NVO: Stel voorwaarden aan werkervaringsplaats

3-1-2016

De NVO vindt werkervaringsplaatsen een ongewenste ontwikkeling, maar realiseert zich dat veel starters in de huidige economische en politieke situatie helaas zijn aangewezen op zo'n werkervaringsplaats. Uit een peiling die de NVO samen met het NIP en de Stichting Master Psychologen (SMP) medio december heeft uitgezet blijkt dat veel werkervaringsplaatsen niet voldoen aan voorwaarden die de NVO aan een werkervaringsplaats verbindt. De NVO wil dan ook samen met het NIP streven naar een convenant met werkgevers om de voorwaarden te verbeteren. Ook wil de NVO samen met NIP starters een doordachte handreiking bieden zodat zij zelf zo goed mogelijk kunnen onderhandelen bij het aangaan van een werkervaringsplaats.

Positief is dat er nu al politieke aandacht voor is gekomen n.a.v. deze enquête en het onderzoek van het onderzoeksjournalistieke tv-programma De Monitor (KRO-NCRV). Minister Asscher (SZW) heeft namelijk laten weten dit voorjaar met een plan van aanpak. De minister heeft aangegeven met partijen om de tafel te gaan die hiermee te maken hebben. De NVO gaat er dan ook van uit dat zij daarbij betrokken wordt en input kan leveren (in inhoud en vorm). Dit onderwerp is urgent en we gaan ervan uit op zeer korte termijn een afspraak in te plannen met medewerkers van het ministerie.

De enquête van NVO, NIP en SMP werd ingevuld door iets meer dan 1000 pedagogen en psychologen, waarvan ongeveer een derde lid is van de NVO. Een klein aantal werkgevers vulde de enquête in. De uitkomsten worden gebruikt in het tv-programma De Monitor dat gaat over de ‘ uitbuiting’ van studenten en starters op zondagavond 3 januari om 22.35 uur op NPO 2. Eerder meldden zich op de website van de monitor vooral pedagogen en psychologen. Klaarblijkelijk doet het fenomeen van werkervaringsplaatsen zich vooral voor in domeinen waarin zij werken, met name in de jeugdhulp en geestelijke gezondheidszorg (ggz).

Uit de enquête blijkt dat starters op zich niet negatief staan ten opzichte van werkervaringsplaatsen. Integendeel, 79% is positief of neutraal omdat dit een manier is om ervaring op te doen. Toch hebben zij wel het idee dat werkervaringsplaatsen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt en in plaats komen van reguliere arbeidsplaatsen. 31 % voelt zich uitgebuit. Uitgesproken zorgelijk vindt de NVO dat bij een deel van de respondenten de aansprakelijkheid niet is geregeld (ca 10%), maar dat een veel groter deel, bijna de helft, niet weet hoe aansprakelijkheid is geregeld.

Pedagogen en psychologen die lid zijn van de NVO en het NIP vallen onder de beroepscode en het tuchtrecht van de respectievelijke vereniging(en) en zij moeten zich kunnen verantwoorden, zeker in geval van diagnose en behandeling van individuele cliënten. Juist starters zijn afhankelijk van goede begeleiding of supervisie. Aan de ene kant constateert de NVO dat ca. de helft van de respondenten een uur per week begeleiding krijgt. Dat is naar mening van de NVO een absoluut minimum. Een zeer groot deel van de respondenten geeft echter aan veel minder tot geen begeleiding te krijgen. Zeker wanneer starters individuele cliënten begeleiden, vindt de NVO dit onverantwoord. 

Met het NIP constateert de NVO dat de vergoeding van mensen met een werkervaringsplaats veel te vaak ver onder de maat is voor professionals die een universitaire masteropleiding hebben voltooid. De NVO streeft dan ook, samen met het NIP, naar een convenant met werkgevers om te zorgen dat er landelijke voorwaarden worden opgesteld voor werkervaringsplaatsen, uiteraard breder dan alleen de vergoeding. Daarnaast willen NVO en NIP een handreiking ontwikkelen voor starters die een werkervaringsplaats gaan vervullen. De NVO overweegt de workshops curriculumontwikkeling die het netwerk studenten & starters in 2014 organiseerde te herhalen en nog breder onder de aandacht te brengen.


Voor nadere vragen kunt u contact opnemen met Tim de Kroon (medewerker public affairs) via t.dekroon@nvo.nl.