Verantwoordelijkheden bij advisering aan een hulpverlener of jeugdbeschermer

Er bestaan veel vragen over de verdeling van de verantwoordelijkheden van de gedragswetenschapper en de jeugdbeschermer/hulpverlener in de gecertificeerde instellingen, binnen de Raad voor de Kinderbescherming en bij (jeugd)zorgaanbieders. In de kern gaat het om de vraag wie de verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de taken van de jeugdbeschermer of hulpverlener als de gedragswetenschapper daarover advies heeft gegeven.

De gedragswetenschapper draagt verantwoordelijkheid voor:

  • het zorgvuldig uitvragen van een casus en het kennis nemen van de relevante documenten voordat advies gegeven wordt;
  • een zorgvuldig, bij voorkeur schriftelijk, advies geven dat past binnen de wet, de beroepscode en de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming;
  • checken of het advies goed is opgenomen in het dossier (afhankelijk van de ervaring van de jeugdbeschermer en de complexiteit van de casus);
  • actief navragen of het advies kon worden uitgevoerd en of er behoefte bestaat aan vervolgadvies (afhankelijk van de ervaring van de jeugdbeschermer en de complexiteit van de casus).


NB

  • Bij complexe casus en bij nog niet zo ervaren jeugdbeschermers/hulpverleners kan het raadzaam zijn om het advies op de mail te zetten zodat de jeugdbeschermer/hulpverlener de tekst integraal over kan nemen in het dossier.
  • Als het advies meteen moet worden gegeven vanwege de spoedeisendheid van de adviesvraag, draagt de gedragswetenschapper er zorg voor dat hij door zijn mondelinge uitvraag zoveel mogelijk relevante informatie verzamelt voordat hij mondeling advies geeft. Een mondeling advies wordt later,  t.b.v. de dossiervorming, op schrift gesteld.
  • Gelet op de eisen die aan een zorgvuldig advies worden gesteld en het gewicht dat daaraan wordt toegekend, is alertheid vereist als een gedragswetenschapper, zonder dat er sprake is van spoed, informeel, bijvoorbeeld bij de koffieautomaat of in de gang, om een (mondeling) advies wordt gevraagd. In dat geval geeft hij alleen meteen advies als hij meent dat hij daarbij de eisen van zorgvuldigheid in acht kan nemen. In alle andere gevallen maakt hij een afspraak voor een adviesgesprek. Een mondeling gegeven advies wordt later t.b.v. dossiervorming op schrift gesteld.     


De jeugdbeschermer/hulpverlener draagt verantwoordelijkheid voor:

  • alert zijn op situaties waarin voor het bieden van verantwoorde zorg advies van de gedragswetenschapper gewenst dan wel noodzakelijk is en daarbij de richtlijnen voor jeugdhulp en jeugdbescherming in acht nemen; 
  • tijdig advies vragen aan de gedragswetenschapper, zo nodig ook tussen regulier geplande adviesgesprekken door;
  • actief verstrekken van alle relevante informatie aan de gedragswetenschapper ten behoeve  van het advies;
  • vastleggen van het gegeven advies en in geval van twijfel checken bij de gedragswetenschapper of het advies op de juiste wijze is vastgelegd;
  • een zorgvuldige uitvoering van zijn taken. Ten aanzien van het gegeven advies houdt ‘een zorgvuldige uitvoering’ in dat de jeugdbeschermer/hupverlener:
    • als regel handelt conform het gegeven advies;
    • indien hij meent dat het gegeven advies niet kan leiden tot verantwoorde zorg aan de cliënt, hierover in gesprek gaat met de gedragswetenschapper;
    • indien dit gesprek, gelet op de situatie, niet mogelijk is omdat onmiddellijk handelen is vereist, afwijkt van het gegeven advies, voor zover dit naar zijn mening noodzakelijk is voor het bieden van verantwoorde zorg;
    • het van het advies afwijkend handelen vastlegt in het dossier, beschrijft wat de redenen zijn voor het niet (volledig) volgen van het advies en zo spoedig mogelijk contact zoekt met de gedragswetenschapper voor een vervolgadvies.


Een casus (Bovenstaande verantwoordelijkheidsverdeling toegepast op een casus)
Tijdens de niet-begeleide omgang met de vader raakt een kind door roekeloos gedrag van de vader ernstig gewond. De omgang van de vader met zijn kind vond eerst onder begeleiding van oma plaats. Omdat dit al een aantal maanden goed liep, heeft de gedragswetenschapper de jeugdbeschermer geadviseerd om een stap verder te gaan en de vader toestemming te geven om enige uren bij hem thuis samen te zijn met zijn kind, zonder oma. De jeugdbeschermer was het eens met het advies, maar had enige dagen later geen goed gevoel toen hij de vader, een dag voordat de niet-begeleide omgang plaats zou vinden, ontmoette. De man maakte een ongebruikelijk euforische indruk, wellicht veroorzaakt door middelengebruik (wat eerder overigens niet speelde bij de vader).

Vooropgesteld dat de vader primair verantwoordelijk is voor het letsel dat het kind heeft opgelopen, is het mogelijk dat ook de gedragswetenschapper of de jeugdbeschermer een verwijt kan worden gemaakt. Het gaat dan om het besluit om de vader zonder toezicht omgang te laten hebben met zijn kind. Om de verantwoordelijkheid van de jeugdbeschermer en de gedragswetenschapper te  kunnen beoordelen,  moeten de volgende vragen worden beantwoord:

  • Hoe past de risicotaxatie in het plan van aanpak en hoe is de risicotaxatie tot stand gekomen op basis waarvan de gedragswetenschapper het advies gaf om over te gaan op onbegeleide omgang en welke overwegingen lagen ten grondslag aan dit advies?
  • Wat weerhield de jeugdbeschermer ervan, om na zijn ontmoeting met de vader waardoor zijn zorgen ontstonden, contact te zoeken met de gedragswetenschapper, of met een collega?
  • Als dat contact niet mogelijk was, welke afweging maakte de jeugdbeschermer om, ondanks zijn zorgen, toch het advies te volgen m.b.t. de niet-begeleide omgang.