Een pedagogische alliantie tussen werkgevers en pedagogen?

Zondag 28 oktober. Mijn vingers begonnen te jeuken, de afgelopen weken. Hoe kunnen we onze ambitie om pedagogen meer ruimte te geven verbinden met de toenemende vraag of misschien wel druk op de arbeidsmarkt? Kunnen onze leden een rol spelen in innovatie van zorg en zo ja, wat is daarvoor nodig? Kunnen we een pedagogische alliantie -het thema van ons jaarlijkse congres Puur pedagogiek, dat dit jaar in maart plaats vindt- maken tussen werkgevers en onze beroepsgroep? De jeukende vingers tikten woensdag ons strategisch meerjarenplan en een operationalisering daarvan in ons jaarplan 2019. Samen met ‘kennis’ wordt de pedagogische alliantie met werkgevers één van de speerpunten van de komende jaren. Tenminste, als ons bestuur en onze Ledenraad de plannen vaststellen in de loop van de komende maanden.

Maar intussen beginnen we al met oriëntatie. Weten we eigenlijk wel wat werkgevers graag willen van onze beroepsgroep? Het onderzoek Open Ogen, dat nu onder onze eigen leden is uitgezet, breiden we daarom uit met een andere doelgroep: wat verwachten werkgevers van onze beroepsgroep, nu passend onderwijs, de Jeugdwet en de Wet Langdurige Zorg enkele jaren van kracht zijn. Tijdens Puur Pedagogiek, eind maart, worden de resultaten dan in één keer bekend gemaakt.

Afgelopen week hadden we ons jaarlijks overleg met het College van de FGZPt. Het werd een overleg dat ik als heel constructief heb ervaren. We wisselden van gedachten over de rol en positie van het College, en ook, veel belangrijker, over het project beroepenstructuur, waartoe we als NVO, samen met het NIP, de NVgZp en de NVP het initiatief namen. De maatschappelijke ontwikkelingen als wachtlijsten in de ggz, de verbreding van het domein van zorg naar jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ouderenzorg en verslavingszorg en last but not least het uitgaan van de zorgvraag van de cliënt leidt tot een heel ander gesprek dan voorheen. Er zijn ook terechte vragen bij het project: de focusgroepen van cliënten zijn eigenlijk te klein en te eenzijdig om conclusies uit te kunnen trekken. We wisten van tevoren dat we het bureau dat ons ondersteunt met een veel te grote opdracht in een veel te kort tijdsbestek gaven. Voor de inventarisatie hebben we een half jaar uitgetrokken en natuurlijk is dat veel te kort. Maar toch… zelfs als is deze analyse methodologisch nog zwak, de beelden lijken erg op de analyse van de commissie Meurs in 2015. Bovendien leiden die tot een veel fundamenteler gesprek tussen de beroepsgroepen over goede zorg dan ‘blokjes binnen het beroepengebouw verschuiven’.

Op een ander stuk van het speelveld is het intussen sprake van weer een heel andere dynamiek. De hoogleraren orthopedagogiek kwamen deze week bijeen in iets wat een ‘convent’ zal gaan worden. Ook hier gaat het over de eigen identiteit van het beroep orthopedagoog. Maar ook over de vraag of de universiteiten een ‘halfproduct’ neerzetten met de universitaire masters orthopedagogiek die zij afleveren. En over de vraag hoe wenselijk het is om het medisch model te volgen, waarin alleen specialisten vakbekwaam en dus bevoegd zijn. Is de zorg gebaat bij een stapeling aan kwalificaties, de kosten en de doorlooptijd die daarmee is gemoeid? Opnieuw de vraag ‘wie kán wat?’ in welke situatie? Natuurlijk is er soms specialistische hulp nodig en dan vaak hoe sneller, hoe beter. Maar variatie in pedagogische zorg is broodnodig; niet alleen over diverse domeinen, maar ook in kwalificaties. Hoe operationaliseren en legitimeren we dat?

Dat wordt er ook wel eentje voor het strategisch beleidsplan.

 

Tot volgende week,

 

M