Kennis profileren in de Jeugdhulp en hoe erg is BIG-loos?

Zondag 7 oktober. De jeugdhulp kan beter door bestaande kennis beter te benutten en door nieuwe kennis systematisch te vergaren. Een uitdaging voor gedragswetenschappers en een vehikel om ons beter in positie te brengen bij gemeentes. De Raad voor de Kinderbescherming loopt tegen een aantal vraagstukken aan en door samen op te trekken kunnen wij als NVO helpen. Onverlet pleiten wij ervoor de orthopedagoog generalist op te nemen in de Wet BIG. Dat weerhoudt ons er niet van ironisch te reageren als collega-organisaties en opleiders BIG-loos-zijn als risicovol en beklagenswaardig presenteren. Binnenkort verschijnt er van mijn hand een column over.   

Eerlijk is eerlijk, we hebben het niet zelf bedacht. Anderen pleiten ervoor en spraken ons via Twitter ‘en plein public’ aan: de jeugdhulp moet en kan beter door kennis beter te benutten. Met kennis kunnen we trauma’s goed behandelen en o.a. daardoor kunnen we het aantal uithuisplaatsingen drastisch terug brengen. Als dat zo is en het zijn onze gedragswetenschappers die over die kennis beschikken, moeten zij op basis daarvan veel meer dan nu betrokken zijn bij de inrichting van zorg. Idealiter zitten ze aan tafel bij beleidsontwikkeling van gemeentes. Als NVO pakken we de handschoen op en versterken en verbinden we dat wat we tóch al deden de komende jaren tot een meer sturend en samenhangend programma. We zoeken daarbij graag de samenwerking met collega’s die ook gedragswetenschappers in de jeugdhulp vertegenwoordigen: het NIP en de NVgZp. U ziet dit straks terug in ons jaarplan en in ons meerjarenplan. Tijdens het ‘Kaderledendiner’, dat we in januari organiseren zal een ‘pitch’ en discussie over dit thema plaats vinden.

Al eerder spraken we met de Raad van de Kinderbescherming en afgelopen week vervolgden we dit overleg. De Raad wil graag uit ‘de eerste hand’ van onze leden horen hoe zij de beroepscode en het tuchtrecht ervaren en waarom zij dat veel minder angstwekkend lijken te vinden dan hun hbo-collega’s. Ook onze leden verschansen zich wel eens achter de beroepscode bij veranderingen in hun organisatie en in de beoogde werkwijze. Dat maakt hen niet altijd tot geliefde partners bij innovaties en dat is jammer. En dan de altijd terugkerende vraag: wie mag wat doen? Als NVO willen we graag denken in ‘Wie kán wat?’, in plaats van ‘Wie mág wat?’. We kunnen onze ogen echter niet sluiten voor het feit dat professionals en hun leidinggevenden in de praktijk worstelen met de vraag wie ze waarvoor kunnen en mogen inzetten. Daar moeten we iets mee. Ik denk zomaar dat dit in 2019 leidt tot een aantal activiteiten mét en vóór de Raad, die ons allemaal verder helpen.

BIG-loos zijn. In de ggz wordt het voorgesteld alsof het volstrekt onverantwoord is om met die status zorg te verlenen. Als NVO zijn we daar genuanceerd over. We streven er niet voor niets naar dat de orthopedagoog-generalist wordt opgenomen in de Wet BIG. De Wet BIG beoogt een kwaliteitswet te zijn, maar sluit de facto vakbekwame professionals uit. Die komen langs de zijlijn te staan en kunnen hun bijdrage niet leveren aan bijvoorbeeld de wachtlijstproblematiek. Dat was en is ons motief. De kwaliteit werd en wordt op verenigingsniveau prima geborgd. Door onze beroepscode, ons tuchtrecht, onze vakinhoudelijke richtlijnen en onze registraties. Dat geldt voor de orthopedagoog-generalist én voor de basisorthopedagoog. BIG-loos-zijn doet ons in dát opzicht dan weer niet zo veel. Vrijdagmorgen schreef ik er een column over. U leest hem binnenkort.

Denkt u aan het invullen van de vragenlijst OPen OGen

Tot volgende week,

M