Per 1-2-2020 bewaartermijn dossiers langer, kleinkinderen en grootouders mogen wettelijk vertegenwoordiger zijn, shared decision making en inzagerecht nabestaanden

Per 1-1-2020 wijzigt de WGBO en de Jeugdwet. Een aantal van deze wijzigingen zijn belangrijk voor het werk van de pedagoog. Zo wijzigt de bewaartermijn van het dossier van 15 naar 20 jaar, kunnen ook grootouders en kleinkinderen optreden als vertegenwoordiger van een client, wordt de informatieplicht uitgebreid en zijn de voorwaarden waaronder nabestaanden inzagerecht hebben vastgelegd.

Bewaartermijn
Per 1-1-2020 wordt de termijn van bewaren van dossiers 20 jaar i.p.v. 15 jaar. De termijn gaat lopen vanaf het moment dat de laatste wijziging van het dossier heeft plaatsgevonden. Het dossier of delen daarvan kunnen langer dan 20 jaar worden bewaard als dat redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit (art 7:454 lid 3 BW; Artikel 7.3.8 lid 3 Jeugdwet). Deze bewaartermijn geldt voor alle dossiers, ook voor dossiers van vóór 1-1-2020.

Vertegenwoordiging
Als een client niet wilsbekwaam is kan iemand optreden als diens vertegenwoordiger, zoals een mentor of curator of iemand die door de client (toen deze nog wilsbekwaam was) is gemachtigd. Als deze er niet zijn dan kan de echtgenoot, ouder, kind, broer of zus als vertegenwoordiger optreden. In de WGBO zijn daar kleinkind en grootouder aan toegevoegd (art 7:465 lid 3 BW). In de Jeugdwet is de grootouder toegevoegd (art 7.3.15 lid 3).

Informatieplicht
Behandeling of begeleiding vindt plaats als daarvoor toestemming is. Om een beslissing daarover te kunnen nemen, dient client te worden geïnformeerd. Waaruit deze informatieplicht bestaat is per 1-1-2020 aangescherpt.

De hulpverlener dient de client op duidelijke wijze in te lichten, passend bij zijn bevattingsvermogen en tijdig met hem te overleggen (art 7:448 lid 1 BW; 7.3.2 lid 1 Jeugdwet).

Doel hiervan is het versterken van de positie van de client en het laten ontstaan van een dialoog. Kernwoorden die in de toelichting op het wetsvoorstel werden gebruikt zijn onder meer shared decision making en de client als gesprekspartner. De gedachte is dat dit het wederzijds vertrouwen en de therapietrouw bevordert.

De hulpverlener dient zich daarom tijdens het overleg op de hoogte te stellen van de situatie en de behoeften van de client, de client uit te nodigen om vragen te stellen en de client desgevraagd schriftelijk of elektronisch te informeren (art 7:448 lid 3 BW; art 7.3.2 lid 3 Jeugdwet).

De hulpverlener laat zich leiden door hetgeen client redelijkerwijs dient te weten t.a.v.:

  • aard en doel voorgenomen onderzoek, voorgestelde behandeling/jeugdhulp of uit te voeren verrichtingen;
  • de te verwachten gevolgen en risico’s voor de gezondheid daarbij en bij niet behandelen/geen jeugdhulp verlenen;
  • andere methoden van onderzoek en behandeling/jeugdhulp al dan niet uitgevoerd door andere hulpverleners;
  • de staat van de vooruitzichten m.b.t.
    • diens gezondheid wat betreft het terrein van methoden van onderzoek en behandelingen;
    • de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen in relatie tot de te verlenen jeugdhulp;
  • de termijn waarop methoden van onderzoek en behandelingen/jeugdhulp kunnen worden uitgevoerd en de verwachte tijdsduur ervan (art 7:448 lid 2 BW; art 7.3.2 lid 2 Jeugdwet).


Dit klinkt alles heel formeel, maar veel van deze onderwerpen zijn een natuurlijk onderwerp van gesprek voor onderzoek of begeleiding/behandeling start. Van belang is dat de wijze van informatieverstrekking dusdanig plaats vindt dat de client zich vrij voelt om vragen te stellen en geïnformeerd toestemming kan geven. Aan te bevelen is dat de pedagoog voor zichzelf na gaat of diens huidige werkwijze hier al aan voldoet, of dat er nog verbetering mogelijk is.

Informatierecht nabestaanden
Het inzagerecht van nabestaanden is per 1-1-2020 formeel vastgelegd in de WGBO en de Jeugdwet. De wetgever heeft hierbij grotendeels bestaande jurisprudentie gevolgd.

Ingevolge de WGBO (art 7:458a en 7: 458b BW) en de Jeugdwet (art 7.3.12a en 7.3.12b)zijn degenen die recht hebben op inzage en afschrift van het dossier:

  • degene die van de client toestemming heeft. Die toestemming moet schriftelijk zijn vastgelegd. Hierbij geldt dat een aantekening van de pedagoog met deze strekking voldoende is;
  • een ieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor behartiging van dit belang;
  • degene die het gezag uitoefende over de cliënt die op het moment van overlijden nog geen 16 jaar was, tenzij dit strijdig is met het handelen als goed hulpverlener;
  • een nabestaande, een voormalig vertegenwoordiger en degene die een incident melding in het kader van de Wkkgz heeft ontvangen, dat is bijvoorbeeld de echtgenoot, degene met wie client samenwoont, bepaalde bloedverwanten. (deze laatste opsomming staat alleen in de WGBO en niet in de Jeugdwet).


Inzage of afschrift wordt niet verstrekt als in het dossier is vermeld dat de client deze inzage niet wenst. Vereist is dat de client minimaal 12 jaar was en wilsbekwaam ter zake. Inzage of afschrift vindt ook niet plaats als daardoor de persoonlijke levenssfeer (privacy) van een ander wordt geschaad.

Als iemand vraagt om inzage of afschrift uit het dossier van een overleden client vanwege een vermoeden van een medische fout en de hulpverlener weigert, kan diegene vragen om een second opinion om te toetsen of het besluit zorgvuldig is genomen.

Bij herziening van de NVO beroepscode zullen deze wetswijzigingen voor zover relevant worden verwerkt.