'De' Armeense kinderen, de beroepenstructuur en een pedagogisch kader voor richtlijnen.

Zondag 9 september. Twee Armeense kinderen mogen blijven. Wat vinden en vonden de beroepsverenigingen? Dinsdag stelde het NVO-bestuur een pedagogisch kader vast als handvat voor de ontwikkeling en beoordeling van richtlijnen. En zou ‘Wie kán wat?’ een beter uitgangspunt zijn bij een nieuwe beroepenstructuur dan ‘Wie mág wat?’

We werden er als beroepsvereniging zo hier en daar op aangesproken: wat vindt de NVO van de hoogoplopende kwestie rond de dreigende uitzetting van de twee Armeense kinderen? De NVO is actief op het dossier vluchtelingenkinderen, o.a. door het opstellen van pedagogische rapportages voor kinderen als deze. We pleiten voor het hanteren van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind. We willen dat rapporten van deskundigen aantoonbaar worden meegewogen in besluitvorming over asielaanvragen. We staan achter een wetsvoorstel dat dit beter regelt. Lastig is dat de uitgangspunten en methodiek van het vreemdelingenrecht zó anders zijn dan de uitgangspunten van de Kinderrechten dat ze soms haaks op elkaar staan en onverenigbaar zijn. We hebben ons, in overleg met o.a. het NIP, echter niet inhoudelijk gemengd in de casus van deze twee kinderen; we kennen immers het dossier niet voldoende. 

Richtlijnen voor professionals. We zijn er op alle mogelijke manieren en op diverse werkvelden mee bezig. Leden die inhoudelijk deskundig zijn op een bepaald terrein, denk aan uithuisplaatsing, pleegzorg, (vecht)scheiding, werken mee aan de ontwikkeling van zo’n richtlijn, anderen beoordelen en adviseren het bestuur over autorisatie. Er zijn pedagogische uitgangspunten, die we, ongeacht waar een richtlijn betrekking op heeft, altijd van belang vinden om een richtlijn op te toetsen. Daarom ontwikkelden we een pedagogisch kader dat we onze leden kunnen meegeven als ze betrokken zijn bij de ontwikkeling of bij de beoordeling van een richtlijn. Het bestuur stelde dat kader afgelopen dinsdag vast.

We zijn nog maar nauwelijks op weg, maar wat een druk staat er op het project beroepenstructuur; wat betreft tijd (VWS zou liever vandaag dan morgen een uitkomst zien), wat betreft verwachtingen, wat betreft de wens van anderen om betrokken te worden. Dat laatste  gaat ook gebeuren; op zijn tijd en op de goede manier. We zijn nu bezig om een beeld te krijgen van het hele terrein waarop cliënten psychologische en pedagogische zorg kunnen krijgen; over de gehele levensloop en variërend van lichte  tot zeer intensieve zorg. We willen de cliënt centraal stellen, maar wat zijn goede vragen om cliënten te stellen? Neem mijzelf en iets vrij simpels: gescheurde achillespezen. Natuurlijk wil ik weer zo goed mogelijk kunnen lopen. Op internet kan ik van alles vinden. Vrij recent zei een arts dat een operatie tot 75% herstel kon brengen. Dat klonk smart en daar ging ik natuurlijk voor! Maar hoe weet ik of ik inmiddels op die 75% zit? Wat betekent 75% eigenlijk? Ik ben nog niet tevreden, maar hoe terecht is dat? En wil ik verder herstel, moet ik dan terug naar de orthopeed, naar een bewegingsarts, naar een fystiotherapeut? Of misschien een podoloog? Voor mij als patiënt is helemaal niet belangrijk wie wat mag. Wel wie wat kan. Zou dat een gedeeld uitgangspunt kunnen worden? Geef ons even de ruimte om over dat soort vragen van gedachten te wisselen....

Tot volgende week

M