Pleidooi voor zo gewoon mogelijke opvoedsituaties, juist in coronatijd

Zondag 18 oktober. Vanuit ons pedagogisch perspectief pleitten we als NVO altijd al voor normaliseren. Ook in moeilijke opvoedings- en ontwikkelingssituaties zetten pedagogen zich, altijd samen met alle betrokkenen bij die opvoeding en heel vaak domeinoverstijgend met andere professionals, in om een zo gewoon mogelijke opvoedingssituatie te behouden of te creëren. We zien dat dat uitgangspunt steeds breder wordt omarmd en in diverse domeinen concreet vorm krijgt. De tweede coronagolf geeft daar extra betekenis aan.

In het programma Buitenhof pleitte kinder- en jeugdpsychiater Arne Popma, zij het in andere bewoordingen, ook voor het behoud van een zo gewoon mogelijke opvoedingssituatie voor kinderen en jongeren. Als NVO stelden we, samen met andere beroepsgroepen die meedoen aan het programma Zorg voor de Jeugd, enkele weken geleden een manifest op: https://voordejeugd.nl/nieuws/groep-jeugdexperts-doet-oproep-maak-specifiek-coronabeleid-voor-kinderen-en-jongeren/.Juist voor kwetsbare jongeren is het belangrijk dat hun reguliere leven zo veel mogelijk door gaat, door naar school te gaan, te blijven sporten en deel te blijven nemen aan andere activiteiten. Er is nog een tweede reden om dat te doen en dat is dat kwetsbare kinderen in beeld blijven, eerst en vooral bij diégenen die informele steun bieden. In de eerste coronagolf, toen de scholen waren gesloten, hebben we voorbeelden gezien van leerkrachten die alles op alles zetten om alle leerlingen in het vizier te houden en hen zo nodig thuis bezochten. Hoewel we op een gegeven moment als samenleving leerlingen ‘kwijt’ waren, heeft dat ongetwijfeld voorkomen dat het er veel méér waren.

Dat pleidooi voor normaliseren zien we ook in de ouderen- en gehandicaptenzorg. De isolatie daar, in de eerste golf, heeft ons aangegrepen. Vandaar dat er nu manifesten rondgaan die ervoor pleiten het virus te isoleren, niet de mensen. Dat is een uitdaging, maar ook daarover hebben we natuurlijk wel het een en ander geleerd van de eerste coronagolf.

Het pleidooi van Arne Popma voor het behoud en benutten van informele steun roept ook vragen op. Toevallig sprak ik iemand die met vrijwilligers activiteiten verzorgt voor gehandicapten; aan de ene kant vallen vrijwilligers uit, omdat ze zelf bang zijn besmet te raken. Aan de andere kant melden nieuwe mensen, die al dan niet tijdelijk als gevolg van de coronacrisis thuis zijn komen te zitten, zich aan. Voor degene die ik sprak leek het gesneden koek om nieuwe vrijwilligers te toetsen op geschiktheid (hoewel zij dat beslist niet digitaal wilde doen) en in te werken. Maar we weten dat het voor veel professionals, ook voor onze achterban, relatief nieuw is om, juist bij kwetsbare groepen, te werken met en te vertrouwen op mensen die informele steun verlenen.  Het is belangrijk dat professionals zich daarin, in de opleidingen, in bij- en nascholing en op de werkplek, bekwamen.

Normaliseren doen we overigens ook als bureau. Eén van mijn zorgen is dat we, doordat spontane ontmoetingen en discussies wegvallen, minder innovatief zijn of worden. Maar afgelopen week had ik een paar digitale ontmoetingen, met collega’s en met leden, die sprankelend waren en tot nieuwe ideeën en nieuwe verbindingen leidden. Zo willen we in de maand dat het basisorthopedagogencongres online is, van half november tot half december, onze masters extra in het zonnetje zetten. Met een ‘mastermaand’. En wat hielp het gesprek met het Kwaliteitsregister Paramedici voor ideeën over hoe u straks nog meer uit ons NVO-Kwaliteitsregister haalt. Geweldig trouwens, een klankbordgroep van ca. 60 leden die met ons meedenkt en die heel snel reageert op korte peilingen over hun mening en ideeën.

M