Ben je verplicht om informatie te delen met een onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van een raadsonderzoek?

Nee, je bent hiertoe niet verplicht. Wel heb je een meldrecht op basis waarvan je ook zonder toestemming van client (of diens ouders) informatie kunt verstrekken aan de Raad voor de Kinderbescherming. Hoe ga je zorgvuldig om met dit meldrecht? En wat als een ouder echt niet wil dat informatie wordt verstrekt?

In artikel 13 van de NVO beroepscode staat dat als de Raad voor de Kinderbescherming, in het kader van een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel, contact zoekt met de pedagoog, de pedagoog – zo nodig zonder toestemming van de client – informatie aan de Raad kan verstrekken.

Dit geldt in de situatie dat de pedagoog het kind begeleidt, behandelt of onderzoekt, maar ook in de situatie dat de pedagoog een of beide ouders van het kind in behandeling heeft. Denk bijvoorbeeld aan de situatie van een alleenstaande ouder met een zware depressie, die bijna het bed niet uitkomt en woont in een vervuild huis met een kind van 4 jaar.

Als de pedagoog wordt benaderd met een vraag om informatie, dan worden de volgende zorgvuldigheidseisen in acht genomen:

  • de pedagoog vraagt of de cliënt op de hoogte is van het contact met de Raad;
  • de pedagoog zoekt, alvorens informatie te verstrekken, contact met de cliënt om hem over (de inhoud van) de informatieverstrekking te informeren. Tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat dit contact de veiligheid van de cliënt, van een lid van het cliëntsysteem, van de pedagoog of die van een ander kan bedreigen;
  • de pedagoog geeft bij voorkeur digitaal of schriftelijk antwoord op de vragen die hem bij voorkeur ook digitaal of schriftelijk worden gesteld;
  • de pedagoog beperkt zich zo veel mogelijk tot het beantwoorden van vragen naar feiten. Meent de pedagoog dat het noodzakelijk is om ook een oordeel of een hypothese te geven, dan draagt hij er zorg voor dat dit oordeel of deze hypothese voldoende is onderbouwd en dat hij binnen zijn  deskundigheidsterrein blijft. Hij wijst er bij zijn informatieverstrekking uitdrukkelijk op dat het om een professioneel oordeel of een hypothese gaat;
  • de pedagoog verstrekt alleen die gegevens die noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor de informatie wordt gevraagd;
  • de pedagoog doet geen uitspraken over leden van het cliëntsysteem, met wie hij zelf geen contacten heeft gehad;
  • de schriftelijke beantwoording van de vragen legt de pedagoog vast in zijn dossier. Heeft de pedagoog de informatie mondeling of telefonisch verstrekt, dan vraagt de pedagoog om een digitale of schriftelijke weergave van het besprokene ter accordering. De geaccordeerde tekst legt de pedagoog vast in zijn dossier. De pedagoog zendt een afschrift van de geaccordeerde tekst, dan wel de schriftelijke beantwoording, toe aan de cliënt.


Indien in het contact met client of diens ouders duidelijk wordt dat zij het niet eens zijn met het verstrekken van informatie dan is het van belang dat de pedagoog het gesprek aan gaat om te horen waarom zij geen toestemming geven voor de informatieverstrekking. Zo je zo mogelijk hun bezwaren wegnemen en in ieder geval hun bezwaren meewegen in de afweging. Van belang is dus om niet alleen te bespreken dat u informatie gaat verstrekken, maar welke. Soms zit het bezwaar in het gebruik van een enkel woord, waar voor client of ouders een negatieve lading aan is gekoppeld. De grens bij aanpassing van de informatie is het professionele oordeel van de pedagoog. Vervolgens maakt u de afweging of de belangen van het kind doorslaggevend zijn en de informatie dient te worden verstrekt.