OG in de BIG: meerdere basisberoepen naast elkaar? Vluchtelingenkinderen: pedagogische rapportages tegenover waarheidsvinding.

Zondag 26 maart. Het wetvoorstel dat opname van de OG in de BIG regelt, lijkt er nu toch echt aan te komen. We zijn in gesprek met  o.a. leden van P3NL over de duidelijkheid voor doorverwijzers en cliënten als er verschillende aanpalende beroepen zijn. De pool van pedagogen die rapportages maakt over vluchtelingenkinderen is aanzienlijk uitgebreid en gaat over twee weken de training volgen. Ondertussen denkt de NVO met het Expertisecentrum in Groningen mee over een ethisch-methodologisch vraagstuk.

Ergen in de komende weken zal het wetsvoorstel dat –ook- de opname van de OG in de BIG regelt, in internetconsultatie gaan. De fase daarna, het indienen bij de Raad van State, kan pas starten als er een nieuw kabinet is; een demissionair minister kan geen wetsvoorstel indienen. Als de OG wordt opgenomen in de Wet BIG komt er een basisberoep bij. Er zijn verenigingen die dat bezwaarlijk vinden; zij pleiten voor een structuur met één basisberoep zoals de artsen hebben. Argumentatie is dat de structuur voor doorverwijzers, zoals huisartsen, en cliënten anders onduidelijk wordt.

Maar waarom zou dat zo zijn? Patiënten is heel goed uit te leggen dat ze voor hun hart bij een cardioloog moeten zijn en voor hun longen bij een longarts. Dat zijn specialisten en geen basisartsen, maar de gemiddelde patiënt wéét vermoedelijk niet eens dat het beroep basisarts bestaat. In die zin is de ggz niet te vergelijken met de medische sector. Bij beroepsgroepen als fysiotherapeuten, ergotherapeuten en podologen zijn aanpalende beroepen kennelijk ook geen probleem.

Met een directeur van een collega-vereniging kwam ik afgelopen week tot de conclusie dat meerdere, aanpalende beroepen dus niet het probleem zijn. Wel mag van de beroepsgroep worden verwacht dat zij doorverwijzers en cliënten het verschil kan uitleggen.

Dé pedagoog bestaat niet; pedagogen werken in verschillende werkvelden, met uiteenlopende cliënten met uiteenlopende zorgbehoeften en met verschillende, wetenschappelijk verantwoorde, benaderingen. In al die variëteit kenmerken ze zich door hun focus op de opvoedingsrelatie en op ontwikkeling van kinderen, gehandicapten én hun opvoeders. Dat gaan we dus uitleggen! Eindeloos als het moet.

 

Onze hulp aan vluchtelingenkinderen gaat het tweede jaar in. Begin april gaat een nieuw cohort leden, dat op vrijwillige basis pedagogische rapportages opstelt, de training volgen en kan daarna aan de slag. Steeds meer advocaten tonen belangstelling voor de betekenis van het Verdrag van de Rechten van het Kind voor o.a. deze doelgroep. Het (laten) opstellen van pedagogische rapportages krijgt dan ook steeds meer bekendheid. Dat is een heel mooie ontwikkeling. Maar we stuiten ook op twee werkelijkheden: het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind regelt dat een oordeel onmogelijk is zonder dat het kind gezien en gehoord is. Datzelfde regelt onze beroepscode. Maar hoe geschoold een pedagoog ook is, hij kan niet om het feit heen dat herinneringen vertekend kunnen zijn of dat degene die hij onderzoekt de waarheid zelfs opzettelijk kan verdraaien. Het recht om je leven te verdedigen, kun je niemand ontnemen. Dat leidt tot een dilemma. Daarom gaan andere organisaties uit van ‘waarheidsvinding’ en trekken zij de betrouwbaarheid van pedagogische rapportages in twijfel als die niet lijken te stroken met feiten over de situatie van herkomst. Ook hier moeten we ons beroep en het kwaliteitssysteem van de NVO uitleggen. Maar dat lost het ethisch-methodologische dilemma niet op. Zou het invoeren van omgekeerde bewijslast een optie zijn? Bewijs maar dat er in het land van herkomst een veilig gezin en een goede school is, waar dít kind zich onbelemmerd gezond en optimaal kan ontwikkelen.

 

Tot volgende week,

M