Pedagogiek is overal en de eenheid van het veld

Zondag 11 februari. Pedagogiek is overal; als directeur van de NVO hoor ik dat te weten. Toch werd ik afgelopen week, overigens buiten die hoedanigheid, weer met mijn neus op de feiten gedrukt. Lees maar. Het thema van deze week is netwerken. Bij de situaties die ik hierboven aanduid. Bínnen de NVO rondom de OG in de BIG. Deels ook in verband van P3NL. De voorzitters van onze netwerken kwamen maandagavond bij elkaar en deelden met ons waar zij behoefte aan hebben. Zoals elkaar digitaal nog beter kunnen ontmoeten, acties kunnen opzetten en kennis delen. Daar konden we een paar dagen later al iets mee in ons overleg met onze websitebouwer. We spraken met de voorzitter van het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) ter voorbereiding van een ‘heidag’ die SKJ en de drie betreffende beroepsverenigingen over een paar weken hebben. En met bestuur van de Verenging voor Gehandicaptenzorg overlegden we uitgebreid over richtlijnen en over krapte op de arbeidsmarkt die in het domein gehandicaptenzorg ontstaat.

Déze week is het passend om te beginnen met zaken búiten de NVO. Vorige week overleed een jonge man, die ik zijn hele leven kende; van verjaardagen en zo. Hij was 27 jaar. En hij werkte een paar maanden op het secretariaat van de NVO, toen we daar handjes nodig hadden. Dat was in een periode dat hij hersteld was van een operatie en waarin we hoopten dat het in ieder geval fysiek weer goed met hem zou komen. Psychisch was een ander verhaal. Hij was heel intelligent, maar kreeg tot twee keer toe een negatief studieadvies voor een lerarenopleiding. Vanwege een gebrek aan communicatieve en sociale vaardigheden. Toen hij bij de NVO kwam werken lag zijn toekomstperspectief in duigen en miste hij structuur. Fysiek kwam het niet goed. Psychisch, dat is nog maar de vraag. Zijn dood leidde tot honderden reacties van over de hele wereld. Zijn sociale netwerk was enorm. Zijn begrafenis had ik niet willen missen; die was, ondanks het feit dat deze situatie door merg en been gaat, verrijkend. En heeft me aan het denken gezet over of en zo ja hoe de NVO en zeker ook ikzelf hem én onszelf beter hadden kunnen begeleiden. Daar hadden we een pedagoog voor moeten inzetten.

Nog zoiets: afgelopen week had ik een zitting van de geschillencommissie passend onderwijs. Een jochie, een kleuter nog, gaat op zijn vierde naar een gewone basisschool. Hij is vermoedelijk wat kwetsbaar; wat we hier een ‘voorschool’ zouden noemen, in België, geeft daar wat signalen van. Hij wordt erg gepest door een paar kinderen van vermoedelijk wat we een multiproblem-gezin noemen. Daar heeft hij ook buiten school last van, want het gezin woont schuin aan de overkant. Zijn alleenstaande moeder haalt hem van school en plaatst hem op een andere school, die in hetzelfde gebouw is gevestigd. Het pesten gaat door en de kleuter ontwikkelt een gedrag waar de school niet blij mee is. Hoe ernstig dat gedrag is uit de stukken en de zitting moeilijk te beoordelen. Tegen de zin van zijn moeder krijgt de kleuter een indicatie voor het speciaal onderwijs. Moeder ontwikkelt zelf psychische klachten als gevolg van de situatie. Maar de kleuter heeft een opa. Die opa komt voor hen op, de opa is aanwezig op de zitting in plaats van de zieke moeder, de opa heeft moeder en zoon in huis gehaald, zodat ze uit de straat weg zijn, de opa dient een klacht in bij het samenwerkingsverband, de opa is bereid om -als er toch een reguliere basisschool wordt gevonden, die verder weg ligt- als taxichauffeur te fungeren. Opa verbindt op de zitting alle partijen. Waarschijnlijk gaat deze situatie goed komen zonder dat onze uitspraak daar een rol in speelt. Opa is een pedagoog, al is hij daarvoor helemaal niet opgeleid Maar wat nou als deze kleuter geen opa had gehad?

En dan toch nog even het gewone werk. Als bureau zijn wij een spil in een netwerk van leden en andere actoren die de positie van de orthopedagoog generalist aan het hart gaat. We informeren, verwerken commentaar, horen zelf nieuwe signalen uit het veld en weerhouden soms leden of anderen ervan de verdeeldheid in het veld nog groter te maken dan die is. Het is begrijpelijk dat we met z’n allen boos worden op wat er wel en niet over onze beroepsgroep wordt gezegd. Maar de verdeeldheid tussen de beroepsgroepen onderling (werkgevers is een heel ander verhaal, dat zult u komende week merken) schaadt ons allemaal, afzonderlijk en als geheel. Alles wat je aandacht geeft groeit. Daarom kiezen wij ervoor géén aandacht te geven aan alles wat een verdere verdeeldheid bevordert. Wij focussen ons op dat wat we willen dat groeit: onze eigen positie als beroepsgroep en de eenheid in het veld. In de hoop dat het uiteindelijk goed komt.

Tot volgende week,

M