme’. Ze leverde een grote bijdrage aan de verspreiding in brede kring van kennis op het gebied van autisme. Ze stond aan de wieg van veel onderzoek, maar ze doet ook nog steeds klinisch werk in de diagnostiek en behandeling.
Sinds dertien jaar organiseert ze samen met haar medewerkers zomerkampen voor kinderen en jongeren met een autistische spectrumstoornis. Nog steeds gaat ze in haar vrije tijd mee op kamp.
Dit jaar komt er meer van die vrije tijd: ze gaat met emeritaat. Heleen Apers sprak met haar over recente ontwikkelingen in het onderzoek naar autisme, over behandelmethoden en de rol van de orthopedagoog.
DIMENSIES VAN AUTISME
In de loop van de jaren is er meer kennis gekomen over de aard van de stoornis en over de dimensionaliteit van autisme. Het concept ‘autisme’ is verbreed naar ‘autismespectrum?stoornissen’. En met de toename van de kennis over de stoornissen in het autismespectrum is er meer oog gekomen voor comorbiditeit en overlap met andere stoornissen. Op de ?afdeling Orthopedagogiek in Leiden loopt nu onderzoek naar de comorbiditeit met bepaalde syndromen.
Ina van Berckelaer: ‘Wij kregen hier op het Ambulatorium bij toeval, in twee maanden tijd, drie kinderen met het ?Cornelia de Lange syndroom die alledrie autistisch waren. In overleg met prof. R. Hennekam, pediater en geneticus, is een onderzoek gestart waarbij alle mensen, van wie bekend is dat ze aan het Cornelia de Lange syndroom lijden, zijn gevraagd aan het onderzoek deel te nemen. Aan de medische kant worden nieuwe inzichten onderzocht over de genetische oorzaken. In Leiden kijken we naar het samengaan met met autisme.
In dit eerste onderzoek is gebleken dat 51% van de onderzoeksgroep binnen het autismespectrum valt. Het interessante is dat het autismeprofiel niet helemaal identiek lijkt te zijn aan het kernsyndroom van autisme. De interactie lijkt iets beter, maar de communicatie zwakker. Een pilot studie naar de effecten van een voor autisten ontwikkelde behandeling door middel van ondersteunende communicatie, laat positieve resultaten zien. De gedragsproblemen, zoals automutilatie, nemen af.
Nu loopt een onderzoek naar de samenhang tussen autisme en andere syndromen zoals het Prader-Willi ?syndroom en het CHARGE syndroom.
Een tweede nieuwe onderzoekslijn betreft de kwetsbaarheid van mensen met autisme voor delinquent gedrag. Het is belangrijk te weten of bepaalde autisme profielen een risico voor delinquent gedrag in zich dragen en hoe we daar preventief op kunnen inspelen’.
DE VERWEVENHEID VAN KLINISCH WERK EN RESEARCH
Wat ziet u als het typisch orthopedago?gische in het onderzoek naar autisme?
‘Wij willen vooral klinisch relevante research doen. Het onderzoek betreffende het samengaan van autisme met verschillende syndromen, is gericht op het verbeteren van de diagnostiek en uiteindelijk van de behandeling. Daarbij betrek je in de behandeling nadrukkelijk de ouders. Je richt je op de opvoeding in de brede zin van het woord. Het gaat om wat ouders, groepsleiding en leerkrachten kunnen doen, naast orthopedagogen, psychologen en psychiaters. Genezen kun je autisme niet, maar de kwaliteit van leven kun je wel verbeteren.
De klinische verwevenheid van het onderzoek is voor mij essentieel. Ik zou geen onderzoek kunnen doen zonder ook diagnostiek en behandeling te doen. Ik heb altijd kinderen voor ogen. Orthopedagogisch is voor mij: de verwevenheid van klinisch werk en research.
Ik vind ook dat je in het Nederlands moet publiceren als je Nederlandse kinderen in je onderzoek gebruikt. Van het Engelstalige wetenschappelijke artikel over het Cornelia de Lange syndroom, hebben wij een Nederlandstalige samenvatting gemaakt. Die komt in een nieuwsbrief voor de mensen die aan het onderzoek hebben meegewerkt.’
BEHANDELING
In het veld worden drie vormen van behandeling die in Leiden zijn ontwikkeld, veel gebruikt: hometraining, speltraining en ondersteunende communicatie.
‘De speltraining en behandeling met ondersteunende communicatie zijn gebaseerd op de centrale coherentietheorie. Dat wil niet zeggen dat ik de centrale coherentie als de belangrijkste theorie beschouw over autisme. De “theory of mind” en de theorie over “executive functioning” zijn belangrijke theorieën, maar de centrale coherentietheorie biedt het beste uitgangspunt voor de behandeling. Problemen in de centrale coherentie betekenen dat er problemen zijn in de waarneming. Mensen met autisme kunnen voelen, proeven, ruiken, zien en horen, maar de binnengekomen informatie niet tot een betekenisvol geheel samenvoegen. En als je een waarnemingsprobleem hebt, heb je een communicatieprobleem.
Ernstige gedragsproblemen hebben doorgaans te maken met problemen in de communicatie. Als je de communicatie verbetert, neemt het moeilijke gedrag af.
Gebaseerd op een model van de waarneming, hebben wij de ComVoor (Voorlopers in Communicatie – Verpoorten, Noens en Van Berckelaer-Onnes, 2001) ontwikkeld. Dat is een diagnostisch instrument om te bepalen op welk niveau van betekenisverlening kinderen functioneren. Als het niveau is vastgesteld, kan daarop een programma van ondersteunende communicatie worden gebaseerd.
Ondersteunende communicatie is noodzakelijk voor mensen met autisme, ongeacht hun functioneringsniveau. Verbale communicatie alleen is onvoldoende om tot de juiste betekenis?verlening te komen.’
MEER DAN SPEL
‘Vroeger dachten wij altijd: wat het meest opvalt zijn problemen in de ?sociale interactie. Daarom hebben we sociale vaardigheidstrainingen gegeven. Maar die neigen naar het aanleren van trucs omdat je, bij mensen met autisme, het invoegen op het juiste moment, het invoelingsvermogen en de sociale intentionaliteit niet goed kunt aanleren. De sociale conventies zijn natuurlijk ook belangrijk om te leren. Als mensen met autisme een bepaalde intelligentie hebben, leren ze dat je vriendelijker wordt bejegend als je een winkel binnengaat en je netjes gedag zegt. We leggen in de behandeling meer nadruk op de communicatie. Als de communicatie verbetert, zien we dat ook de sociale interactie verbetert. We hebben de volgorde omgekeerd en beginnen nu meer basaal, met ondersteunende communicatie.
Bij de hometraining bieden we mede de speltraining aan en dan zie je dat in lichte mate het spel toeneemt. Ze zien eerst alleen deeltjes van spelmateriaal en niet het geheel zodat ze niet tot betekenisverlening komen. Dat moet je trainen. Wat er dan verbetert, is meer dan spel. Het gaat om het leren van betekenisverlening aan objecten en materialen, om symboolvorming. Die is noodzakelijk om je verder te ontwikkelen. Voor de speltraining is gekozen omdat spel ook een sterke sociale component heeft. Als een kind beter kan spelen, kan het ook beter met andere kinderen omgaan.’
Wat zou u orthopedagogen willen meegeven?
‘Ik zou orthopedagogen in het veld op het hart willen drukken dat ze hun kennis vertalen naar het leven van alledag, zodat ouders en andere opvoeders kunnen worden gesteund. Bij alles wat ik gedaan heb, nemen de ouders een centrale plaats in. Wij zijn altijd maar tijdelijk bij een kind betrokken maar de ouders levenslang.
Daarnaast is het belangrijk dat er grondige diagnostiek wordt verricht voordat met de behandeling wordt begonnen. Er wordt vaak teveel vanuit het etiket geredeneerd in plaats vanuit het kind. Een etiket geeft te weinig informatie voor de behandeling. Het gaat bij diagnostiek niet alleen om de vraag of er wel of niet sprake is van autisme maar bovenal om de beschrijving van dit individuele kind in deze unieke situatie. Er moet worden uitgewerkt hoe het autisme zich manifesteert bij dit kind met zijn zwakke èn sterke kanten.’
Heleen Apers
Prof.dr. I.A. van Berckelaer-Onnes promoveerde in 1979 op ‘Autisme: een opvoedingsprobleem’.
Op 29 juni 2007 houdt zij, ter gelegenheid van haar emeritaat, haar afscheids?college aansluitend op een symposium ‘Autism in an educational perspective’.
Zie ‘autismesymposium’ op www.orthopedagogiek.leidenuniv.nl
‘PROFESSIONELE ZORGEN VOOR DE JEUGD’
Tijdens een bijeenkomst voor kaderleden van de NVO eind vorig jaar schetste Gemma Tielen, directeur Jeugdbeleid van VWS de huidige en toekomstige ontwikkelingen in het jeugdbeleid en de betekenis van de professional. Inmiddels is er een heuse minister voor Jeugd en Gezin aangetreden. Kan dat worden uitgelegd als een erkenning van het belang van de jeugdzorg? Gemma Tielen: ‘Het is een erkenning dat verschillende werkvelden vooral samen hun bijdrage moeten leveren aan verbetering van de hulp en ondersteuning aan kinderen en gezinnen. De nieuwe minister gaat over onderwerpen die voorheen onder zijn collega’s van Justitie, bijvoorbeeld jeugdbescherming, OCW bijvoorbeeld zorg in en om de school, en Sociale Zaken, bijvoorbeeld kinderbijslag vielen. Verder zal hij, als lid van de ministerraad, voorstellen van collega-bewindslieden kritisch bekijken op gevolgen voor jeugdigen en gezinnen.’
Leidt dit nog tot concrete veranderingen in het beleid?
‘Het wordt anders, in de zin van sterker. Ontwikkelingen die de afgelopen jaren in gang zijn gezet worden sneller en krachtiger doorgezet. De vorming van Centra voor Jeugd en Gezin is daar een in het oog springend voorbeeld van. De aandacht wordt gericht op het daadwerkelijk verbeteren van de hulp aan jeugdigen en gezinnen, en niet op stelseldiscussies. De komende tijd zal de minister dit nader concretiseren in een eigen programma. Ik hoef gelukkig niets terug te nemen van mijn lezing!’
Er is de afgelopen jaren veel gediscussieerd over aansturing en financiering. Het kabinet Balkenende IV heeft niet gekozen voor een stelselwijziging. Voor het jeugdbeleid zijn drie wettelijke stelsels van belang. De Wet op de Jeugdzorg is per 1 januari 2005 in werking getreden. De jeugdgezondheidszorg is geregeld in de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid. Per 1 januari 2007 is de Wet Maatschappelijk Ondersteuning in werking getreden. Voor het gemeentelijk jeugdbeleid is deze wet mijns inziens een vooruitgang. Voor het eerst zijn de gemeentelijke functies op het jeugdterrein beschreven. Voor gemeenten en provincies is het daarmee helderder wat men van elkaar kan verwachten.
De werking van het stelsel wordt nauwlettend gevolgd. De jeugdzorgbrigade onder leiding van Frank de Grave heeft voorstellen gedaan om bureaucratie terug te dringen. Recent is de (tussen)evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg aan de Tweede Kamer gestuurd. De rapportages laten zien dat binnen de huidige kaders een goede uitvoering mogelijk is.
WAAR DOEN WE HET VOOR?
Kinderen/jongeren en ouders moeten ervan op aan kunnen dat ze snel en effectief hulp geboden krijgen: op tijd en op maat! Dat vind ik beter dan het ‘zo-zo-zo-principe’ (zo dicht bij huis, zo kort, zo licht mogelijk) wat je nog vaak hoort.
We kennen allen de trieste incidenten waar problemen te laat gesignaleerd werden en te laat ingegrepen werd. En dat terwijl het kind/het gezin soms wel bij 10 hulpverleningsinstanties bekend was.
We moeten er snel bij zijn, niet alleen als er sprake is van een onveilige situatie, maar ook als de problemen nog maar klein zijn en snelle bijsturing verergering kan voorkomen. Wat het nieuwe kabinet ook besluit: vroegsignalering en preventie als ook verdere verbetering van samenwerking in de keten heeft prioriteit.
De gemeenten spelen hierin een belangrijke rol. Centra voor Jeugd en Gezin zullen een centrale positie gaan vervullen. Het CJG bundelt het basistakenpakket van de jeugdgezondheidszorg en de vijf jeugdfuncties uit de WMO (informatie en advies, signalering, toeleiding naar hulp, pedagogisch hulpadvies en coördinatie van zorg).
ORGANISATORISCHE EN TECHNISCHE HULPMIDDELEN
Om de samenwerking tussen professionals te vergemakkelijken komt er een elektronisch kinddossier en een landelijke verwijsindex. Het EKD is de elektronische versie van het bestaande papieren dossier van de jeugdgezondheidszorg. In de landelijke verwijsindex kunnen professionals een melding doen als zij een risico bij een kind signaleren: ‘dat’-informatie. Zodra er meerdere melders zijn, ontvangen de melders een bericht met elkaars contactgegevens.
Ook binnen de geïndiceerde jeugdzorg is de afgelopen jaren fors ingezet op snel hulp bieden: extra gelden voor wegwerken van de wachtlijsten, verkorting van doorlooptijden (door middel van doorbraakprojecten) en vermindering van bureaucratie bij indicatiestelling.
We moeten er dus snel bij zijn. De zojuist genoemde maatregelen zullen dit bevorderen. Ik zou ze willen karakteriseren als organisatorische en technische hulpmiddelen om ervoor te zorgen dat de hulp er tijdig is.
VERSTERKING VAN DE PROFESSIONAL
Als je eenmaal dat kind, dat gezin, tijdig in het vizier hebt, dan moeten natuurlijk wel de juiste dingen gebeuren. De professional speelt daarin een cruciale rol.
Wettelijk gezien liggen de verantwoordelijkheden helder: de jeugdsector zelf is verantwoordelijk voor een kwalitatief goede uitvoering van taken. Om dit waar te kunnen maken, dient de professional versterkt te worden. Verschillende partijen hebben daarin een rol. Ik beperk me hier tot de rol van VWS en de beroepsverenigingen. Maar ook werkgevers, opleiders, wetenschappers, cliënten, financiers, inspectie en decentrale overheden zullen hun steentje bij moeten dragen.
Ik heb de indruk dat het belang van professionalisering inmiddels breed gedragen wordt. Op 26 oktober 2006 op de conferentie ‘Professionaliteit in de zorg voor de jeugd’ gaven verschillende partijen aan welke bijdrage ze kunnen en willen leveren aan verdere professionalisering van de jeugdsector.
De rol van het rijk is ondersteunend en faciliterend. Waar zaken niet vanzelf van de grond komen zal het rijk soms tijdelijk een handje moeten helpen. Wet- en regelgeving is het ultieme middel om zaken voor elkaar te krijgen. Voor een onderwerp als professionalisering is dat niet het eerste waar ik aan denk. Het is immers bekend dat top-down opgelegde normen niet effectief zijn.
HOE ZIET DE CONCRETE BIJDRAGE VAN VWS ER DAN WEL UIT?
Om de sector goed te ondersteunen heeft VWS recent de kennisinfrastructuur herzien. In juni 2005 is het document ‘Kaders voor VWS-kennisprogramma Jeugd’ vastgesteld. Hiermee is het subsidiebeleid van VWS drastisch herzien.
De tijd van hapsnap subsidies uitdelen ligt achter ons. Gelden worden voortaan (in principe) programmatisch meerjarig weggezet. Structurele ondersteuning van beroepsverenigingen past niet meer in het subsidiebeleid van VWS.
Belangrijke kernspelers zijn het Nederlands Jeugdinstituut en ZonMw. Specifiek voor de jeugdgezondheidszorg is het RIVM/Centrum Jeugdgezondheid van belang.
NEDERLAND HEEFT EEN JEUGDINSTITUUT!
Per 1 januari 2007 is Nederlands Jeugdinstituut (NJi) de nieuwe naam voor NIZW/jeugd. Het is meer dan een naamsverandering: het is een instituut met een nieuwe taakstelling.
Het NJi gaat zich bezig houden met het kennisbeheer: het verzamelen, valideren, verrijken en verspreiden van informatie. Hiermee moet voldaan worden aan behoeften in het veld. Er is geen sprake van ‘u vraagt wij draaien’, maar het NJi moet ons duidelijk maken hoe voorzien wordt in behoeften van het veld.
Ik wil ook de NVO nadrukkelijk uitnodigen haar kennisbehoeften kenbaar te maken aan het NJi.
Ik heb begrepen dat er in het overgangsjaar 2006 al goede werkafspraken zijn gemaakt. Een paar in het oog springende voorbeelden:
met plaatje (pdf) en link
- De Beroepenstructuur Zorg en Welzijn wordt toegespitst op de jeugdsector.
- Het NJi ondersteunt de sociaal agogische beroepsverenigingen (Phorza, NVMW) in een kenniskring met het opstellen van een gezamenlijk versterkingsplan.
- Het NJi ondersteunt de MO-groep bij de uitwerking en implementatie van het plan van aanpak professionalisering.
ZONMW
Nederland heeft niet alleen een jeugdinstituut, maar ook een programma Jeugd bij ZonMw.
ZonMw is nog niet zo bekend in ‘jeugdland’. ZonMw stond oorspronkelijk voor ZorgOnderzoek Nederland – Medische Wetenschappen. Een medische onderzoeksoriëntatie. ZonMw heeft zich verbreed tot de Nederlandse Organisatie voor Gezondheidsonderzoek en Zorginnovatie. Dit dekt de jeugdlading veel beter. In het document ‘Kaders voor VWS-kennisprogramma Jeugd’ bestrijkt de term jeugdzorg niet alleen de provinciale jeugdzorg maar ook het gemeentelijke domein inclusief de jeugdgezondheidszorg.
Van oudsher wordt binnen veel programma’s van ZonMw aandacht besteed aan de doelgroep jeugd, bijvoorbeeld binnen het programma Preventie. Maar nu komt er dus voor het eerst een programma met de naam Jeugd.
ZonMw is gevraagd om te komen met een voorstel voor een programma Jeugd dat nieuwe kennis voor de sector moet gaan opleveren. Kennisontwikkeling noemen we dat. ZonMw doet dat voor de VWS-domeinen maar ook voor de aanpalende sectoren van onze Operatie JONG partners Sociale Zaken, Justitie en Onderwijs.
ZonMw is gevraagd om aan te geven welke witte vlekken er op dit moment zijn. Zijn er voor een bepaald terrein veel interventies, maar is de effectiviteit niet bekend, dan zal daar effectiviteitsonderzoek op uitgezet moeten worden. Bestaan er nog geen geschikte interventies, dan moeten die ontwikkeld worden. Is bekend wat wel en wat niet werkt, dan moeten die hun beslag krijgen in het handelen van de professionals via opleidingen en richtlijnen/standaarden. En zaken die niet werken, daar moeten we natuurlijk acuut mee stoppen!
Voor het opstellen van het programma Jeugd wordt niet alleen gekeken naar de wetenschappelijke literatuur. Er worden momenteel veel mensen gehoord via interviews en verschillende workshops.
Dit moet er voor zorgen dat er een programma komt dat aansluit bij de behoeften en mogelijkheden van het veld.
FINANCIERING
Gelden worden voortaan programmatisch meerjarig weggezet.
Voor de korte termijn was het nodig om nog een aantal inhaalacties te plegen. Verder zal er zo af en toe ook nog ruimte zijn voor een incidentele impuls.
Ik noem de volgende voorbeelden:
- Eind 2005 is € 1,5 miljoen ter beschikking gesteld voor deskundigheidsbevordering indicatiestelling en aanpak kindermishandeling.
- IPO is gevraagd indicatieprotocollen te ontwikkelen voor jeugdigen met psychiatrische problemen en voor jeugdigen die zorg voor licht verstandelijke gehandicapten nodig hebben. De NVO levert daar ook een bijdrage aan.
- De sociaal-agogische beroepsverenigingen is een tijdelijke financiële impuls toegezegd voor hun gezamenlijke versterkingsplan. Structurele ondersteuning van beroepsverenigingen past niet meer in het subsidiebeleid van VWS.
- Het Nederlands Jeugdinstituut heeft een extra subsidie gekregen om de uitwerking van de beroepenstructuur te versnellen.
PROFESSIONALISERING EN DE ROL VAN DE BEROEPSVERENIGING/NVO
Beroepsverenigingen spelen mijns inziens een belangrijke rol bij professionalisering.
Ik vind het jammer dat het merendeel van de jeugdprofessionals in de jeugdsector slecht georganiseerd is, want daarmee mist de sector een belangrijke aanjager voor kwaliteit. Zij kunnen bijvoorbeeld standaarden en protocollen ontwikkelen. Niet als keurslijf, maar om er vervolgens – beargumenteerd – vanaf te kunnen wijken als dat nodig is. Maar ook normen voor aanvaardbare wacht- en doorlooptijden. Verder kunnen zij een beroepsregister met bijbehorend tuchtrecht instellen en bij- en nascholing intensiveren. En zich samen sterk maken richting werkgevers.
In mijn ogen is de NVO (net als het NIP) een voorloper in de jeugdsector. Je ziet dat de academische beroepsgroepen het best zijn georganiseerd. Het merendeel van de werkers in de jeugdsector is echter HBO-geschoold. In de curatieve zorg zag je de professionaliseringslag het eerst bij de artsen. Maar inmiddels roeren ook de niet-academici, zoals de verpleegkundigen en verzorgenden, zich daar danig.
Hoe zouden we dit bij de jeugdsector voor elkaar kunnen krijgen? Ik noemde al dat het NJi de sociaal-agogische beroepsverenigingen ondersteunt bij het opstellen van een gezamenlijk versterkingsplan.
Wellicht kan de NVO hierin ook een rol spelen.
GEMMA TIELEN
DIRECTEUR JEUGDBELEID VWS
BULLENS, BEROEP EN BEELD.
Met een met regendruppels bespatte motorhelm prijkt Ruud Bullens op de omslag van het NVO-Bulletin van september 2004 in een interview naar aanleiding van het NVO-Congres over geweld, waar Bullens een van de key-note speakers was. Alom geacht. Sindsdien is het op deze pagina’s stil geweest rond Bullens en wat de ‘Schiedammer Parkmoord ging heten, terwijl de aandacht in (vak)bladen, kranten en tv met wisselende intensiteit en kwaliteit voort loeide. Het was een noodgedwongen stilte. Er werd een klacht ingediend tegen NVO-lid Bullens. Met hem lag de hele beroepsgroep onder vuur. Om het onafhankelijke College van Toezicht tijdens de procedure niet voor de voeten te lopen werd er vanuit de NVO geen inhoudelijk commentaar geleverd. Dat was niet altijd gemakkelijk. Als woordvoerder in deze zaak raakte ik er gaandeweg meer van overtuigd dat een niet correcte weergave van feiten en het plaatsen daarvan in een verkeerde context een belangrijke rol speelden bij de beeldvorming rond de rol van de getuige-deskundige in deze zaak.
EEN KLACHT TEGEN ZICHZELF?
Een hardnekkig misverstand was dat Ruud Bullens een klacht tegen zichzelf indiende. Dat was en is niet mogelijk: De ‘klachtenregeling’, zoals het reglement dat onderdeel is van de Beroepscode in de praktijk wordt genoemd, is in de eerste plaats bedoeld voor cliënten die niet tevreden zijn over de diensten van NVO-leden. Maikel en/of zijn ouders wensten daar geen gebruik van te maken. (Later werden de vader en zijn advocaat toch gehoord.)
Bullens gaf daarop te kennen dat hij beoordeeld wenste te worden door zijn vakgenoten. Andere mogelijkheden tot verweer achtte hij in verband met zijn plicht tot geheimhouding onvoldoende aanwezig.
Het NVO-bestuur besloot na rijp beraad een klacht in te dienen. Ze deed dat op eigen gezag en zonder over de klacht met Bullens te overleggen.
De zorg voor het aanzien van de beroepsgroep zal zeker een rol hebben gespeeld. In de uiteindelijke klacht komt dit niet expliciet naar voren:
‘1. Heeft verweerder bij het aanvaarden van de opdracht om op te treden als getuige-deskundige in de zgn. Schiedammer parkmoord zich tevoren voldoende vergewist van zijn rol in dezen en van de randvoorwaarden waaronder hij zijn rol zou moeten vervullen? Welke randvoorwaarden bestonden er? Verdragen deze zich met de kaders die de Beroepscode stelt aan de leden van de NVO optredend in de rol van deskundige? Welke waarborgen heeft verweerder zelf in acht genomen om zijn handelen professioneel te kaderen en/of te waarborgen?
2. Heeft verweerder tijdens de verhoren van M., in het bijzonder tijdens het verhoor op 7 juli 2000 waarbij de verwurging van N. werd nagespeeld, zich van zijn taak gekweten op een wijze die voldoende recht doet aan hetgeen is opgenomen in de Beroepscode terzake van professioneel handelen?’
HET BERUCHTE BANDJE
Omdat de uitspraak ‘nadere aanwijzingen geeft voor het handelen van pedagogen in vergelijkbare situaties’ en omdat het ‘een situatie (betreft) van een groot maatschappelijk belang’ was de uitspraak van het College bij uitzondering openbaar.
De inhoud is bekend: Het College oordeelde onder andere dat verweerder voor de opdracht tot persoonlijkheidsonderzoek een schriftelijke vraagstelling had moeten verlangen en dat hij het
De inhoud is bekend: Het College oordeelde onder andere dat verweerder voor de opdracht tot persoonlijkheidsonderzoek een schriftelijke vraagstelling had moeten verlangen en dat hij het bandje met opnames hiervan niet zonder toestemming van Maikel of zijn ouders aan de politie had mogen geven en legt daarvoor een waarschuwing op.
Het bandje raakte later via het OM in de publiciteit. Het College zegt daarover onder andere:
‘Wat er verder zij van de handelwijze van het OM, het College is van mening dat verweerder dat niet zonder medeweten van (de ouders van) M. had mogen doen. Ofwel de band is uitsluitend een vorm van ‘werkaantekeningen’ van de pedagoog en in dat geval moet de band worden vernietigd; ofwel de band is onderdeel van de rapportage en in dat geval moet het als zodanig worden behandeld en met betrokkenen worden besproken.’
Bullens voert in zijn verweer onder andere aan dat het niet om (bijvoorbeeld) een vertrouwelijk therapiegesprek ging, maar om een onderdeel van het persoonlijkheidsonderzoek, waarover hij schriftelijk diende te rapporteren. Het bandje vormde daarbij louter een ondersteuning van zijn conclusie dat er vanuit het psychologisch onderzoek geen aanwijzingen naar voren kwamen dat Maikel enige strafbare betrokkenheid zou hebben bij deze zaak, zoals het OM en een deel van de politie van mening was.
NIET INGRIJPEN IN HET VERHOOR.
Over het tweede deel van de klacht, het niet ingrijpen tijdens het verhoor, oordeelde het College van Toezicht dat de pedagoog inderdaad niet verantwoordelijk is voor de verhoormethoden van politie en justitie en dat hij ook niet in mag grijpen.
Dat deel van de uitspraak leidde nog tot een laatste golf van verontwaardiging, zoals treffend geïllustreerd door de tekening van Jos Collignon in de Volkskrant van 31 oktober 2006 (In deze webversie boven dit artikel weegegeven).
VERTEKEND TIJDSBEELD
Een tekenaar ‘vertekent’ per definitie de werkelijkheid, hij kan personen en gebeurtenissen die in tijd en plaats van elkaar gescheiden zijn bij elkaar brengen en uiteraard karikaturiseren. Hij kan overdrijven en zijn eigen associaties toevoegen. Het is zijn dichterlijke vrijheid. Ook hier doet Jos Collignon dat weer op onnavolgbare wijze.
Toch kan deze tekening op andere manier worden gebruikt om te illustreren hoe bij grote delen van het publiek een beeld over deze zaak werd gevormd.
Niet alleen een gebrekkige voorstelling van feiten, vooral ook een onjuiste conceptie van plaats en tijd en de volgorde van de gebeurtenissen lijken tot een vertekend beeld te leiden.
Dat ‘Kleine Maikel’ niet zo klein meer was en dat de nagespeelde verwurging niet door een geüniformeerde agent werd gedaan, behoort tot de dichterlijke vrijheid. Dat geldt ook voor de wijze waarop Bullens is afgebeeld: in hetzelfde vertrek met zijn neus er bovenop. Bullens zat in de regieruimte en hij nam dus niet actief deel aan het verhoor.
Duidelijk mag zijn dat het zo fraai afgebeelde College van Toezicht pas zes jaar later betrokken werd. Een aantal in de tijd van elkaar gescheiden gebeurtenissen zijn hier bijeengebracht.
FEITEN EN VOLGORDE
Op 22 juni 2000 vindt de poging tot moord op Maikel en de moord op Nienke in het Beatrixpark in Schiedam plaats. Maikel is gewond, maar overleeft.
Op 23, 25 en 27 juni wordt hij als getuige verhoord. De moordenaar is nog op losse voeten.
Tot dan toe is Bullens er niet bij betrokken.
Dat gebeurt pas bij de volgende drie verhoren op 4, 7 en 12 juli.
Op 7 juli is de nagespeelde verwurging die later voor zoveel opschudding zal zorgen. Bullens bereidt Maikel voor op de verhoren en houdt daarna met hem een debriefing.
Omdat de zaakofficier meer inzicht wilde hebben in de persoonlijkheid van Maikel, ‘op het oog volstrekt normaal en vrolijk functionerend’, wordt Bullens gevraagd een persoonlijkheidsonderzoek uit te voeren. Dat vindt plaats op 13 en 19 juli 2000. Van het gesprek wordt de opname aan justitie overhandigd.
Die laatste handelwijze wordt door het College van Toezicht veroordeeld.
Voor de buitenwacht is ook de inhoud belangrijk: op basis van dit gesprek en de overige onderzoeksgegevens oordeelde Bullens nu juist dat er geen aanwijzingen naar voren komen dat Maikel zelf een actieve rol zou hebben gespeeld bij de gebeurtenissen in het Beatrixpark. Het is een essentiële conclusie die noch in het rapport Posthumus, noch in vele commentaren en media-uitingen zal terugkeren.
Met dit rapport is het onderzoek van Bullens afgerond en is het contact tussen hem en Maikel beëindigd.
In augustus rijzen er twijfels over de toedracht van de gebeurtenissen in het Beatrixpark.
Op 5 september wordt Kees B. aangehouden en op 14 september en 13 oktober wordt Maikel opnieuw verhoord, waarbij hij wordt voorgehouden te liegen. Anders dan vaak wordt gedacht is Bullens hier dus al lang niet meer bij betrokken.
HET BEELD IN DE MEDIA
Blijkbaar is de informatie over het tijdsverloop en de volgorde van de feiten niet altijd effectief geweest. Verschillende uitingen in de media blonken daarin dan ook niet uit. Een dieptepunt was Zembla op 20 april 2006. In een eerdere uitzending over de Schiedammer Parkmoord werd een reconstructie gegeven van de falende opsporing. De pijlen richten zich hierin nog op politie en justitie, Bullens wordt zelfs niet genoemd. In de op 20 april uitgezonden documentaire wordt hij echter, door een gebrekkige weergave van context en volgorde, vraagtekens oproepende vraagstelling aan deskundigen en in nagespeelde scènes als ‘kwaaie Pier’ neergezet.
In het programma ‘Woestijnruiters’ op 30 april wordt prof. dr. Wagenaar geconfronteerd met de vraag waarom hij het in de krant voor Bullens heeft opgenomen. Als toelichting voor de rol van Bullens wordt een fragment van Zembla vertoond. Wagenaar legt uit dat deze documentaire geen goede voorstelling van zaken geeft en corrigeert met vasthoudendheid de interviewers: Bullens nam alleen deel aan drie, niet aan dertien verhoren, en ze vonden plaats vóórdat Maikel in tweede instantie voor leugenaars werd uitgemaakt. Hij uit ook stevige kritiek op de deskundigen die in Zembla aan het woord komen.
In een uitzending van Pauw en Witteman op 27 oktober 2006 wordt de vader van Maikel en zijn advocaat om een reactie gevraagd op de uitspraak van het College. Opnieuw worden delen van Zembla als illustratiemateriaal gebruikt. ‘We hebben even kort de zaken op een rij gezet.’ Bij een tweede fragment geeft Jeroen Pauw aan dat de wurgscène en de politieman hier ‘even nagespeeld’ zijn. Na het fragment vult Witteman aan dat ook ‘de psychiater’ is nagespeeld.
Maar ook hier wordt gesproken over dé verhoren en moet de vader van Maikel met steun van zijn advocaat de interviewers erop wijzen dat ze de volgorde van gebeurtenissen door elkaar halen. De vader van Maikel pleit hier op waardige wijze voor herziening van de regelgeving
Hoe komt het toch dat Bullens door achtenswaardige media zo hardnekkig als verachtelijk werd neergezet?
In een commentaar op het rapport van de Commissie Posthumus in het Nederlands Juristen Blad stelt emeritus hoogleraar strafrecht Tom Schalken: ‘Mij lijkt dat mediaspecialisten zich eens over deze zaak zouden moeten buigen om uit te zoeken hoe het kan dat een omstreden kwestie (al of niet ingrijpen) - die geen enkele directe of causale relatie heeft met totstandkoming van de rechterlijke dwaling - zoveel publieke en negatieve aandacht heeft gekregen dat daardoor de betrokken deskundige professioneel (ongetwijfeld ook persoonlijk) zwaar werd beschadigd. Als er ooit van buitensporigheid in mediazaken sprake is geweest, dan toch wel in dit geval, ook in verhouding tot de OM-leden die wel een verwijtbare bijdrage aan de rechterlijke dwaling hebben geleverd.’
DE STEM VAN DE PEDAGOOG
De Schiedammer Parkmoord was verschrikkelijk. Zeker voor de slachtoffers en hun familieleden. De miskleunen daarna verzachtten de pijn niet bepaald. Het is zeer de vraag of de publieke aandacht daarna een goede therapeutische werking heeft gehad.
Wat betreft de onjuiste conceptie van het publiek kan niet alleen de media verwijten worden gemaakt. Media moeten worden gevoed met informatie en mogelijke onjuiste voorstellingen moeten met kracht worden weersproken. Blijkbaar is het moedig optreden van enkelen daarbij niet voldoende geweest.
Hoe kwam het dat maar zo weinigen hun stem krachtig genoeg lieten horen? Ontbrak het hen aan juiste informatie of kanalen? Redeneerde men: ‘Waar rook is, is vuur? Of ‘Als je geschoren wordt, moet je stil zitten’, een cliché dat we de laatste tijd angstwekkend vaak horen? Was het opportunisme of sociale smetvrees? Of zou het komen doordat men zich gemakkelijker associeert met het ‘onschuldige kind’ dan met de ‘eigenwijze professor’?
Dat pedagogen in de eerste plaats kiezen voor het kind is logisch en correct. Bij de analyse van een casus mag van hen – net als van journalisten trouwens - professionele distantie worden verwacht, tot in de onbarmhartige details.
Binnen de beroepsgroep wordt er al geruime tijd voor gepleit dat de stem van de pedagoog meer gehoord moet worden. Hopelijk blijkt ook die oproep er niet een van een roepende in de woestijn.
GEEN BEROEP, WEL VERVOLG
Het bestuur van de NVO overwoog na de uitspraak beroep aan te tekenen met als doel om duidelijkheid krijgen over gedragsregels en procedures. Na het inwinnen van juridisch advies besloot het daar van af te zien. Een advies van de sectie familie- en jeugdrecht van de universiteit van Tilburg stelt dat er ten tijde van de verhoorsituatie geen wet of regelgeving van toepassing waren anders dan de beroepscode van de NVO en het Internationale Verdrag ter bescherming van de Rechten van het Kind (IVRK).
Andere, onder meer in reacties en berichten in de media genoemde normen of richtlijnen bleken óf niet relevant, óf niet geldend in het jaar waarin de verhoorsituatie waar verweerder als deskundige bij betrokken was zich voordeed.
In plaats daarvan werd besloten om met spoed te werken aan het bijstellen van de beroepscode.(De wens van de vader van Maikel wordt wat dat betreft gehonoreerd.) Daarbij worden ook geledingen buiten de beroepsgroep betrokken.
Inmiddels is een breed samengestelde Adviesgroep Richtlijn voor Inzet Deskundigen (ARID) geformeerd, die voor 15 mei 2007 een advies moet uitbrengen.
Een van de argumenten voor het indienen van een klacht tegen Bullens was dat de hele beroepsgroep door de affaire schade zou oplopen. Die is onevenredig hard geconfronteerd met de onvrede in de samenleving met een falende opsporing en vervolging in een emotioneel beladen zaak. Het heeft er alle schijn van dat iemand de klap moest opvangen.
Het zal een schrale troost zijn voor allen die in deze zaak werden beschadigd of leed werden aangedaan, maar misschien komt er met de bereidheid om te werken aan een betere regelgeving, ook voor verwante beroepsgroepen, toch nog iets goeds uit voort.
Rinke Bok
Hoofdredacteur NVO-Bulletin
OUDERSCHAP EN ANGST
Toename van psychopathologie bij kinderen
Menig dominee zou jaloers zijn bij het zien van zo’n volle zaal als de Lutherse Kerk tijdens de oratie van PROF. DR. SUSAN BÖGELS, hoogleraar bijzonder integratieve jeugdzorg, aan de Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Susan Bögels ging in op de ‘dramatische’ stijging van angst bij kinderen. Ze constateert onder andere een grote overlap tussen angststoornissen van ouders en kinderen.
Dragen ouders hun angst over op hun kinderen? Wat is de overbelichte rol van de moeder en de onderbelichte van de vader? En wat betekent dit alles voor behandelingsmethoden als de cognitieve gedragstherapie? Over in de lucht geworpen kinderen sprak ze, en over Harry Potter en de Ivoren toren. Maar ze staat met beide voeten op de grond. Bijvoorbeeld wanneer ze suggereert dat preventie voor verzekeraars wel eens goedkoper uit zou kunnen pakken dan behandeling. Hier een beknopte en bewerkte weergave van haar oratie.
Angst bij kinderen is dramatisch gestegen: zo hebben normale kinderen in de VS nu dezelfde angstniveaus als kinderen in een psychiatrische inrichting 50 jaar geleden (Twenge, 2000). Dat kan niet worden verklaard uit de recente angst voor terrorisme; het onderzoek was afgerond voor 9-11. Niet alleen bij kinderen is die angst gestegen, maar ook bij volwassenen – hun ouders. Voor andere vormen van psychopathologie bij kinderen, zoals de autisme spectrum stoornis zien we dezelfde toename.
Misschien hangt deze stijging in psychopathologie wel voor een deel samen met de ontwikkeling van gestructureerde diagnostische interviews om psychopathologie te meten, en de verandering en verfijning van definities van psychopathologie. Zo’n verandering van meting of definitie kan echter niet het toegenomen angstniveau van de kinderen in de VS verklaren: de meting toen en nu was identitiek. Allerlei medische/biologische factoren kunnen een rol spelen bij de toename van psychopathologie. Ook maatschappelijke veranderingen kunnen daartoe bijdragen. Zo kan gespeculeerd worden dat de latere leeftijd waarop vaders tegenwoordig kinderen krijgen bijdraagt aan de toename in autisme. Het eerder geciteerde Amerikaanse onderzoek naar toename in angst1 laat zien dat alleenstaand ouderschap en het wegvallen van een sociale gemeenschapsstructuur, in combinatie met een toename in dreiging of afgenomen veiligheid, de stijging in angst bij kinderen in de tijd verklaart. (Merk hierbij op dat alleenstaand ouderschap meestal het wegvallen van de vader betekent.)
Tot slot kunnen veranderingen in opvoeding een rol spelen bij de toename in psychopathologie bij kinderen. De thans zo populaire reality TV (her)opvoedingsprogramma’s tonen de crisis waarin de opvoeding in welvarende Westerse landen zich bevindt. Ouders begrenzen niet meer en geven geen (echte) aandacht, een opvoedingsstijl die clinici vaak zo treffend aanduiden als “verwennende verwaarlozing”. Dit gebrek aan aandacht en duidelijke grenzen door ouders blijkt gedragsproblemen bij kinderen in stand te houden2. Of verwennende verwaarlozing ook verband houdt met een angstige ontwikkeling bij kinderen, is een vraag voor nader onderzoek.
Angststoornissen
Van alle vormen van psychopathologie komen angststoornissen het meest voor in de normale bevolking, zowel bij kinderen als hun ouders. Schattingen, bij kinderen en volwassenen, lopen uiteen van 5-20%. Top-down en bottom-up onderzoek laat een grote overlap zien tussen angststoornissen bij ouders en kinderen. Uit ons eigen bottom-up onderzoek bij 128 kinderen die voor behandeling waren verwezen vanwege angststoornissen bleek dat in 39% van de gezinnen minimaal een van de ouders ook een huidige angststoornis heeft. Voor een deel kan deze overlap verklaard worden uit genetische factoren3. De orthopedagogiek doet onderzoek naar de niet-genetische oorzaken van de overlap in psychopathologie tussen ouders en kinderen, waarbij de rol van opvoeding onze speciale aandacht heeft.
Ouderschap en angst
Als een ouder een angststoornis heeft, hoe beïnvloedt dat dan zijn of haar directe opvoedingsgedrag, de relatie tussen de ouders onderling (die indirect weer invloed heeft op het opvoedingsgedrag), en het functioneren van het hele gezin?
Moeders met een paniekstoornis bleken geïrriteerder te reageren op hun kind bij het samen maken van een tekening4, en vaders die meer angstig waren bleken vaker de Tangram puzzle aan te raken die hun zonen moesten oplossen, een indicatie van overprotectief gedrag5. Ouders met angststoornissen bleken minder met hun kind in een speeltoestel te klimmen dan ouders zonder angststoornis. Overmatige angst bij ouders kan dus op allerlei manieren hun opvoedingsgedrag beïnvloeden: hun opvoedingsstijl kan er afwijzend, overbeschermend, minder autonomie bevorderend, en minder speels door worden.
Verschillen tussen kinderen in gevoeligheid voor opvoeding
Dragen ouders met overmatige angst via hun opvoedingsstijl deze angst over op hun kinderen?
Niet noodzakelijk, dit hangt af van het temperament van het kind.
De interactie van opvoeding met biologische en genetische factoren in het kind is belangrijk in de zoektocht naar het ontstaan van angststoornissen in de kindertijd. Belsky’s (1997) theorie over “differential succeptibility of rearing” suggereert dat er twee typen kinderen zijn. Kinderen die nauwelijks gevoelig zijn voor opvoeding, en waarbij de ontwikkeling zich ontvouwt volgens hun genetische make-up. En kinderen, die door een bepaalde aanleg, zoals een angstig of moeilijk temperament, zeer gevoelig zijn voor wat hun ouders doen, denken, en voelen. Die kinderen zijn oplettende observatoren, die de signalen over of de wereld gevaarlijk is of niet, uit de boodschappen halen die hun ouders over die wereld geven, of bij wie een angstig of moeilijk temperament versterkt wordt door gebrek aan aandacht en grenzen van de ouders. Het bewijs voor deze theorie is zeer overtuigend. Ook bij zeer ernstige vormen van ouderlijk tekortschieten, zoals agressief misbruik, is aangetoond dat dit met name tot agressief gedrag bij kinderen leidt, als zij hiervoor al kwetsbaar waren vanwege hun genetische make-up. Hoe temperamentsfactoren een rol spelen bij de ontwikkeling van angststoornissen is nog onontgonnen terrein.
Onderzoek naar de rol van de moeder overheerst
Wellicht is het gebrek aan onderzoek naar de rol van de vader in de ontwikkeling van angst bij kinderen terug te voeren op de gehechtheidstheorie van Bowlby (1969). Daarin wordt de vroege relatie tussen moeder en kind beschouwd als de blauwdruk voor alle andere relaties. De wijze waarop een kind gehecht is aan zijn primaire verzorger: veilig, angstig of vermijdend, zou het ontstaan van psychopathologie bij kinderen verklaren. Hechting werd daarbij vooral tot het domein van moeders gerekend, omdat moeders immers doorgaans de primaire verzorgers zijn.
Ik betwist niet dat hechting het primaire domein van de moeder is, maar er is 40 jaar na de lancering van deze theorie nauwelijks evidentie voor die rol van gehechtheid bij het ontstaan van angststoornissen in de kindertijd. Wel is er veel onderzoek verricht naar wat genoemd wordt overprotectie. Ook dit onderzoek betrof voornamelijk moeders. Overprotectie betreft een gedragspatroon dat bestaat uit overdreven regulering van de activiteiten en routines van het kind, een hoge mate van ouderlijke waakzaamheid en indringerigheid, en het afremmen van onafhankelijk probleemoplossen.
Overprotectie door ouders blijkt verband te houden met angst bij kinderen. Volgens een recente meta-analyse van onze onderzoeksgroep is de effect size medium6.
Maar wat beweegt moeders tot overprotectief gedrag? Al in 1943 beschreef Levy een gezinspatroon van onderdanige vaders in interactie met overprotectieve moeders die het kind monopoliseerden: “They [the fathers] readily adapted to complete surrender”. Achter een overprotectieve moeder kan dus een afwezige of onderdanige vader schuilgaan.
Vaders en angst
Mijn collega Perrin vertelde mij over een gezin dat de tsunamie in Thailand overleefd had, maar waarbij beide jonge kinderen ernstig getraumatiseerd waren. Toen de golf aankwam rende de moeder terug naar het water om haar jonge kinderen te redden, terwijl de vader vluchtte en sindsdien niet meer gesignaleerd is. De hulpverlening nadien was in eerste instantie gericht op wat men noemt het “overprotectieve” opvoedingsgedrag van de (getraumatiseerde) moeder. Zo liet de moeder beide kinderen bij zich in bed slapen.
Maar welk signaal had de vluchtende en nu afwezige vader afgegeven over of er bescherming is als de kinderen het nodig hebben? Is het overprotectieve gedrag van de moeder niet veeleer het gevolg van de ontstane onveiligheid door het wegvallen van de vader?
Er is overtuigend longitudinaal onderzoek dat laat zien dat vaderlijke, meer dan moederlijke betrokkenheid bij pubers, deze kinderen beschermt tegen een depressieve en angstige ontwikkeling als jong-volwassenen7. Ons eigen onderzoek laat zien dat vaders met angststoornissen van invloed zijn op het functioneren van het hele gezin en op de opvoeding8. Vaders met een angststoornis stimuleren de autonomie van hun kinderen minder dan vaders zonder angststoornis. In gezinnen van angstige vaders is meer conflict, de relatie tussen de ouders is minder goed in zulke gezinnen, en het gezin is minder verbonden met de buitenwereld. Deze verbanden vonden we niet of veel minder sterk bij moeders met angststoornissen.
Verschillen tussen vaders en moeders
Vaders en moeders zijn verschillend. Camus (2000) observeerde bij baby-zwemmen dat moeders hun babies met het gezicht naar zichzelf gericht houden, terwijl vaders hun babies andersom vasthouden, zodat zij het zwembad en de andere kinderen en ouders kunnen zien. Dit onderzoek ondersteunt de theorie dat vaders, meer dan moeders, de opening zijn voor het kind naar de buitenwereld. Onderzoek van Lamb (1977) laat zien dat moeders meer fysiek contact hebben met hun babies voor voeding, verzorging, en troost, terwijl vaders’ fysieke contact meer gericht is op spel.
Vaders blijken anders te spelen met hun kind: fysieker en risicovoller. Een recente illustratie van dit typische vaderspel is te vinden op internet, waar miljoenen foto’s van ouder-kind interacties te vinden zijn. Er is een website die speciaal gaat over ouders die hun kinderen in de lucht gooien.9
Van de 90 foto’s die door ouders geplaatst zijn, zijn maar liefst 85 van vaders die hun kind in de lucht gooien. De vaders doen hun best de kinderen zo hoog mogelijk te laten vliegen. Wat heeft deze macho vertoning van mannen die hun kind zo hoog mogelijk in de lucht gooien met angst te maken? Als we kijken naar de gezichten van de kinderen zien we dat sommigen een gemengde uitdrukking tonen van angst en plezier, de meesten hebben ronduit plezier. Hoog in de lucht, onder de voorwaarde dat ze daarna veilig opgevangen worden, leren ze de fysieke spanning en arousal die met deze gooi en vrije val gepaard gaat, te interpreteren als plezier in plaats van angst. Later zullen ze deze sensaties eigenstandig gaan herhalen. Niet alleen de ervaring dat extreme arousal prettig kan zijn, maar ook het rolmodel dat vader gegeven heeft terwijl hij zijn kind in de lucht gooide, zal herhaald worden.
PRAKTIJK VAN DE jeugdzorg
Jeugdzorg subsidieprogramma’s schreeuwen om het implementeren van effectieve (evidence-based) interventies. Maar overstijgen die interventies wel het niveau van suggestie en magie, van hekserij en toverkracht? Onlangs bleek uit een Canadees onderzoek10, dat Harry Potter voorlezen aan angstige kinderen net zo effectief was als het geven van het FRIENDS programma, een preventieve interventie voor angstige kinderen gebaseerd op cognitief-gedragstherapeutische principes. Zolang we geen evidentie hebben dat onze interventies beter zijn dan creatieve placebo’s, zoals Harry Potter voorlezen, kunnen onderzoekers geen verstandige dingen vertellen aan werkers in de jeugdzorg over wat zij het best kunnen doen. Wat moeten onderzoekers dan wel doen? Zich terugtrekken in de ivoren toren om interventies radicaal te verbeteren. Om deze verbeterde interventies qua effectiviteit te vergelijken met de nu gangbare interventies. En om meta-analyses te doen naar gepubliceerde en vooral ongepubliceerde effectonderzoeken, omdat meta-analyses wél richting geven aan welke kant we op moeten.
Zo bleek uit een recente meta-analyse van Weisz (2006) bijvoorbeeld dat cognitieve gedragstherapie voor depressieve kinderen maar matig effectief is. Houdt dat in dat we nu cognitieve gedragstherapie moeten implementeren, of dat we onze krachten moeten bundelen om interventies te verbeteren? Ik pleit voor het laatste, althans voor interventies die niet beduidend effectiever zijn dan een geloofwaardige placebo behandeling. Naast implementatie van evidence-based interventies is kosteneffectiviteit een onderwerp dat een belangrijke rol gaat spelen in de praktijk van de jeugdzorg, zeker nu de vraag zo hoog is en de wachtlijsten zo lang. De resultaten van zorg worden in kaart gebracht aan de hand van de kosten per QALY, quality adjusted life years, van een interventie. De resultaten van ons eigen onderzoek, waarop Bodden binnenkort promoveert, laten zien dat gezinsgerichte CGT minder kosteneffectief is dan individuele CGT voor het kind. Deze bevinding zou implicaties moeten hebben. Het nu nog gangbare beleid in de jeugdzorg om ouders middels ouderbegeleiding te betrekken in behandeling van hun kind met angtststoornissen, zou in het licht van deze bevindingen opnieuw geëvalueerd moeten worden. Ook is het nodig onderzoek te doen naar de relatieve kosteneffectiviteit van behandeling versus preventie in de jeugdzorg.
Preventie
Voor verzekeraars zou preventie wel eens goedkoper uit kunnen pakken dan behandeling. Goed zorgbeleid is gebaseerd op een lange termijn afweging van kosten en baten, en ouders blijken graag mee te werken aan preventieve gezondheidszorg, mits die te combineren is met de realiteit van hun drukke leven.
Preventie van psychopathologie bij kinderen via vroegtijdig bijsturen van de opvoeding bij “at risk” groepen is een groeiend werkterrein voor de orthopedagogiek. Met steun van een ZonMW preventie-subsidie bestudeert Simon de (kosten)effectiviteit van een preventieve interventie via ouders, bij het kind zelf, of het overlaten aan het natuurlijk beloop, bij kinderen die “at risk” zijn om een angststoornis te onwikkelen vanwege verhoogde angstsymptomen. Waar het gaat om curatieve interventies in de jeugdzorg, het behandelen van angststoornissen bij kinderen, is er weinig evidentie dat het betrekken van de ouders belangrijk is. Over preventie van angst is echter nog geen onderzoek verricht. Een interventie gericht op hoe ouders hun voor angst gevoelige kind kunnen bijstaan lijkt juist bij kinderen die nog geen angststoornissen of andere psychopathologie ontwikkeld hebben, maar die vanwege een angstig temperament gevoelig zijn voor ouderlijke signalen, veelbelovend. En op wie van de ouders moet vooral ingezet worden als het gaat om preventie van psychopathologie bij kinderen? Oudertrainingen richten zich op beide ouders, maar in de praktijk komen toch vooral de moeders, en zelden alleen de vaders. Van der Bruggen gaat onderzoeken of een vaderinterventie mogelijk effectiever is dan een moederinterventie, wanneer het gaat om preventie van angststoornissen bij at risk kinderen, die nog niet in de jeugdzorg terecht zijn gekomen.
Mindfulness
Hoewel het er bij de behandeling van angststoornissen nog niet op lijkt dat het betrekken van de ouders zinvol is, bij externaliserende stoornissen ligt dat mogelijk anders. Externaliserende stoornissen zijn vormen van psychopathologie waarbij het kind de problemen extern uit, zoals bij gedragsstoornissen of ADHD. Het kind is druk, liegt, steelt, is brutaal, maakt ruzie, etc. Onderliggend zijn er problemen in de aandacht, planning, en gedragssturing of impulsiviteit. Met Van Oord en Geurts, en een aantal behandelcentra in het zuiden en westen, werken we aan de ontwikkeling en evaluatie van een interventie waarbij we direct ingrijpen in verstoorde aandachtsprocessen bij kinderen, via mindfulness training, een aandachtstraining die gebaseerd is op oosterse meditatietechnieken. Ook ouders volgen een mindfulness training, die we mindful parenting noemen. Ouders leren onbevooroordeeld aandacht te besteden aan hun kind en werken tegelijkertijd aan eigen aandachtsproblemen als die er zijn.
De eerste resultaten van mindfulness en mindful parenting bij kinderen met externaliserende stoornissen zijn veelbelovend: kinderen kunnen de aandacht beter vasthouden na de training, vertonen minder gedragsproblemen en sociale problemen, en voelen zich gelukkiger na de training11.
SUSAN BÖGELS
Noten:
1. Twenge, 2000
2. Patterson, 1995
3. Boer & Bögels, 2000
4. Ficker, Schneider, Gommlich-Schneider, Nündel, & Wolke, 2002
5. Van der Bruggen, Bögels, & van Zeilst, 2006
6. Van der Bruggen, Bögels, & Stams, 2006
7. Bögels & Phares, 2006
8. Bögels et al., in voorbereiding
9. http://www.flickr.com/groups/ throw_your_kids_in_the_air
10. Miller, Laye-Gindhu, & Gold, 2006
11. Bögels, Hoogstad, van Dun, & De Schutter, 2006
Met o.a.: Practice based evidence: laten zien dat het werkt!
De arbeidsovereenkomst deel 2.
De NVO-Bulletins zijn vanaf dit nummer te downloaden als PDF vanaf de ledensite
LEUK EN NIET LEUK IN HET INTERNAAT
De voorzitter op de voorpagina? Ja, maar XAVIER MOONEN staat hier om een andere reden. In het voorjaar promoveerde hij op het proefschrift ‘Verblijf, beeld en ervaringen van jongeren opgenomen in een orthopedagogisch centrum voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking’. Geen kunstig korte boektitel, maar dat past ook niet bij de graad van doctor. Wel passend bij de zorgvuldigheid die deze studie en Xavier Moonen kenmerken. En bij de zorgvuldigheid waarmee met deze jongeren moet worden omgegaan. Opvallend is dat jongeren zelf een actieve rol speelden bij het onderzoek naar de vraag hoe zij en hun lotgenoten het nou vinden om in een orthopedagogisch behandelcentrum te verblijven: ‘Niet Leuk’, ‘Leuk’ of ‘Leuk en Niet Leuk’. Wat vinden ze ervan, en hebben hun ouders en professionele betrokkenen daar wel een goed beeld van?
LICHTE VERSTANDELIJKE BEPERKING?
In de inleiding van Verblijf, beeld en ervaringen staat dat maar een klein deel van de tienduizenden jeugdigen die jaarlijks een beroep op de jeugdzorg doen een lichte verstandelijke beperking heeft. Wat moeten we ons voorstellen bij ‘een lichte verstandelijke beperking? Geen domme vraag: in het proefschrift wordt er een hele paragraaf aan gewijd. Met een historisch overzicht, want voortschrijdend inzicht en taal hebben de neiging door te kauwen op definities. Een IQ-score (< 85) is niet alles bepalend. Hart de Ruyter1 wordt geciteerd. In 1961 waarschuwde hij al: Er kunnen vele oorzaken zijn voor het feit dat een, zelfs potentieel, normaal begaafde jeugdige, functioneert op debiel niveau. We denken daarbij aan affectief, pedagogisch en didactief verwaarloosden: aan kinderen met emotionele moeilijkheden of organische stoornissen, die zich bijvoorbeeld uiten kunnen in ernstige en hardnekkige concentratiestoornissen.’
De definitie van de Vereniging voor Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) is kort geleden bijgesteld. Maar volgens Xavier Moonen wordt de voorgaande vooralsnog in de indicatiepraktijk gehanteerd: ‘Licht verstandelijk gehandicapte jongeren zijn personen tot circa 21 jaar die in hun ontwikkeling zijn belemmerd en die zich op grond van hun lager intellectueel functioneren én beperkte sociale redzaamheid niet (zonder hulp) kunnen handhaven in één of meer reguliere maatschappelijke verbanden (gezin, school, werk, groep, leeftijdgenoten, buurt). Met speciale hulp hebben zij een redelijke kans op een zekere mate van zelfstandigheid als volwassene.’2
EEN REDELIJKE KANS
Voorzichtig geformuleerd: een redelijke kans op een zekere mate van zelfstandigheid?
Xavier Moonen: ‘Überhaupt is die definitie van een lichte verstandelijke beperking de laatste jaren aan discussie onderhevig geweest. Recent is naast het vermoeden van chronisiteit een belangrijk ander element aan de definitie toegevoegd namelijk: ernstige problemen met het sociaal aanpassingsvermogen. Het gaat hier om jongeren met een verminderd leervermogen en die daarnaast ernstige problemen hebben in het aangaan en onderhouden van sociale contacten. Het is die combinatie van leerproblemen en sociale contacten waardoor ze voortdurend in sociale situaties problemen ondervinden. Daarnaast hebben al deze jongeren ook nog een dusdanige problematiek dat behandeling nodig is. Het is de combinatie van al die factoren die maakt dat je licht verstandelijk beperkt bent en gegeven al die factoren is de prognose ook niet zo heel erg positief. Over het algemeen lukt het die jongeren wel om een aantal vaardigheden aan te leren en een positie in de maatschappij te verwerven. Maar het blijft toch iedere keer weer moeilijk in transitie-situaties. Daar waar bijvoorbeeld gewisseld wordt van school naar werk, of van adolescentie naar volwassenheid, of waar in die volwassenheid keuzes moeten worden gemaakt. Dan blijkt dat toch nog wel vaak ondersteuning nodig is. In die zin blijft die voorzichtige definitie overeind. Bij jongeren met een lichte verstandelijke beperking heb je te maken met een multifactoreel model. Daarbij zijn zowel omstandigheden in de persoon gelegen aan de orde als het samenspel van die persoon met zijn omgeving. Naarmate de omgeving daar beter op reageert, is de kans dat zo’n persoon zich kan handhaven groter. Maar onze huidige samenleving blinkt nou niet echt uit in heel veel begrip en geduld en daar hebben dit soort jongeren last van.’
HET ONDERZOEK
Of, en hoe goed een therapie helpt hangt niet alleen af van de gevolgde methodiek. Omgevingsfactoren spelen een grote rol. In een internaat zijn die omgevingsfactoren in beperkte mate te beïnvloeden. Uiteraard is ook de relatie van de jongere met het team van behandelaars van invloed. Voor een effectieve behandeling is het daarom van groot belang te weten hoe jongeren hun verblijf in een internaat ervaren, en of de behandelaars daar wel een goed beeld van hebben. Het ligt voor de hand dat de beste manier om daar achter te komen is om het aan die jongeren zélf te vragen. Logisch, maar is toch nog niet vaak gedaan. En wat is een betere manier om het door jongeren van dezelfde leeftijd en met vergelijkbare ervaring te laten vragen? Het onderzoek van Xavier Moonen doet allebei.
De centrale vraagstelling was hoe een jongere het verblijf in een LVG-instelling ervaart en of de beschrijving van die ervaring overeenkomt met die van de ouders en direct betrokken behandelaars en begeleiders.
In 2003 werden alle 150 jongeren van twaalf jaar en ouder die minimaal drie maanden in een orthopedagogisch behandelcentrum, een LVG-instituut, in Zuid-Nederland waren opgenomen, en hun ouders gevraagd om mee te werken aan het onderzoek. Daarvan wilden 27 jongeren én ouders meewerken aan interviews. In de drie maanden tussen de toestemming en de uitvoering van de interviews waren zes van hen niet meer opgenomen in het LVG-instituut.
De eenentwintig resterende jongeren woonden in veertien verschillende behandelgroepen en reden voor opname varieerde van licht crimineel gedrag tot verwaarlozing, mishandeling en misbruik en ernstige gedragsproblemen.
In het proefschrift wordt gesteld dat die groep goed vergelijkbaar is met de hele populatie in het LVG-instituut, en dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat die afwijkt van andere jongeren die elders in Nederland zijn opgenomen. Zijn er wel voldoende redenen om aan te nemen dat het ergens anders hetzelfde is?
Xavier Moonen: ‘Er zijn geen redenen om aan te nemen dat dat níet zo is. Ik heb dat bij de promotie ook overtuigend beargumenteerd. Mijn onderzoek is een mixed method onderzoek, een mengvorm van een kwalitatief en een kwantitatief onderzoek. Het is heel belangrijk dat de uitkomsten door de betrokkenen herkend worden. Dat maakt de validiteit van het onderzoek sterker. Daarom praat ik ook met veel mensen die betrokken zijn bij dit onderzoek, en steeds is die herkenning er wel. Ik krijg te horen dat het klopt dat men zich heel weinig verdiept in de drijfveren van de jongeren zelf, in de wereld van de jongeren zelf, in de wensen van de jongeren zelf, in de perspectieven van de jongeren zelf.’
HET OORDEEL VAN DE JONGEREN
Aan de jongeren werd gevraagd: ‘Hoe is het om in een leefgroep te wonen?’ en ‘Wat gebeurt er bij jou allemaal en wat vind je daarvan?’
De verwachting was dat de jongeren een overwegend negatief of een overwegend positief totaaloordeel zouden kunnen geven, of een middenoordeel gevormd door zowel positieve als negatieve ervaringen. Daarom konden ze de vragen met ‘Niet leuk’, ‘Leuk’ of ‘Leuk en Niet Leuk’ beantwoorden. Natuurlijk werden de antwoorden in de peer-interviews door de jongeren wel eens iets anders geformuleerd, zoals ‘best leuk’ en ‘kut ja’. Maar de bedoeling was duidelijk, zoals ook bleek uit de scores van een tweede beoordelaar.
Iets meer dan eenderde van de jongeren vond het niet leuk om in het internaat te zijn. Een kwart vond het leuk en de rest oordeelde neutraal: zowel leuk als niet leuk.
De veronderstelling dat jongeren bij het beantwoorden mogelijk een link zouden leggen tussen hun problemen en de opname in het internaat werd niet bevestigd.
Hoe denken de ouders dat hun kind het in het internaat vindt?
Een deel van de vraagstelling van het onderzoek was of het beeld dat behandelaars en ouders hebben van hoe jongeren hun verblijf ervaren in een LVGinstelling wel overeenstemt met de werkelijkheid. Vanzelfsprekend is het voor een goede behandeling van belang dat de direct betrokkenen weten hoe de jongere het zelf vindt in het internaat. Weten ouders, persoonlijke begeleiders en gedragswetenschappers wel wat de jongere er zelf van vindt?
In de eerste plaats de ouders. Aan zestien van hen werd dezelfde vraag gesteld als aan hun kind: ‘Hoe is het om in een leefgroep te wonen (in de ogen van uw kind)’
De ouders blijken verhoudingsgewijs negatiever te denken over het verblijf, of beter gezegd, ze denken dat hun kind er slechter over denkt.
DE INSCHATTING VAN DE PERSOONLIJK BEGELEIDERS EN GEDRAGSWETENSCHAPPERS
De antwoorden van persoonlijk begeleiders op de vraag hoe zíj denken dat de jongeren hun verblijf ervaren lijken meer overeen te stemmen. Dat lijkt vanzelfsprekend want deze begeleiders hebben intensief contact met de jongere in hun dagelijkse situatie binnen de instelling. Dat ze minder vaak denken dat de jongere het leuk vindt in het internaat, zou kunnen liggen aan een bescheiden kijk op hun rol.
De gedragswetenschappers komen het dichtst bij de antwoorden van de jongeren.
Blijkbaar staan ze dus niet ver af van de werkelijkheid, of is er een andere verklaring?
Xavier Moonen: ‘Het ging mij er niet zozeer om welke mensen nou wel, of welke niet leuk zouden zijn. Het ging mij erom in hoeverre de significante volwassenen, de informanten heb ik ze genoemd, aan konden geven hoe jongeren hun verblijf ervaren. Het ging me niet zozeer om de absolute uitslagen, maar in hoeverre die uitslagen (van de jongeren versus informanten- red) met elkaar convergeren. En dat viel heel erg tegen. Het was opmerkelijk dat mensen die heel dicht staan bij die jongeren niet béter in staat waren om in te schatten hoe die jongeren er in stonden. Op de globale vraag: ‘hoe vindt hij het nou?’ kwam er in ieder geval tussen de ouders en de gedragswetenschappers nog wel een redelijke mate van overeenstemming. Maar dat ‘iets vinden’ is opgebouwd uit een heleboel factoren. Als je naar de meer gedetailleerde antwoorden kijkt zie je veel minder overeenkomsten dan bij het totale oordeel.
Het is opmerkelijk dat de mensen die het dichtst bij staan, de persoonlijke begeleiders, nog minder goed in de gaten hadden wat de jongere er over dacht. Ik heb niet onderzocht hóe dat komt, ik heb het alleen geconstateerd.
Ik heb de afgelopen maanden mijn onderzoek her en der gepresenteerd en ik ben daar nog steeds mee bezig. Ik stel daarbij aan het publiek in de eerste plaats de vraag of ze dit herkennen en in de tweede plaats of ze er een verklaring voor hebben. Herkend wordt het meestal wel. Men zegt vaak meer bezig te zijn met de eigen plannen in plaats van die te toetsen bij de jongeren zelf. Waar dat aan ligt is niet helemaal duidelijk. Men geeft wel aan dat men er nog niet van doordrongen is dat we ons moeten verdiepen in die jongere. Dat wordt dus herkend en de noodzaak wordt ook erkend. Dat is in ieder geval een resultante van dit onderzoek: dat mensen zich dat realiseren en dat ze daarmee aan de slag gaan.’
HOE KAN HET BETER?
Niet alleen ouders en professionals moeten worden betrokken bij het maken van een behandelplan. Uit het onderzoek blijkt dat jongeren een mening hebben over hun opname en verblijf in de inrichting en dat ze wel degelijk een beeld hebben van hun toekomst. Door die voortdurend bij de bijstelling te betrekken, zal effectiviteit van de behandeling sterk worden vergroot.
Jongeren en ouders drukken het succes van het verblijf vaak uit in ‘vooruitgang’ van het gedrag. Die moet dan ook meetbaar en op een aanschouwelijke manier zichtbaar worden gemaakt. Van belang is ook om te streven naar overeenstemming van de jongere met het cliëntsysteem, ook al is er sprake van een gedwongen opname.
Vernieuwingen in het zorg- en behandelproces blijken in de praktijk moeilijk te implementeren. In ‘Verblijf, beeld en ervaringen’ worden een aantal gedetailleerde handreikingen geboden.
PLAATS VOOR DE STERKE KANTEN
Misschien wel het meest bijzondere van dit onderzoek is dat jongeren met een lichte verstandelijke beperking er daadwerkelijk bij zijn betrokken. Xavier Moonen spreekt de hoop uit dat toekomstige publicaties zich niet voornamelijk zullen richten op tekorten en problemen, maar dat er plaats is voor hun sterke kanten.
‘Naast het onderwerp zelf heb ik aangetoond dat het heel goed mogelijk is dat je met de doelgroep zelf heel goed onderzoek kunt doen. Het is pure winst dat we weten dat er met de jongeren waar het om gaat heel wat meer te doen is dan alleen maar de vraag te stellen. We kunnen ze ook actief inschakelen: als informant, maar ook als onderzoeker en als criticaster van de onderzoeksmethodologie en als commentator op de uitkomsten. Dat geeft een andere dimensie aan de antwoorden.
Het biedt het inzicht dat jongeren heel wat te vertellen hebben en dat we dat niet altijd goed weten. En het is duidelijk geworden dat we jongeren daar actief bij kunnen betrekken.
Met normaal begaafde jongeren deden we dat al langer, maar het kan ook goed met jongeren met een verstandelijke beperking.’
Het onderzoek van Xavier Moonen is de eerste systematische poging in Nederland om dat te doen.
RINKE BOK
– Moonen, X.M.H (2006), Verblijf, beeld en ervaring van jongeren opgenomen in een orthopedagogisch centrum voor jeugdigen met een lichte verstandelijke beperking, ISED, Utrecht. ISBN 978-90-9020452-9
Noten
1. Hart de Ruyter, Th. (1961) Debilitas mentis, zwakbegaafdheid en vertraagde ontwikkeling. Wolters, Groningen.
2. Vereniging voor Gehandicaptenzorg Nederland. (1995)
DE STUDIE PEDAGOGIEK IN SPANJE
In dit nummer in vakantietijd, geschreven onder Spaanse temperaturen wordt op koele wijze beschreven hoe de studie pedagogiek in Spanje is ingericht. Het is de eerste van een serie over het vak in het buitenland. Daarom voor een keer op de voorpagina.
Op een kamer met bijna omvallende stapels boeken, sprak ik met JOSÉ LUIS SAN FABIÁN MAROTO, verbonden aan de faculteit van Onderwijswetenschappen van de Universiteit van Oviedo in het Keltische Asturias in Noord Spanje. Op basis van dit gesprek schreef hij onderstaand artikel.
De studie pedagogiek bestaat in Spanje uit een eerste en tweede fase waarin 300 studiepunten moeten worden behaald. Iedere fase omvat minstens 120 studiepunten, die staan voor een studietijd van tussen de 20 en 30 uur per week, inbegrepen praktijkstudie. Dit is exclusief het theoretisch onderwijs van 15 uur per week.
Met de invoering van de onderwijswet van 1992, waarin de minimale onderwijseisen voor de titel pedagogiek zijn vastgelegd, kan iedere universiteit zijn eigen onderwijsaanbod ontwikkelen, wat leidt tot een grote heterogeniteit in vorm en inhoud. Op basis van deze autonomie, hebben de universiteiten verschillende afstudeertracés ontwikkeld, zoals sociale pedagogie en arbeidspedagogiek.1
Een andere belangrijke vernieuwing die in de laatste jaren heeft plaatsgevonden is de versterking van de praktische vorming (practicum), de begeleide stages en de professionele socialisatie die samen tussen de 18 en 24 studiepunten kunnen opleveren, al naar gelang de faculteit.
ONDERWIJSWETENSCHAPPEN
De centra die pedagogiek aanbieden maken voornamelijk deel uit van de Onderwijsfaculteiten of van Onderwijswetenschappen (Ciencias de Educación) en in een enkel geval van een centrum voor docentenopleidingen (Centro de Formación del Profesorado). Op dit moment wordt de studie pedagogiek aangeboden door 24 universiteiten. De studieduur bedraagt 5 jaar (in vijf instituten 4 jaar). Van die universiteiten biedt iets meer dan de helft in hun curricula leerroutes aan die gericht zijn op het onderwijsveld en op het gebied van maatschappij en arbeid. In de gespecialiseerde leerroutes tekenen de volgende werkvelden zich af: sociale pedagogie, schoolpedagogie (Pedagogía Escolar), organisatie van onderwijsinstituten, technologie van informatie en communicatie en vrijetijdseducatie (Educación del Ocio)
Het doel is op te leiden tot deskundigen in de ‘educatieve leerprocessen’, in de verschillende werkvelden van docenten die behoren tot het onderwijsveld, het bedrijfsleven en de samenleving. (Opleiding van docenten; schoolbegeleiding; beroepskeuze en vocational training; het ontwerpen, ontwikkelen en evalueren van opvoedkundige en educatieve materialen en programma’s etc.) De functies beslaan activiteiten als planning en ontwerp van educatieve interventies, advies, onderzoek, organisatie en management van (opvoedkundige en educatieve-red) centra, supervisie, evaluatie, vorming, het creëren en beheren van middelen, het leiden van groepen, enzovoort.
AANTAL INSCHRIJVINGEN
Volgens een rapport van de raad voor de coördinatie van universiteiten2 (2003), heeft de inschrijving voor de eerste fase voor de studie pedagogiek3 zich in de laatste tien jaar als volgt ontwikkeld:
93/94 2.103
94/95 2.258
95/96 3.158
96/97 3.175
97/98 2.872
98/99 3.028
99/00 2.822
00/01 2.667
01/02 2.640
02/03 2.503
Zoals u kunt zien is de inschrijving voor pedagogiek gedurende de laatste tien jaar praktisch constant gebleven, alhoewel de invloed van een tijdelijke toename door studies als ‘Sociale educatie’ en ‘Psycho-pedagogie4’ zichtbaar is.
Wat betreft het profiel van de student handhaaft zich een hoog percentage vrouwen (rond de 88%) afkomstig uit de midden of midden/lage sociale klasse. Bij benadering is 20% afkomstig van opleidingen uit de eerste fase (vooral de Pedagogische Academie en Sociale Educatie) die in het doctoraalexamen5 Pedagogiek een aanvullende beroepsopleiding zoeken. Rond de 50% kiest de opleiding als eerste optie.
Gemiddeld maakt een derde van de studenten deze studie af in de daarvoor gestelde tijd. Een derde heeft meer tijd nodig. Daarbij wordt als reden onder meer het grote aantal vakken dat bij deze studie vergezeld gaat aangevoerd, en andere verplichtingen (voornamelijk werk). Het resterende deel voltooit de studie in minder tijd.
WAAR WERKEN DE PEDAGOGEN?
Gegeven de geringe algemene bekendheid met de studie Pedagogiek, is in het geheel niet duidelijk welke vraag er is en welke wensen er leven vanuit de maatschappij, wat betreft het beroepsprofiel. Een meer precieze definitie van de mogelijke rollen die de pedagoog kan vervullen, zowel op de arbeidsmarkt als in het onderwijsveld, is gewenst.
In een land waar de openbare uitgaven voor onderwijs lager zijn dan het gemiddelde in de OESO landen en waar de kwantitatieve groei niet vergezeld gaat met de corresponderende groei van de kwaliteit, zien we dat de positie van de pedagoog wordt aangetast. Het discours over ‘privatisering’, ‘efficiency’, en de overheersende aandacht van de ‘technische kennis’ (ingenieurswetenschappen etc.) maken dat een studie verbonden met het oplossen van de strategische problemen van de samenleving niet als prioriteit wordt beschouwd.
Niettemin is het werkloosheidspercentage onder afgestudeerden 11,30 %. Dat wil zeggen, gelijk aan die van studies als wiskunde, medicijnen, of chemie; hoger dan dat van bouwkunde, technische studies en andere op het terrein van rechten en economie, maar lager dan andere zoals psychologie, sociaal werk6, pedagogische academie/lerarenopleiding, geografie, geschiedenis en biologie.
WERKGELEGENHEID
Van de studenten die in pedagogiek afstuderen komt 80% aan de slag. Daarvan vindt 60% werk in het formele onderwijsveld, hoewel ze niet altijd functies vervullen die met hun opleiding overeenkomen (slechts 37% komt terecht in een functie die rechtsreeks met hun studie verband houdt). Dit aandeel van afgestudeerden in het reguliere onderwijsveld neemt de laatste jaren af, ten gunste van andere socio-educatieve werkvelden: (groeps-)opvoeder, creativiteitsbegeleider, vrijetijdsbegeleider, groepsleider, arbeidscoach.
In 21% van de gevallen komt de eerste baan tot stand via een reguliere arbeidsovereenkomst. Veel pedagogen oefenen een functies uit onder hun niveau7, zoals onderwijzers (30%). Een groot deel heeft een tijdelijk contract, en 6,4% is zelfstandig werkzaam. We treffen ze ook aan tussen de slechter betaalde afgestudeerden, samen met die van sociaal werk, fysiotherapie, biologie, de P.A, biologie, geografie, geografie en geschiedenis en taalkunde.
BEROEPSVERENIGING
Het lage percentage dat lid is van een beroepsvereniging (25%) is te wijten aan het ontbreken van een specifieke beroepsvereniging voor pedagogen. (Ze kunnen lid worden van de meer algemene verenigingen voor afgestudeerden in filosofie en rechten). Het is pas twee jaar geleden dat begonnen werd met de vorming van de eerste beroepsvereniging van pedagogen in Catalonië, Valencia en de Balearen, maar de instelling van een beroepsvereniging met een officiële landelijke status, zoals verschillende verenigingen wensen, is nog niet van de grond gekomen. Alhoewel er een traditie bestaat van verschillende beroepsverbanden is het ‘gilde-gevoel’ lager dan in andere beroepen (bijvoorbeeld psychologie).
BEROEP IN VERANDERING
Het beroep van pedagoog bevindt zich in een proces van verandering. Het mag tot op zekere hoogte ontbreken aan een duidelijke definitie, maar het gaat bij pedagogiek wel om een studie met een eigen profiel. Die onderscheidt zich duidelijk van andere, zoals die van psychologen (alhoewel ze daarmee enige functies deelt), maar de trend is om samen te werken in interdisciplinaire teams. Deze samenwerking heeft in de afgelopen jaren geresulteerd in de creatie van een gezamenlijke 2e graadsopleiding8: de Psychopedagogie.9 De Psychopedagogie concentreert zich meer op de diagnostiek van opvoedkundige processen, de aandacht voor mensen met een beperking, de ondersteuning voor integratie van kinderen met speciale onderwijskundige behoeften, beroepsoriëntatie, interventie, leerstoornissen en de validering van testen. Deze titel geeft bijvoorbeeld toegang tot functies voor schoolbegeleiding in centra voor voortgezet onderwijs die pedagogen en psychologen in dienst hebben.
DE ROL VAN DE PEDAGOOG EN DE TOEKOMST VAN HET BEROEP
Pedagogen kunnen een fundamentele rol spelen in de grote sociaal opvoedkundige en onderwijskundige veranderingen die de Spaanse samenleving op dit moment beleeft. Daarbij gaat het om de integratie van immigranten, de vergrijzing en de groei van de vrije tijdssector, het zorgwekkende niveau van het geweld tussen personen (pesten op school en op het werk, huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen etc.) en de omvorming van traditionele economische sectoren (zoals kolen en staal) die niet alleen een crisis in de werkgelegenheid betekenen, maar ook een persoonlijke en maatschappelijke crisis.
De toekomst staat open voor het beroep. Maar het is ook een onzekere toekomst want die hangt mede samen met de nieuwe werkvelden die zich momenteel ontwikkelen. Dat zal het aanpassingsvermogen van de universiteiten op de proef stellen, die teveel lijden aan een academische en corporatieve onbeweeglijkheid. De belangrijkste (overheids)instanties die pedagogen in dienst hebben zullen snelle resultaten eisen. Dit gevoegd bij een terugtredende welzijnsstaat zal er toe leiden dat de pedagogische kennis niet op een hoog aanzien in de samenleving zal mogen rekenen. Zelfs niet onder onderwijskundigen die de voorstellen te ver van de dagelijkse onderwijskundige praktijk vinden staan.
JOSÉ LUIS SAN FABIÁN MAROTO
De auteur is pedagoog, socioloog en trainer. Sinds 20 jaar doceert hij aan de faculteit van onderwijswetenschappen van de universiteit van oviedo. Hij is coördinator van de doctoraalprogramma’s en directeur van de postdoctoraal cursus ‘specialist in sociale pedagogie’. Hij is gespecialiseerd in thema’s als participatie kwalitatief onderzoek in onderwijs en opvoeding.
Vertaling en redactie RINKE BOK
Referenties:
– ANECA (2005). “Título de Grado en Pedagogía y Educación Social” Libro Blanco. MEC: Agencia Nacional de Evaluación de la Calidad y Acreditación.
– Consejo de Coordinación Universitaria (2003), “Estudio sobre la evolución de la oferta de los títulos universitarios oficiales”.
– GARCÍA-MONTALVO, J: Formación y empleo de los graduados de enseñanza superior en España y en Europa. Bancaja, Valencia, 2001.
– Noda Rodríguez, Mª del M. (2003). La Inserción Laboral de los Licenciados en Pedagogía en Canarias. Dpto. de Sociología. Universidad de La Laguna (los datos de este estudio se han contrastado con los de otras universidades, como Valencia y Oviedo, y con datos nacionales).
– Molina Ruiz,E. (Coord.) (2004). “Formación Práctica de los estudiantes de Pedagogía en las Universidades Españolas” Profesorado, Revista de currículum y formación del profesorado, 8 (2).
Noten:
1. Pedagogía laboral
2. Secretaría General del Consejo de Coordinación Universitaria
3. Matrícula de primer curso
4. ‘Educación Social’ y la ‘Psicopedagogía’.
5. Licenciatura de Pedagogía
6. Trabajo Social
7. Subempleado = werk dat te kort is en/of onvrijwillig. De betrokkene ambieert ander werk.
8. Título de grado (2º ciclo)
9. Psicopedagogía
‘OPVOEDKUNDIGEN ALLER LANDEN......’
Over pedagogen in een veranderende samenleving
Als een conferencier met loopmicrofoon bewoog prof. dr. MICHA DE WINTER, hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Utrecht zich over het podium van congrescentrum De Eenhoorn tijdens het NVO-congres in maart. Zonder spiekbriefjes of auto-cue, en geen souffleur te bekennen. Het is de vraag of die laatste een kans zou krijgen, want hij sprak het gehoor van pedagogen toe uit het hoofd, en zoals altijd uit het hart.
HET EVIDENCEBEEST
Micha de Winter constateert dat ondanks een belofte tijdens een congres van een paar jaar geleden pedagogen nog steeds niet nadrukkelijk aanwezig zijn in het maatschappelijk debat rond kinderen en jeugd. De NVO protesteerde tegen het plan van voorzitter De Boer van de Taskforce Jeugdwerkeloosheid om 40.000 jongeren voor een heropvoeding in kazernes onder te brengen; maar op deze en andere gratuite plannen kwam weinig weerwoord. De Winter vraagt zich af hoe het toch komt dat de beroepsgroep van pedagogen, met zoveel deskundigheid op dit terrein, zich niet manifesteert met tegenargumenten.
‘Misschien moet je het zo’n voorzitter van de Taskforce niet al te zeer kwalijk nemen, want dat is geen deskundige. Maar pedagogen weten dat er veel onderzoek naar is gedaan, en dat het niet werkt. Sterker nog, het werkt in zijn tegendeel. Met interneringskampen komen jongeren niet beter in banen terecht en criminele of delinquente jongeren worden er alleen maar erger van.’
Het laat zich niet rijmen met het belang dat pedagogen hechten aan een aanpak en benadering waarvan de effecten bewezen zijn.
‘We spreken tegenwoordig allemaal over ‘evidence-based’. Ik noem dat het “evidencebeest”, omdat het een heel dominante gedachte is, die volgens mij niet helemaal klopt.’
BREEZERTJES
Die pedagogische inbreng is hard nodig, stelt De Winter. Onlangs sprak hij in een programma van de KRO met jongeren en ouders over drankgebruik bij heel jonge kinderen. Hij raakte onder de indruk van de enorme hoeveelheden breezertjes die kinderen van dertien-veertien achterover slaan: tien tot vijftien per avond. ‘En dat was wat ze op de televisie zeiden, met hun ouders op de tribune. Dan kun je nagaan wat misschien wel het reële aantal is. En ouders die reageren: ach, het is toch leuk, en we zijn toch allemaal jong geweest…’
Ouders zouden strenger op het alcoholgebruik van hun kinderen moeten toezien, maar hoe zit het dan met de verleidingsindustrie? ‘Bij de ontwikkeling van die drankjes is heel zorgvuldig onderzoek gedaan naar hoe je die flesjes moet verpakken, wat voor smaakjes je ze moet geven, en hoe je reclamecampagnes moet organiseren om juist die heel jonge doelgroep te penetreren.’ Het verhogen van de leeftijd en het instellen van boetes, zoals minister Hoogervorst bepleit, noemt hij maar één kant van de medaille. ‘Waarom pak je niet gewoon die industrie aan, die zich juist op die jonge kinderen richt? Ik vind dat pedagogen ook daar veel meer in het geweer moeten komen.’
OVER THE TRACKS
Op het NVO-congres en in het omslagartikel van het vorige NVO-Bulletin laat Paul Schnabel een tamelijk rooskleurig beeld van de kinderen in Nederland zien. Maar bij De Winter’s onderzoek in ‘Tokkie-gebieden’, en in zwarte achterstandsgebieden in grote steden, wordt zichtbaar hoe schrijnend de problemen van armoede in Nederland zijn.
‘Als we één ding weten, dan is het wel dat armoede één van de belangrijkste risicofactoren voor een goede ontwikkeling en een goede opvoeding is. Dat raakt de politiek, maar ik vind dat pedagogen zich veel meer op dat soort risicofactoren zouden moeten richten en er voortdurend op zouden moeten wijzen.’
Het proces van segregatie in onze samenleving is een ander thema waarover De Winter te weinig hoort van pedagogen. ‘Als je bijvoorbeeld in Utrecht de spoorlijn oversteekt die de wijken Overvecht en Tuindorp scheidt, tref je een wereld van verschil aan. Het bijzonderste is dat die kinderen, de Marokkaanse en Turkse kinderen aan de ene kant en de ‘witte’ kinderen aan de andere kant, elkaar nooit tegenkomen. Als we het hebben over het tegengaan van vooroordelen en het versterken van de cohesie en integratie in de samenleving, dan weten we één ding uit de psychologie en de pedagogiek: Als er geen contact is tussen kinderen is dat de grote voedingsbodem voor tegenstelling, vooroordeel en haat. Contact is geen wondermiddel, maar als kinderen samen dingen doen versterkt dat de integratie en de cohesie automatisch. Ik vind in ieder geval dat voor ons als pedagogen het tegengaan van de segregatie in de samenleving, wat uiteindelijk heel veel met opvoeding te maken heeft, een heel belangrijke taak is, die we veel te veel laten liggen.’
PEDAGOGEN ALLER LANDEN…
Het lijkt volgens De Winter of opvoeding zich alleen binnen onze grenzen afspeelt, maar er zijn steeds meer invloeden op de opvoeding die de landsgrenzen overschrijden. Denk alleen maar aan de effecten van het internet. Heel kenmerkend voor deze tijd is dat veel jongeren op zoek zijn naar hun identiteit. Wie ben ik nou? Ben je een moslim of een Marokkaan of een Amsterdammer of een Nederlander? In die zoektocht oriënteren jongeren zich via dat internet veel internationaler.
De titel van zijn inleiding is natuurlijk ook een zinspeling op ‘Proletariërs aller landen, verenigt u’.
Hij vindt dat pedagogen zich met de effecten van armoede zouden moeten bezighouden. De gezinnen waar helemaal niets aanwezig is van al die badkamers, telefoons en andere luxe die Paul Schnabel in zijn inleiding beschreef, vormen geen grote groep. Maar het is wel een groep met heel veel problemen: voortijdig schoolverlaten, criminaliteit, radicalisering, enzovoort.
De Winter vindt – en dat geldt volgens hem ook voor de wetenschap pedagogiek – dat pedagogen zich provincialistisch gedragen. ‘Het lijkt wel of onze hele oriëntatie uit de Amerikaanse kinder- en jeugdpsychologie komt. Ook de professionele methoden die wij voor veel geld aanschaffen komen bijna allemaal uit Amerika. Ik vind dat een vernauwing van de blik, en daarom noem ik dat provincialistisch.’
Het zit Micha de Winter dwars dat wij de Amerikaanse manier van denken in de pedagogiek en de psychologie bijna kritiekloos overnemen. Een heleboel evidence-based programma’s over het vroeg opsporen van problemen bij jonge kinderen die door Amerikaanse onderzoekers zijn ontwikkeld, worden ook hier toegepast. Ze blijken in de Verenigde Staten vaak wel effectief te zijn, maar het grote verschil met Nederland is dat er in die wat armere gebieden in de Amerikaanse steden niets aan voorzieningen is. ‘Iets wat voor ons zo vanzelfsprekend is als het consultatiebureau, kan men zich daar alleen permitteren als men het zelf kan betalen. Ik maak bezwaar tegen deze eenzijdige oriëntatie op het Amerikaanse model.’
DEMOCRATISCH BURGERSCHAP
Het concept ‘burgerschap’, het actieve of democratische burgerschap, ziet De Winter als een richtinggevend principe in het werk van pedagogen bij de oriëntatie op de veranderende samenleving. Ook zijn recente oratie had daarop betrekking. (Opvoeding in democratie*).
Een jaar of twee geleden deed hij in opdracht van de WRR een onderzoek naar wat het doel zou moeten zijn van opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid in een multiculturele, diverse samenleving. Hij kwam tot de conclusie dat opvoeding en onderwijs meegegaan zijn met het hele proces van de individualisering in de samenleving. Gemeenschapszin en het algemene belang zijn in opvoeding en onderwijs erg op de achtergrond geraakt.
‘Ik denk dat het in de huidige samenleving heel belangrijk is om veel meer aandacht te gaan besteden aan de andere kant van opvoeding en onderwijs, aan wat ik “het algemene belang” noem. De afgelopen decennia zijn we ons ook in opvoeding en onderwijs veel te eenzijdig gaan oriënteren op het individu. Opvoeding in het kader van het “algemeen belang” (we zijn allemaal burgers die het allemaal met elkaar moeten zien te rooien in de samenleving) zijn we misschien als veel te vanzelfsprekend gaan ervaren. We denken dat dat misschien wel in onze genen zit, maar dat is niet zo.’ Als je kinderen niet van jongs af aan opvoedt vanuit de gedachte dat je niet alleen op de wereld bent, is een samenleving waarin mensen steeds meer voor zichzelf gaan het logisch gevolg. Is in een mini-samenleving het algemeen belang alleen maar de optelsom van individuele belangetjes? De Winter ziet de democratie als richtpunt voor opvoeding en onderwijs. Met democratie bedoelt hij dan niet in eerste instantie de politieke democratie, maar de democratische ethiek, de democratische manier van met elkaar omgaan.
LEVEN MET VERSCHILLEN
Leven met verschillen is heel belangrijk in deze tijd. Volgens veel onderzoekers is het omgaan met verschillende levensstijlen en elementaire waardeoriëntaties één van de moeilijkste dingen die er zijn. De Winter stelt dat wij kinderen van jongs af aan moeten leren: in het gezin, in verenigingen, in scholen.
In een democratische samenleving is een basisvoorwaarde dat je begrip kunt opbrengen voor anderen, ook al zijn ze heel anders dan jij. Veel kinderen leren de grondbeginselen van die empathie thuis, maar lang niet allemaal. ‘Op school kom je voor het eerst anderen tegen met wie je niet zo’n emotionele binding hebt als met je familie, en de school is dan ook een heel belangrijke plek om empathie te leren generaliseren. Hebben wij onze scholen wel op een zodanige manier ingericht dat ze contexten voor empathiebevordering zijn? Ik denk dat ze dat maar zeer ten dele zijn.’
Micha de Winter komt voor zijn onderzoek veel in jeugdgevangenissen. Daar merkt hij heel goed wat het betekent als jongeren niet voldoende hebben geleerd om empathisch te zijn. ‘Als je met ze praat over een roofoverval of de beroving van een tasje, blijkt dat veel van die jongeren zich volstrekt niet kunnen inleven in wat hun slachtoffer beleefd heeft. Empathie is iets wat je actief bij kinderen moet bevorderen; dat gaat niet vanzelf. Bij wat wij als pedagogen aan het doen zijn in de jeugdzorg, de gezinsondersteuning, de opvoedingsondersteuning en de scholen gaat het eigenlijk maar heel weinig over dit soort aspecten. Wij zijn ons als pedagogen heel erg gaan richten op een soort klinische invalshoek, op psychosociale problemen, en mijn pleidooi is dat wij ons in al die sectoren veel meer ook zouden moeten richten op competenties die je nodig heb om je in een democratische, open en vrije samenleving te bewegen.’
RESPECT!
Een zekere mate van tolerantie is volgens De Winter een basisvoorwaarde om met elkaar te kunnen samenleven in een diverse samenleving. Maar als je jonge kinderen hun gang laat gaan en hen daarin niet begeleidt, komt die tolerantie niet vanzelf tot stand.
Respect noemt hij het meest misbruikte woord van dit moment. ‘Ik zag pas op de speelplaats van een lagere school twee heel kleine jongetjes die blijkbaar ruzie hadden. Ze stonden met de koppen tegen elkaar en de handen omhoog en riepen tegen elkaar: “Respect!”. Respect heeft verschillende betekenissen. In de code van de straat betekent het iets volstrekt anders dan het type respect dat je in een democratie nodig hebt. Respect op straat betekent dat je bereid bent om geweld te gebruiken. Respect dwing je daar af. Ik zag een promotiefilm voor het vmbo, waarin jongeren een rap deden, die eindigde met de prachtige woorden: “Krijg allemaal de tering, wij eisen respect!” Dat is “respect” in de straattaal, waar veel kinderen mee opgroeien. Vervolgens willen wij dat diezelfde kinderen in het openbare leven op een veel humanere, democratischer manier met respect omgaan.’
PEDAGOGEN VOOR DEMOCRATIE
De Winter stelt dat pedagogen weer veel meer zouden moeten gaan nadenken wat nou eigenlijk het doel van opvoeding, onderwijs en jeugdbeleid moet zijn in deze tijd. In zijn ogen is dat, naast het individuele belang, het belang van de democratie, van de democratische rechtsstaat. De democratie is niet vanzelfsprekend en wordt bedreigd door individualisme en fundamentalisme. ‘De enige manier waarop je de democratie kunt verdedigen is via opvoeding en onderwijs, want je kunt de democratische manier van leven niet afdwingen. Je moet jonge burgers enthousiast, bereid en compentent proberen te maken voor dat democratische leven. En daarom mijn pleidooi om ook als pedagogen heel actief te zijn, of je nu werkt in een praktijk voor psychosociale zorg, de gezinsondersteuning of het onderwijs. Om veel nadrukkelijker dan tot nu toe de vanzelfsprekendheden te verlaten en te gaan nadenken over hoe wij jonge en oudere kinderen kunnen begeleiden en stimuleren om zich die democratische vaardigheden, kennis, competenties en houdingen eigen te maken.’
RINKE BOK
Deze tekst is gebaseerd op de door Micha de Winter uitgesproken inleiding op het NVO-congres van 10 maart 2006
*Micha de Winter, Thomas Schillemans, Rienk Janssens (redactie)
ISBN: 90 6665 741 3
VERANDERT NEDERLAND IN DWINGELAND?
Verandert Nederland in Dwingeland? Dat was de vraag die PROF.DR.PAUL SCHNABEL,
directeur Sociaal en Cultureel Planbureau zichzelf en zijn gehoor stelde tijdens het NVO-congres ‘Mores leren: opvoeden in een veranderende samenleving’, op 10 maart 2006. ‘Lange tenen, korte lontjes en botte bijlen’ was de ondertitel van zijn inleiding. Hieronder valt een enigszins verkorte weergave van zijn betoog te lezen.
MORES LEREN
De titel ‘Mores leren’, voor een congres van pedagogen vond ik inspirerend. In de wandeling betekent ‘mores leren’ een kind nogal hardhandig tot de orde roepen. Ik vroeg me af: kon ik een beeld geven van wat er in ons land aan de hand is, dat ook voor deze beroepsgroep geldt? Dit is een land geworden van lange tenen en ‘korte lontjes’, zoals de SIRE-reclame zegt. Ongeduldig, meteen boos, meteen agressief, meteen een gevoel tekortgedaan te worden, geen respect betoond te krijgen.
Dat laatste is een omkering ten opzichte van vroeger: toen was respect iets dat je opbracht, nu is het iets dat geëist wordt. En hoe jonger je bent, hoe meer respect je vraagt. Ook dat is een omkering. De botte bijlen, de snelle oplossingen, de harde maatregelen: ‘Stop ze in een kamp!’. Opeens hoor je dingen, waarvan het maar een paar jaar geleden ondenkbaar was dat ze serieus als opties zouden worden besproken. Het zijn tekenen van de tijd, van een samenleving waarin een soort ongeduldigheid of soort korzeligheid de overhand heeft gekregen. Is Nederland in een soort Dwingeland aan het veranderen?
STEMMINGVERANDERINGEN IN NEDERLAND ROND 2000
Het jaar 2000 was voor ons het mooiste jaar tot nu toe. Iedereen keek naar Nederland en het poldermodel. Nederland als succes-story en voorbeeldland, met hoge welvaart, heel lage werkeloosheid en een overschot op de begroting. Niemand voorzag de razendsnelle opkomst van Pim Fortuyn. Wat je ook niet kon voorzien, was dat het ongenoegen, dat wij al meer dan tien jaar daarvoor als onderstroom konden meten, plotseling veel sterker het beeld zou gaan bepalen.
Het probleem was dat dit ongenoegen, dat al heel lang bij zo’n 15% tot 20% van de bevolking te meten was, volkomen diffuus was. Er was geen politieke partij die er succesvol op kon inspelen. De Centrumdemocraten en dat soort partijen schoten er volkomen aan voorbij.
Er was geen krant en geen radio- en televisieomroep die zich ervoor inzette. Het was dus een wereld waar ongenoegen wel zichtbaar werd in enquêtes, maar waar voor dat ongenoegen geen ‘voice’ was.
En dan gebeurt er een wondertje: Pim Fortuyn lukt het die mensen wel een stem te geven. Hij slaagde erin die onderstroom naar boven te halen en die met de succesvolle ondernemers van de jaren negentig te verbinden. Daardoor kreeg die onderstroom het gevoel dat ze niet uit louter loosers bestond, maar integendeel uit de ijverigste, hardst werkende Nederlanders. Juist die verbinding is zo succesvol geweest en heeft steeds meer het maatschappelijk klimaat bepaald. We zien dus een omslag in Nederland van een heel grote tevredenheid eind jaren negentig bij zo’n 80% van de bevolking naar veel meer ongenoegen: met de politiek, met de samenleving, eigenlijk met alles, behalve het eigen leven.
DE SPAGAAT VAN
DE 21E EEUW
Nederland, Zwitserland en Denemarken waren altijd typisch landen waar een grote mate van vertrouwen tussen bevolking en politiek bestond. Dat is in ons land in heel korte tijd omgeklapt naar een gevoel van wantrouwen. Ook is er sprake van een accentverschuiving van inzet voor de samenleving naar puur eigenbelang en van een overgang van een meer idealistische naar een veel cynischer houding. Dat zie je ook in de media, die niet zozeer links, als wel structureel kritisch zijn geworden: alles wat met gezag, macht of positie bekleed is wordt heel kritisch en wantrouwend bezien.
De keerzijde van het cynisme is een hang naar het verleden, naar het idealiseren van vooral de jaren vijftig als de belichamingen van wat nu gemist wordt: de sociale cohesie, de solidariteit, het echte ‘Nederlandse’.
De ontevredenheid met de huidige samenleving staat in het persoonlijke leven een grote tevredenheid allerminst in de weg.
Het SCP heeft Nederlanders in 2004 gevraagd hoe ze tegen de Nederlandse samenleving aankeken, 50% van hen geeft het rapportcijfer 5 of minder. Voor 1999 deed dat maar 7% van de Nederlanders. Dat is dus in korte tijd een enorme verschuiving in de negatieve richting.
De tweede vraag was of de Nederlanders tevreden zijn met hun eigen leven, en daar bleek dat 81% zeer tevreden is en 88% zelfs gelukkig. We zien een spagaat: de samenleving deugt niet, maar met mij is alles in orde, met mijn gezondheid, met mijn inkomen, met mijn huis, met mijn familie, enzovoorts. Het is een samenleving die in veel opzichten angstig is. Al dat moois kan mij allemaal afgepakt worden: de welvaart, het geluk, de vanzelfsprekendheid, de veiligheid. We zitten in een situatie dat we zoeken naar een hard-van-buiten-zacht-van-binnen-samenleving. Dat past bij die botte bijl en die korte lontjes. Nederland als een soort fort dat zijn rug naar de wereld draait en zich naar binnen keert. Binnen is het gezellig en warm: de jaren vijftig. Buiten is het vervelend en gevaarlijk en die gevaren en vreemdelingen moeten vooral het geluk binnen niet komen bederven.
HOOP VOOR DE TOEKOMST VAN NEDERLAND
We waren verrast, toen we de mensen vroegen: ‘Wat zou u nu hopen voor Nederland voor de toekomst, wat zou goed zijn als het veranderde?’ Er kwam dit beeld uit: Een kwart van de mensen wil vooral meer solidariteit. 23% koos ook voor meer veiligheid, en een zelfde percentage koos voor het herstel van normen en waarden. Het gaat dus om dat soort dingen: normen en waarden, het algemeen belang wat sterker neerzetten.
We hebben de respondenten vervolgens vier toekomstbeelden van de samenleving voorgelegd, die we geen namen gaven, maar kort omschreven. Eén ervan was het beeld van de Amerikaanse samenleving: individualistisch, prestatiegericht, maar succes wordt beloond. Als contrapunt was er de Nederlandse samenleving van de jaren vijftig met een sterk gevoel voor gemeenschapszin. De richting die Nederlanders het meest waarnamen, de richting naar een prestatiemaatschappij, bleken zij tegelijkertijd het meest af te wijzen. Wat ze wilden was vooral die samenleving met gevoel voor gemeenschapszin. In de afgelopen weken is opnieuw zo’n onderzoek gedaan en het oordeel is weer precies hetzelfde. Mensen willen iets terugvinden van een samenleving waarvan ze het idee hebben dat hij er vroeger wel was en waar ze erg naar terugverlangen. Toch weer ‘de jaren vijftig’ dus.
DE GROTE LIJNEN VAN DE VERANDERINGEN IN DE SAMENLEVING
De grote veranderingen in onze samenleving kun je met vijf i’s omschrijven: Individualisering, Informalisering, Internationalisering, Informatisering en Intensivering. Het gaat om grote, historische processen, waarvan sommige zich al lange tijd manifesteren en andere pas recent in ontwikkeling zijn. Ze manifesteren zich steeds op nieuwe, onvoorspelbare manieren, maar bepalen wel het beeld van onze samenleving. Individualisering houdt in: je leven als project zien, zelf keuzes moeten maken, zelf je leven vorm moeten geven. Dat is de opdracht die we hebben en die we aan kinderen geven. Maar als proces in de samenleving heeft individualisering ook een aantal nadelen. Men vindt het bijvoorbeeld niet meer aanvaardbaar dat de sociale omgeving correctief optreedt. Vroeger hadden buren, ooms en tantes een sterke sociale controlefunctie voor kinderen. Dat is nu geïndividualiseerd: alleen de ouders kunnen dat nog doen. Voor anderen, ook onderwijzers, is dat heel moeilijk geworden. Grote kans dat de ouders in zo’n geval even langs komen om de onderwijzer te ‘corrigeren’. Minder sociale controle en meer assertiviteit: ‘Ik laat mij niets gezeggen en niemand heeft mij de wet voor te schrijven!’
Informalisering in onze samenleving: dat is niet alleen het ‘je’ en ‘jij’ zeggen, maar ook het verval van de structuren van de traditionele organisaties in onze samenleving zoals kerken en vakbonden, maar ook scholen, verenigingen en zelfs ouders. Informalisering leidt tot meer problemen met aanvaarding en uitoefening van gezag. Degenen die gezag dragen vinden het ook moeilijker om zich als gezagsdrager te gedragen. De Supernanny-uitzendingen over hoe je weer gezag moet uitoefenen over je kinderen laten dat zien, maar ook alle uitzendingen over verkeersovertreders, met al die brave verkeersagenten die bij de automobilist neerknielen om hem vanuit ooghoogte vaderlijk toe te spreken. Zó begripvol, zó empathisch! Als je die programma’s naast elkaar zet, zie je steeds dezelfde benadering van mensen. Het gezag niet vanuit een autoriteitspositie uitoefenen, maar maken dat het functioneel gezag is dat vooral de agressie niet mag bevorderen.
Dan is er de internationalisering van onze samenleving, de integratieproblematiek van mensen uit andere culturen die naar Nederland komen, de acceptatie van andere culturen en andere gewoonten. In 30 jaar tijd is het aandeel niet-westerse allochtonen in de Nederlandse bevolking gestegen van 1,5% tot meer dan 10%, in steden als Amsterdam en Rotterdam zelfs tot ongeveer 35%. Dat levert over en weer grote aanpassingsproblemen op, die zich met name in de jongste generaties scherp doen gevoelen. Over informatisering wil ik in dit kader niet meer zeggen dan dat het een nieuw en belangrijk onderscheid heeft gecreëerd tussen de er als vanzelfsprekend mee levende jonge generaties en iedereen voor wie het een nieuw gegeven in het leven betekende. De intensivering van de samenleving is de enige ‘i’ waar juist de beleidswereld weinig mee lijkt te kunnen. Intensivering van het bestaan betekent niet alleen dat er meer in dat bestaan gebeurt, maar ook dat het bestaan vanuit de emotie geleefd wordt en dat de emotie moreel gezag heeft gekregen: ‘Ik word boos.’ Vroeger zou je zeggen: ‘Even naar buiten, dan gaat het wel weer over’. Nu is het een claim die zegt: ‘Ik heb gelijk’. De intensiteit van de beleving wordt gekoppeld aan authenticiteit, en authenticiteit verbindt zich met individualisering en is er de beste en hoogst gewaardeerde uitdrukking van. Wat echt is, heeft waarheidsaanspraak gekregen. Dat geeft problemen in een samenleving, die juist verwacht dat mensen voorzichtiger met elkaar omgaan. Het boos worden is één van de meest overtuigende emoties die we nog hebben. Het morele gelijk van een gevoel weegt heel zwaar in onze samenleving. In de politiek, maar ook in het dagelijkse leven. En het is heel moeilijk gebleken om daarmee om te gaan. De intensiteit – in de zin van een druk en vol bestaan – wordt op scholen gevoeld in een gebrek aan concentratievermogen en het zoeken naar wat leuk en afwisselend is of als zodanig kan worden gebracht.
EFFECT VAN INDIVIDUALISERING OP HUISHOUDENS
Individualisering zien we in de enorme groei van het aantal huishoudens. We hebben nu ruim zeven miljoen huishoudens in Nederland, bestaande uit gemiddeld 2,2 mensen. Meer dan een derde van het aantal huishoudens in Nederland bestaat maar uit één persoon, dat is de snelst groeiende groep. Een derde van de huishoudens bestaat uit twee personen, de ‘parenhuishoudens’, en een derde uit één of twee personen met kinderen. Dat is nog wel het grootste deel van de Nederlandse bevolking, maar het aandeel slinkt. In een stad als Amsterdam of Den Haag is elke tweede voordeur de entree voor maar één persoon. De sociale cohesie en de sociale controle worden daardoor ook fysiek al ingewikkelder, omdat er veel minder betrokkenheid tussen mensen is.
Hetzelfde zien we in de huishoudens waar de individualisering zelf zich ook doorzet. In onze centraal verwarmde huizen, waar alle kamers van alles voorzien zijn, waar bijna nooit meer kinderen kamers hoeven te delen, zie je dat levens enorm gescheiden gaan worden. Dat hoeft helemaal geen probleem te zijn, maar het kan wel tot problemen leiden. Ook kinderen zijn nu al vanaf de geboorte gewend om als individu behandeld te worden en een sterk besef van de eigen bijzonderheid als individu te ontwikkelen. De eisen van de groep zijn daar ondergeschikt aan en wanneer dat niet lukt of kan, geeft dat vaak aanleiding tot grote gedrags- en aanpassingsproblemen.
100.000–150.000 KINDEREN MET PROBLEMEN
Hoe gaat het nu met de kinderen? We hebben daar onderzoek naar gedaan, zie de boeken Kinderen in Nederland1, Ouders over opvoeding en onderwijs2 en Hoe het werkt met kinderen3. Een groot onderzoek ging over kinderen tussen nul en twaalf jaar. Uit de verhalen van de kinderen zelf, en die van ouders, hulpverleners en onderwijzers blijkt dat er met 85% van de kinderen in principe niks aan de hand is. 12% heeft langdurige fysieke ziektes, aandoeningen of handicaps, en de helft van die kinderen wordt daar echt door belemmerd. 5% van de kinderen heeft duidelijk psychosociale problemen en 3% van de kinderen heeft dat in ernstige mate. Dat is vooral bij jongens in die leeftijdsgroep het geval, met name in de vorm van gedragsproblemen. Het blijkt wel dat ouders wat minder problemen zien dan hulpverleners. Niettemin zegt 5% van de ouders zelf ernstige opvoedproblemen te hebben. 6% van de ouders zegt dat ze de opvoeding moeilijk en zwaar vinden en er vaak geen gat meer in zien.
Met het grootste deel van de kinderen gaat het dus goed, maar in aantallen omgerekend gaat het bij zo’n 5%–6% van de kinderen met problemen toch om een groep van tussen de 100- en 150.000 kinderen. Kwantitatief is dat voor de hulpverlening dus toch een grote groep. Het risico op problemen neemt toe naarmate het meer gaat om eenoudergezinnen, om gezinnen met lage inkomens, met lage opleidingen en om allochtone gezinnen. Voor een deel overlappen die groepen elkaar sterk.
We hebben ook onderzoek gedaan onder jongeren van twaalf tot vierentwintig jaar. Die jongeren hebben we allemaal zelf kunnen spreken. Ook zij zeggen in het algemeen gelukkig, tot zelfs erg gelukkig te zijn. 84% zei tevreden te zijn over de opvoeding die ze hebben gehad (en dat zeiden ze zonder dat hun ouders erbij zaten). 97% heeft elke week meerdere malen contact met vrienden.
64% geeft het leven een rapportcijfer van minstens een 8.
Degenen die niet gelukkig zijn vormen vrij kleine aantallen, maar het is wel weer 11% die het eigen leven niet zo erg succesvol vindt en zichzelf als rapportcijfer een 5 of minder geeft. De groep kinderen met wie het structureel echt niet goed gaat in het leven is relatief klein, maar in absolute aantallen toch weer groot.
EIGEN TV
Ook materieel gaat het gemiddeld goed met die kinderen. De ‘gezins-Nederlanders’, vooral als ze autochtonen zijn, wonen in het algemeen heel riant.
72% van de gezinnen met kinderen woont in een koopwoning (voor heel Nederland geldt dat voor 54%). Bijna alle kinderen wonen toch nog in een twee-oudergezin, ook al wordt vaak gedacht dat dat niet meer het geval is.
Het zijn vooral de allochtonen in de steden die het minst comfortabel en het kleinst wonen; de grootste gezinnen wonen altijd in de kleinste huizen. Ze zitten meestal in een huurflat met heel weinig ruimtemogelijkheden voor de kinderen.
En dan de individualisering. De kinderen hebben alles zelf: mobieltje, computer (een paar jaar geleden lag dat al ver boven de 90%), eigen tv (ruim 75%), en van de twintig- tot vierentwintigjarigen heeft de helft al een eigen auto.
Elk jaar zijn er meer kinderen die opgroeien met de scheiding van een ouderbadkamer en een kinderbadkamer. Ook daar zie je de individualisering die zich doorzet in de huishoudens: de scheiding van de levenssferen.
Van de twaalf- tot veertienjarigen heeft 29% al een bijbaantje, van vijftien tot negentien is dat de helft en 17% werkt al volledig. Bij twintig tot vierentwintig jaar heeft 30% een bijbaantje en werkt bijna 60% al volledig. Het vroeg aan de slag gaan is standaard geworden. Verder: er wordt fors gedronken, steeds meer en steeds vroeger wordt er gerookt en hasj wordt ook vrij veel gebruikt. Riskante gewoonten, die het meest voorkomen bij kinderen die er toch al niet zo goed aan toe zijn.
HOE HET WERKT MET KINDEREN
Kort geleden hebben we het onderzoek Hoe het werkt met kinderen gepresenteerd, over werkende moeders met kinderen tot 12 jaar en kinderopvang. In de gesprekken met de moeders komen de vaders niet naar voren als relevante partij bij de opvang van kinderen. De vaders moeten er wél wat aan doen, maar ze hebben er weinig over te zeggen. Tot in de jaren tachtig was het in Nederland niet gewoon dat moeders aan het werk waren, zeker niet als de kinderen nog klein waren. Tot in de jaren zestig werkte zelfs zo’n 95% van de vrouwen niet na het huwelijk. Als ze wel werkten, was dat meestal in het eigen bedrijf, boerderij of winkel bijvoorbeeld. Dat is allemaal veranderd. Een tijdlang was het beeld: vrouwen blijven werken tot er kinderen komen en gaan weer werken als de kinderen naar de middelbare school of naar het tweede deel van de lagere school gaan. Het grootste deel blijft nu werken, maar wel in deeltijd. Nederland is kampioen deeltijdwerken van de wereld.
Van de moeders met kinderen tot en met twaalf jaar werkt 67%, de helft 13 tot 24 uur per week, een kwart meer, een kwart minder. Bij gezinnen met kinderen komt het in Nederland maar heel weinig voor dat beide partners fulltime werken. Maar van de werkende moeders heeft een kwart geen enkele vorm van kinderopvang, ook als de kinderen nog geen drie jaar oud zijn. Kinderopvang wordt bijvoorbeeld geregeld via afspraken met de mannen of via de werktijden van de moeder. Bij de moeders met schoolgaande kinderen heeft 60% helemaal geen kinderopvang.
KINDEROPVANG: OPA EN OMA BLIJVEN FAVORIET
Er wordt wel eens gezegd dat door de vorming van het kerngezin en de individualisering die generatielijnen niet zo belangrijk meer zijn, maar ze zijn nog altijd extreem belangrijk. De wereld van het gezin en de familie is wel smaller geworden, maar de bindingen tussen de generaties zijn eerder sterker dan zwakker geworden. Ze zijn ook veel positiever getoonzet dan vroeger, veel minder afstandelijk.
Dus, waar willen ouders hun kinderen het liefst laten, als het moet? Bij de eigen ouders of schoonouders. En die willen het vaak ook heel graag. Dat is één van de redenen waarom het prepensioen in Nederland zo populair is. Ouders kunnen hún kinderen dan nog van dienst zijn in het opbouwen van een gezin en carrière. Ze zijn zelf nog jong genoeg om met plezier de zorg voor kleinkinderen op zich nemen.
In de meeste gevallen vinden de ouders, met name de moeders, overigens dat kinderopvang niet meer dan maximaal twee dagen in de week mag zijn.
In tegenstelling tot wat gedacht wordt, vindt men die formele opvang wel duur, maar slechts voor weinig mensen zijn de kosten een belemmering. Dat men er weinig gebruik van maakt, komt doordat men het niet wíl. Er is op dit moment voldoende capaciteit aan formele kinderopvang.
Ik ben een beetje ambivalent over de Nederlandse gezinscultuur, want ik weet ook wel dat er in Nederland meer mensen meer jaren en meer uren per week aan het werk moeten. Ik weet dat vrouwen meer aan de arbeid zouden moeten gaan en dat de verdeling met betrekking tot arbeid en zorg tussen mannen en vrouwen nog heel veel te wensen overlaat.
Toch vind ik het begrijpelijk en ook wel mooi dat zoveel moeders blijven zeggen: ‘Ik wíl de opvoeding helemaal niet uit handen geven, ik vínd niet alleen dat ik het zelf moet doen, maar ik wíl het ook doen.’
Ik kan dat niet slecht vinden, terwijl ik weet dat ik uit economisch oogpunt zou moeten zeggen: Daar gaan wij nog spijt van krijgen. De kinderen in ieder geval niet, hoop ik.
PAUL SCHNABEL
1. Elke Zeijl, Matty Crone, Karin Wiefferink, Saskia Keuzenkamp, Menno Reijneveld: ‘Kinderen in Nederland’ SCP 2005/4 http://www.scp.nl/boeken/9037702090.shtml
2. Lex Herweijer, Ria Vogels: ‘Ouders over opvoeding en onderwijs’, SCP 2004/20 http://www.scp.nl/boeken/9037701582.shtml
3. Wil Portegijs, Mariëlle Cloïn, Ingrid Ooms, Evelien Eggink: ‘Hoe werkt het met kinderen.’ SCP 2006/5 http://www.scp.nl/publicaties/boeken/9037702384.shtml
Voor de algemene beschouwing en de vijf ‘i’s zie ook:
– Sociaal en Cultureel Rapport 2004. In het zicht van de toekomst – Den Haag, SCP, 2004.