Uitspraak van het kwartaal

6-10-2017

Geen toestemming vanwege zorgelijke signalen en de richtlijn KOPP-kinderen?
In onderhavige casus is de pedagoog zonder toestemming van moeder een professionele relatie met de kinderen aangegaan, terwijl moeder naast vader de wettelijke vertegenwoordiger is; de pedagoog heeft gesproken met de kinderen zonder haar toestemming. De pedagoog wijkt naar eigen zeggen af van het toestemmingsvereiste omdat zij zorgelijke signalen over de gezinssituatie heeft. Zij geeft aan dat zij haar handelen baseert op de richtlijn KOPP-kinderen.

Het College van Toezicht stelt dat in geval van vechtscheidingen de door ouders (en andere bronnen) verstrekte informatie gekleurd kan zijn. Dit vergt van een pedagoog uiterste zorgvuldigheid en het vermogen te handelen vanuit meervoudige partijdigheid. Het College oordeelt dat de pedagoog onvoldoende behoedzaam heeft geacteerd, bij het aangaan van de professionele relatie en door moeder ook daarna buiten het onderzoeksproces te houden. De pedagoog heeft de zorgelijke signalen die er vanuit diverse bronnen zouden zijn niet geëxpliciteerd; zij geeft geen onderbouwing voor het afwijken van het toestemmingsvereiste gegeven (beroep op rechtvaardigheidsgrond van artikel 5 lid 5).

Ten overvloede merkt het College nog op dat de verwijzing naar de KOPP-richtlijn suggereert dat er sprake is van psychische problematiek bij moeder. De pedagoog doet deze uitspraken zonder moeder te hebben ontmoet of op andere wijze contact met haar te hebben gehad. Een pedagoog moet terughoudend zijn en in ieder geval de bron en relevantie van de verkregen informatie aan te geven als zij in een onderzoeksverslag gegevens vermeldt over persoon die buiten het onderzoek staat. Dat geldt des te meer als de pedagoog die gegevens niet uit eigen waarneming of onderzoek heeft verkregen.

Het College legt een onvoorwaardelijke schorsing op en berispt de pedagoog. De pedagoog heeft zich tijdens de klachtprocedure echter uitgeschreven als lid van de NVO. De maatregel is dus niet uitvoerbaar. Voorts gaat de pedagoog in beroep.

Het College van Beroep deelt in deze casus de inhoudelijke beoordeling van het College van Toezicht, maar legt in plaats van de onvoorwaardelijke schorsing (zonder voorwaarden) een voorwaardelijke schorsing van twee jaar op gelet op het leerdoel van het tuchtrecht. Omdat de pedagoog geen lid meer is,  is de maatregel niet uitvoerbaar. Maar mocht de pedagoog weer lid worden van de NVO, dan gaat de voorwaardelijke schorsing (met de voorwaarde tot het volgen van supervisie) in op de datum van inschrijving.

Lees hier de volledige uitspraken van het College van Toezicht en het College van Beroep.*

*Op het handelen van de pedagoog was de beroepscode 2008 van toepassing, maar de uitspraken van de Colleges zijn nog steeds actueel.