De verwijsindex risicojongeren (VIR): wat mag u als pedagoog wel en niet?

20-7-2018

De NVO ontvangt signalen dat gemeenten soms verlangen dat zorgaanbieders alle cliënten registreren in de verwijsindex risicojongeren (VIR). Standaard melden in de verwijsindex van alle cliënten is alleen passend als u werkt met een doelgroep die standaard voldoet aan de wettelijke meldcriteria in de Jeugdwet. Dat is bijvoorbeeld het geval bij Veilig Thuis. In alle andere situaties is het aan u als professional om te beoordelen of er sprake is van de meldcriteria. Standaard een cliënt melden in de verwijsindex verhoudt zich niet met het doel van de VIR en niet met de wetgeving.

De Jeugdwet regelt een meldrecht: zo nodig kunt u een jeugdige ook zonder toestemming van hemzelf en/of zijn wettelijke vertegenwoordigers, in de VIR registreren. Dan moet wel sprake zijn een onderbouwd vermoeden van een of meer in de Jeugdwet genoemde risico’s. Het doel van registratie in de verwijsindex is vroegtijdige onderlinge afstemming door professionals om zodat passende hulp, zorg of bijsturing kan worden geleverd. Van belang is dat u als professional het voornemen tot melden in de verwijsindex bespreekt met de jeugdige en/of zijn wettelijk vertegenwoordigers.

In de VIR registreert u het burgerservicenummer van de jeugdige én uw eigen contactgegevens. Als een andere professional dezelfde jeugdige heeft geregistreerd (of een jeugdige die woonachtig is op hetzelfde adres óf dezelfde ouder heeft) ontvangt u beiden een melding van een match. Vanaf dat moment geldt voor het uitwisselen het beroepsgeheim zoals verwoord in de NVO-beroepscode; Gegevensuitwisseling mag als daarvoor toestemming is verkregen of als u zich in een conflict van plichten bevindt. De beroepscodes van NVO en NIP zijn daarin overigens identiek.  

Gemeenten zijn wettelijk verplicht om een regionale verwijsindex in te richten en het gebruik daarvan te stimuleren.