Screening bij kinderen en jongeren

31-5-2018

In het kader van de lezingencyclus ‘Opvoeden en opgroeien tussen wetenschap en praktijk’ was 28 mei jl een bijeenkomst Screening bij kinderen en jongeren, vanuit verschillende perspectieven. Meer dan 100 professionals luisterden in het Academiegebouw te Utrecht naar vier sprekers die ieder vanuit een eigen invalshoek op het thema ingingen.

Calixte Veerman (GGZ Amsterdam) vertelde over de brede screening bij de jeugdgezondheidszorg. Door Jijenjegezondheid.nl doet de JGZ een screening van zowel de fysieke als de psychosociale en cognitieve ontwikkeling. De voordelen die worden genoemd van een brede screening zijn de vroege opsporing en eerste hulp bieden. Kanttekeningen zijn de signalen die worden gegeven van een maakbaarheid en stigmatisering. Veerman sluit dan ook af met het pleidooi dat we balans moeten houden: niet alles hoeft uitgevraagd te worden in een screening, we kunnen ook altijd nog in gesprek gaan.

Walter Matthys (Universiteit Utrecht) sprak over screening van gedragsproblemen en de consequenties hiervan voor het effect van interventies. Om te beginnen maakt hij het onderscheid duidelijk: bij behandeling zoekt de persoon naar hulp en bij preventie wordt de persoon door de hulpverlener uitgenodigd. Uit de literatuur blijkt dat behandeling van gedragsproblemen bijvoorbeeld door Behavioural Parent Training net zo effect kan zijn als psychische medicatie. Preventie heeft een minder groot effect dan behandeling, mogelijk doordat motivatie en ernst lager is bij preventie. Toch benadrukt hij dat preventie belangrijk is, vooral voor gedragsproblemen aangezien dat de enige aandoening op kinderleeftijd is die aandoeningen later voorspelt. Het effect van preventie kan ook later pas worden opgemerkt, bijvoorbeeld wanneer de interventiegroep minder verslavende middelen gebruikt.

Denise Bodden (Radboud Universiteit) gaf een presentatie over multistage assessment, als screening voor angst en depressie. Waar 1 op de 5 kinderen depressieve klachten heeft en 1 op de 4 kinderen last heeft van angsten, is goede diagnostiek en preventie belangrijk. De True Selfie-weken van BNN hebben meer bekendheid gegeven aan depressie en angst, maar o.a. huisartsen hebben vaak nog moeite met het signaleren van depressieve klachten.

Multistage assessment is een goede manier om problemen te herkennen bij kinderen en jongeren. Eerst wordt een brede vragenlijst afgenomen om te onderzoeken of er wel of niet sprake is van een stoornis (criteriumvaliditeit). Daarna volgt een stoornisspecifiek onderzoek om de aard en ernst te onderzoeken. Het beste is om als laatste voor goede diagnostiek nog een semi-gestructureerd interview af te nemen. Het misverstand dat mensen deze interviews vervelend vinden, weerlegt Bodden. Het is vooral belangrijk dat na een screening een zinvolle actie volgt, zoals bijvoorbeeld een interventie.

Mandy Gijzen, promovendus op het STORM-project sloot aan bij het verhaal van Denise Bodden. In de Peelregio, Brabant hadden scholen contact gezocht met de GGD omdat het aantal zelfmoord in hun regio toenam. De GGZ en het Trimbos instituut hebben in samenwerking het STORM-project gestart. In het tweede jaar van de middelbare school worden leerlingen gevraagd een algemene vragenlijst in te vullen door de GGD, daarbij werd de CDI2 en Vozz-screen afgenomen. Als er signalen uit deze vragenlijst kwamen, was de opdracht dat de GGD binnen 48 uur een gesprek voert met de betreffende leerling. Op deze manier worden depressieve klachten en voornamelijk suïcide gedachten snel herkent. Ook Gijzen benadrukt nog eens hoe opgelucht leerlingen zijn dat zij mogen spreken over bijvoorbeeld hun suïcide gedachten. Het bespreken van hun klachten leidt al tot een afname van het probleem. Ze adviseert dan ook alle professionals het onderwerp bespreekbaar te maken. Door een vraag naar suïcide gedachten wordt een jongere niet op gedachtes gebracht, en als deze gedachtes er al zijn dan is het een opening voor herstel.

De volgende lezing in de cyclus ‘Opvoeden en opgroeien tussen wetenschap en praktijk’ is op 17 december. De lezingen zijn een initiatief van het NJi, Universiteit Utrecht, Trimbos-instituut, Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie, Landelijk Kenniscentrum LVB, Nederlands Centrum Jeugdgezondheid en NVO.