Wie informeren bij zorgen over een broertje of zusje van een kind met een OTS: veilig thuis of de jeugdbeschermer?

Een pedagoog heeft verschillende meldrechten. Zo is er een meldrecht voor informatieverstrekking aan veilig thuis (volg daarbij de stappen van de meldcode) en aan de jeugdbeschermer (voorheen gezinsvoogd). Als er één kind is in een gezin, waar zorgen over zijn, dan is de weg helder: is er een OTS dan wordt er contact opgenomen met de jeugdbeschermer, is er geen OTS dan wordt er contact opgenomen met veilig thuis. Maar wat als er meerdere kinderen zijn in een gezin en voor één van die kinderen is een OTS uitgesproken. Wat is dan de beste werkwijze?

Een gecertificeerde instelling (jeugdbeschermer) is, net zoals veilig thuis, bevoegd om bij de raad voor de kinderbescherming een verzoek in te dienen om de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel te onderzoeken (art 3.1 lid 1 Jeugdwet). Informatieverstrekking aan de jeugdbeschermer kan dus hetzelfde resultaat hebben als informatie verstrekking aan Veilig Thuis. Er zit echter een verschil tussen het meldrecht aan Veilig Thuis en het meldrecht aan de jeugdbeschermer.

Het meldrecht aan Veilig Thuis betreft het melden van (een vermoeden van) kindermishandeling. Dat kan een vermoeden zijn betreffende 1 of meerdere kinderen in hetzelfde gezin.
Van belang daarbij is de stappen van de meldcode te doorlopen (artikel 12 lid 1 NVO beroepscode) en het afwegingskader te gebruiken. > meer informatie

Het meldrecht aan de jeugdbeschermer (artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet) betreft relevante informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van de OTS. Dit betekent dat als een jeugdbeschermer vragen stelt die vragen in beginsel beantwoord moeten worden, maar ook dat de pedagoog het recht heeft om op eigen initiatief informatie te verstrekken, als de pedagoog van oordeel is dat dit noodzakelijk is. Dit kan zo nodig zonder toestemming van ouders, maar zij dienen wel te worden geïnformeerd. > meer informatie

Relevante informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van de OTS betreft informatie:

  • Over de minderjarige die onder toezicht is gesteld of
  • Over de ouder of voogd.


Informatie over de ouder kan gelegen zijn in omstandigheden van de ouder zelf (zoals psychiatrische problematiek of drank- of drugs gebruik), maar ook in de zorg voor of opvoeding van een ander kind van het gezin. Art 12 lid 4 NVO beroepscode stelt daarom nadrukkelijk dat het meldrecht van de pedagoog zich uitstrekt tot de situatie waarin cliënt én andere leden van het cliëntsysteem zich bevinden. Waaronder dus eventuele broertjes of zusjes. Ook een ongeboren kind kan onder omstandigheden onder toezicht worden gesteld.

Wat is nu de beste route als er zorgen zijn over een broertje of zusje van een kind waarvoor een OTS is uitgesproken? Allereerst natuurlijk de zorgen bespreken met de ouders (tenzij dit niet mogelijk is in verband met de veiligheid van het kind of een ander). Vervolgens verdient het aanbeveling om de zorgen in eerste instantie te melden bij de jeugdbeschermer. Deze kan zo nodig uitbreiding van de bestaande OTS aanvragen (als het dezelfde problematiek betreft) of een aparte OTS voor het broertje of zusje. Mocht de informatieverstrekking niet tot het gewenste resultaat leiden en blijven de zorgen? Dan is er altijd nog de optie om een melding bij Veilig Thuis te doen.