Kwaliteitsborging in de jeugdhulp

16-6-2017

Per 1 januari 2018 loopt de overgangsperiode af waarin veel gemeenten voor de jeugd-ggz nog contracten afsloten op basis van de DBC-systematiek van de zorgverzekeringswet. Hier komen uitvoeringsvarianten voor in de plaats. Deze ontwikkeling brengt zowel bekostigingsvraagstukken als kwaliteitsvraagstukken met zich mee. Als NVO krijgen we daar de nodige vragen over en ook andere partijen worstelen met de consequenties.

De NVO ziet de risico’s van deze ontwikkeling: gemeenten zijn vaak niet op de hoogte van bekwaamheden en deskundigheden van verschillende beroepsgroepen, waaronder orthopedagogen. Er zijn tal van voorbeelden waarin orthopedagogen niet of onvoldoende worden ingezet op basis van hun specifieke expertise of dat er kwaliteitseisen worden gesteld door gemeenten die niet passend, haalbaar en wenselijk zijn. Mét andere partijen wil de NVO zich inzetten voor kwaliteitsborging, behoud van expertise en de juiste professional op de juiste plek.

De NVO gaat daarom direct na de zomer met andere beroepsgroepen, GGZ Nederland en andere veldpartijen en cliëntvertegenwoordigers in overleg over een gezamenlijk te ontwikkelen veldnorm ter aanvulling en verdieping van het huidige Kwaliteitskader Jeugd. De NVO pleit hierbij voor een integrale jeugdhulp-brede benadering van kwaliteitsborging en niet een afzonderlijke borging voor de jeugd-ggz.

GGZ Nederland publiceerde deze week een position paper gepubliceerd over de kwaliteitsborging van de jeugd-ggz en jeugdverslavingszorg. Deze position paper is o.a. ook besproken met de NVO. Zoals gezegd delen wij Als NVO het belang van kwaliteitsborging en behoud van (hoogwaardige) expertise. Wij delen echter niet de lijn die GGZ Nederland ook in dit position paper kiest om de koppeling te maken naar het kwaliteitsstatuut voor de volwassenen ggz. Hierin wordt immers uitgegaan van een limitatief lijstje van BIG geregistreerde professionals die ‘bevoegd’ zouden zijn om bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Los van een aantal voorbehouden handelingen op het gebied van chirurgische en verloskundige handelingen, injecties en narcosen legt het BIG-register geen bevoegdheden vast en stelt de NVO zich op het standpunt ‘bekwaam maakt bevoegd’.

De NVO constateert dat GGZ Nederland in haar position paper terecht refereert aan het feit “dat de commissie Meurs heeft gesteld dat door BIG-registratie als absoluut vereiste te nemen bepaalde beroepsgroepen niet in aanmerking komen voor het vervullen van het regiebehandelaarschap, terwijl zij daarvoor wel voldoende gekwalificeerd kunnen zijn. Dit geldt in het bijzonder voor de orthopedagogen-generalist.” Ook wordt gerefereerd aan een onderzoeksrapport uit 2013 waarbij wordt geconcludeerd dat “het opleidingsniveau van de orthopedagoog-generalist (en kinder- en jeugdpsycholoog) ten aanzien van inhoud, opleidingsduur en –niveau vergelijkbaar is met de gz-psycholoog. Minister Schippers concludeert dat de kwaliteit van de door de NVO Orthopedagoog-Generalist (en Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP) verleende behandelingen, gelet op hun beroepskwalificaties, als gelijkwaardig aan die van de gz-psycholoog kan worden aangemerkt.”

Daarnaast heeft het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) naast het BIG-register een belangrijke plek in het jeugddomein, via de norm verantwoorde werktoedeling, en heeft de term ‘regie’ binnen het jeugddomein een andere betekenis. Een verwijzing naar het regiebehandelaarschap in het volwassenendomein en het BIG-register is voor het jeugdveld dus te kort door de bocht.