Informele zorg of de kracht van het systeem

24 januari 2021. De kern van orthopedagogisch handelen stond deze week centraal. Maandag bij de expertmeeting, waar de NVO aan de lat stond, over informele steunfiguren. En over de vraag wat dat voor professionals betekent. Een tweede hoogtepuntwas de manier waarop de NVO-ledenraad donderdag sprak over herregistratie in onze NVO-Kwaliteitsregisters. Mag een orthopedagoog die bijvoorbeeld in de gehandicaptenzorg werkt en daar weinig direct cliëntencontact heeft of in het onderwijs en daar vooral leerkrachten ondersteunt in het omgaan met verschillen, zich herregisteren?

Informele zorg en de kracht van het systeem. Daar ging het maandag over, tijdens de expertmeeting. In meer algemene zin: hoe betrek je als professional het systeem, hoe betrek je dat systeem en de kracht ervan, ook als die kracht in eerste instantie ver te zoeken lijkt, hoe ga je om met je eigen professionele verantwoordelijkheid en risico’s? Stellen we wel écht de hulpvraag van de cliënt en diens systeem centraal? Hoe leer je, organisatiebreed, al deze vragen en vele andere, samen te beantwoorden? En ook specifieker: hebben we als professionals bewezen-effectieve programma’s voor informele steun wel voldoende op ons netvlies en kunnen we er voldoende mee werken? En by the way, werken met die programma’s is ook een manier om al doende zicht te krijgen op al die vragen die in de expertmeeting aan de orde kwamen.

Vrijdag vond de vierde en laatste expertmeeting in de reeks plaats; over randvoorwaarden. Daarna gaan de organiserende partijen, de branches in de jeugdhulp en de  direct betrokken beroepsverengingen, hun mind opmaken en een programmavoorstel opstellen. Ik kan me heel goed voorstellen dat informele zorg een plaats krijgt in de Toekomstagenda van de Zorg en in het Nationaal Actieplan Onderwijs na corona. Juist tijdens deze coronaperiode zou informele zorg overigens ook kunnen helpen. Dilemma is wel dat ook veel vrijwilligers of informele steunfiguren in deze periode soms terughoudender zijn.

De ledenraad kwam een keer extra bij elkaar, afgelopen donderdag. Directe aanleiding daarvoor was het bespreken van de manier waarop zij de tussentijdse evaluatie op hun eigen functioneren en misschien nog wel meer op hun rol in de verengingsstructuur, willen opzetten. Dat bespraken zij onderling. Maar die extra bijeenkomst bood ook gelegenheid om een uur lang met elkaar van gedachten te wisselen over kernwaarden van het orthopedagogisch handelen. En over de vraag wat wij als beroepsgroep zo essentieel vinden dat dat herregistratie in onze Kwaliteitsregisters legitimeert. Dat deden we, heel geanimeerd, door, met behulp van een mentimeter, zeven fictieve, concrete cases door te lopen. En dan kom je zomaar op heel fundamentele vragen: hoe belangrijk is direct cliëntcontact? Wanneer moet je wel en niet een kind en/of ouder echt hebben gesproken om een oordeel te vellen of een plan op te stellen? Is alleen diagnose en behandeling orthopedagogisch handelen of is het veel meer of misschien zelfs iets anders dan dat? Hoe weeg je samenwerking of coördinatie van andere professionals? Als het meer het om competenties gaat, hoe beoordeel je die dan? Het is nu nog niet primair aan de ledenraad om zich hierover uit te spreken; dat gaan nu eerst andere geledingen in de verenging doen. Maar de discussie illustreert wel heel goed waar het over gaat als we het hebben over een weinig aansprekende term als ‘normatief kader’. En dat wat is opgehaald bij leden van de ledenraad, die stuk voor stuk ook zelf orthopedagoog zijn, nemen we vanzelfsprekend mee.

De rest van mijn week was overigens ook van top tot teen gevuld; met een directeurenoverleg P3NL, met een directeurenoverleg FGZPt, met een overleg met de voorzitter van de universitaire Kamer voor Pedagogiek, met het voorbereiden van de bestuursvergadering van volgende week, met 101 andere dingen en…met jarig zijn šŸ˜Š

Tot volgende week

 

M