Zondag 8 december. Maandagavond schoof ik aan bij een bestuurlijk overleg bij VWS over de toekomst van de Wet BIG. Intussen maken we als bureau overuren om alles te regelen wat er komt kijken bij de opname van onze beroepsgroep in de huidige wet BIG. Ik zou er eens college over moeten geven, zei ik laatst, maar half voor de grap. Het is zo’n veelzijdig proces en er komt zoveel bij kijken. Mede dankzij het onderzoek naar de praktijkondersteuner huisarts Jeugd in het Noorden van het land, dat vorige week uitkwam, legden we een mooie relatie met de beroepsverenging van de praktijkondersteuners van de huisartsen.

De manier waarop we in Nederland beroepen in de zorg reguleren kraakt in zijn voegen. Dat weten we als NVO al lang, maar de wet functioneert nou eenmaal zó dat je er in moet zijn opgenomen om bepaalde functies in die zorg te kunnen vervullen en bepaalde taken te kunnen verrichten. De wet is echter niet goed ingericht op samenwerking tussen professionals, op ketenrelaties en op professionals die wel een cruciale rol in de zorg vervullen maar niet of minder direct cliëntcontact te hebben. De Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving pleit er daarom voor om veel flexibeler met vakbekwaamheid om te gaan. Dat roept natuurlijk meteen ook allerlei vragen op; hoe toon je die vakbekwaamheid dan aan, hoe moeten werkgevers de weg in het bos dan vinden, hoe bekostigen we de zorg dan? Dat neemt niet weg dat wel moeten gaan onderzoeken hoe het anders moet. De minister van VWS wil, samen met het veld, komend half jaar de contouren schetsen van hoe het anders zou kunnen. Dat is heel ambitieus; er zijn enorme aantallen professionals en nog enormere groepen cliënten en patiënten bij betrokken. En er zijn grote gevoeligheden. Als NVO willen en zullen we graag meedenken, hoewel we in dit krachtenveld een relatief kleine actor zijn.

Intussen is er natuurlijk nog lang geen nieuwe wet (dat gaat echt nog jaren duren) en zijn we als NVO volop bezig met de opname van de orthopedagoog-generalist in de huidige wet BIG. En dat heeft heel wat voeten in de aarde. Afgelopen week konden we u berichten dat en hoe orthopedagogen-generalist zich vanaf 1 januari kunnen aanmelden. Zij hebben een jaar om dat te doen, maar ze mogen nog maar een half jaar de titel orthopedagoog-generalist voeren. Mocht de minister advies aan de beroepsgroep vragen over opleidingsinstellingen die zich willen laten aanwijzen, dan is er een beoordelingskader, een visitatiekader, nodig. Dat is er nog niet. Voor de BIG-tuchtcolleges zijn beroepsgenoten nodig en dat geldt ook voor mensen met een buitenlands diploma die zich als orthopedagoog-generalist willen laten inschrijven.  En last but not least: orthopedagogen-generalist kunnen zich inschrijven in ons NVO-Kwaliteitsregister. Net zoals bijna alle andere beroepen in de zorg betekent inschrijving in het verenigingsregister dat leden kunnen aantonen dat zij niet alleen werkervaring hebben, maar hun vakbekwaamheid ook bijhouden met deskundigheidsbevordering en intervisie. Dat is aanvullend op BIG-registratie, want het BIG-register vraagt daar niet naar als het om herregistratie gaat. Omdat veel van onze leden zich dat nog niet realiseren, vergt ook dat communicatie.

Afgelopen week ontdekte ik dat de huisartsen niet zo happig zijn op praktijkondersteuners die zich uitsluitend op jeugd richten; zij moeten breed inzetbaar zijn. Maar een orthopedagoog richt zich niet alleen op kinderen. Integendeel, die richt zich ook en juist op de ouders en andere opvoeders. En op volwassenen die zich in een afhankelijkheidsrelatie bevinden, zoals gehandicapten en ouderen. Dat was dan weer nieuw voor de beroepsorganisatie van praktijkondersteuners. Dat wederzijdse inzicht kan voor ons beiden én voor patiënten misschien weer iets betekenen. Dus gaan we beter afstemmen.

Natuurlijk bezocht Sinterklaas afgelopen week het NVO-bureau. Misschien is het als directeur een beetje onbescheiden om aan te halen wat die bejaarde bisschop van ons bureau vond, maar hij haalde aan wat een lid recent zei en daarom mag het misschien toch in dit weekbericht: hoe doet zo’n relatief klein bureau dit toch allemaal? Sinterklaas had géén idee, maar was er wel tevreden mee. Dus deelde hij letters uit…

Tot volgende week,

 

M