Plenaire Inleiding 'Voelen dat er iets niet klopt'

Afbeelding: Rianne
Rianne van de Weitgraven

“Daar zit hij dan, de armen over elkaar geslagen, zijn dikke leren jas nog aan en zijn blik naar beneden gericht. Moeite met onthouden heeft hij en weinig motivatie voor school. Zijn dagen brengt hij het liefst door op zijn kamer, achter zijn computer. Hij lijkt weinig interesse te hebben in de wereld en de mensen om zich heen. Hij kan ontzettend kwaad worden en soms ook agressie tonen. Voor zijn opa en oma is hij lief. Hoe zijn toekomst er uit zal zien weet hij niet en een idee van wie hij is lijkt hij ook niet te hebben. Hij zit hier omdat zijn moeder dat graag wil vertelt hij. Zij wil graag begrijpen waarom haar eens zo vrolijke zoon zich de afgelopen jaren zo somber toont. 
Wanneer ik naar hem kijk denk ik na over manieren om hem te helpen. Hem zo te helpen dat hij en ik niet verstrikt zullen raken in cijfers (de uitkomsten van neuropsychologisch onderzoek), in oppervlakkigheden, in gedragskenmerken en classificaties. Hem zo te helpen dat hij zich gezien en gehoord kan voelen.”

Om dit te bereiken zal Rianne gebruik maken van de kennis vanuit de neuropsychoanalyse.
Dit is een vakgebied waarin kennis vanuit de neurowetenschappen en de psychoanalyse met elkaar worden geïntegreerd en waarin affecten, emoties en gevoel een prominente plek innemen. Een vakgebied dat voorbij de grenzen van gedrag, gedachten en de verschillende stromingen binnen de psychologie durft te kijken. Een vakgebied waarin menselijkheid centraal staat.

Rianne van de Weitgraven is in 2007 vanuit Amersfoort naar het mooie Leiden verhuisd om Pedagogische Wetenschappen te gaan studeren. “Toen ik in mijn derde jaar kennismaakte met het vak neurobiologische achtergronden van opvoeding en ontwikkeling heb ik ervoor gekozen om na mijn bachelor de master Klinische Neuropsychologie te gaan volgen. Na hele mooie stages in het Erasmus-MC Sophia (afdeling kinderneurologie) en de VU (NeuroIMAGE project) had ik het geluk om de GZ-opleiding te mogen volgen. Tijdens die opleiding maakte ik naast de pedagogiek en de neuropsychologie kennis met de kinder- en jeugdpsychiatrie. Toen ik mijn GZ-opleiding had afgerond zocht ik naar een manier om alle kennis en vaardigheden uit de verschillende vakgebieden met elkaar te integreren. Bij toeval ontdekte ik het bestaan van professor Solms toen ik iets aan het zoeken was op google. Professor Solms is de grondlegger van de neuropsychoanalye waarin kennis vanuit de psychoanalyse en de neurowetenschappen worden samengevoegd om de mens steeds beter te begrijpen. Ik was meteen enthousiast over deze manier van denken en werken waarbij er voorbij classificaties wordt gekeken en het gevoel een prominente plek heeft gekregen. Binnen mijn huidige opleiding, tot Klinisch Neuropsycholoog, maak ik graag gebruik van dit inspirerende gedachtengoed.”

Deelsessies

U kunt deelnemen aan 2 van de 5 deelsessies. U kunt een voorkeurkeuze voor 3 deelsessies opgeven. Wij doen ons best om u te plaatsen in 2 van deze 3. 

Deelsessie 1, Hilde Tempel ‘Het belang van een verklarende analyse: een gat tussen wetenschap en praktijk’.

Afbeelding: Hilde Tempel
Hilde Tempel

Uit dossieronderzoek onder 32 residentieel geplaatste jeugdigen werd duidelijk dat slechts bij 1 van deze jeugdigen een verklarende analyse was gemaakt, waarbij was nagedacht over de samenhang van de klachten en de factoren die van invloed zijn op het ontstaan en voortbestaan van de klachten. Helaas blijkt dit geen uitzondering te zijn en ervaren wij in de dagelijkse praktijk dat we geneigd zijn klachtgericht te werken zonder te hebben nagedacht over het ontstaan en voortbestaan van de klachten. Je kunt je dan ook afvragen wat je aan het behandelen bent en of de behandeling effectief is. Tijdens onze opleiding zijn we in aanraking gekomen met de diagnostische cyclus: wordt deze in de praktijk toegepast en zijn we hier voldoende vaardig in? Er lijkt een gat te zijn tussen de kennis die er is en de dagelijkse praktijk.

Hoe gaat dat in jouw dagelijkse praktijk? Lukt het je om met een verklarende analyse een holistische theorie of een casus conceptualistisch te maken? Er zijn modellen genoeg, daar zou het niet aan moeten liggen. Of misschien toch wel? Graag wissel ik met jullie van gedachten over bovenstaande bevindingen.

Hilde Tempel is werkzaam bij Accare als regiomanager behandelzaken. Ze ziet jeugdigen en hun ouders voor diagnostiek en behandeling. Ze heeft jarenlange ervaring in de zorg voor jeugdigen, zowel binnen orthopedagogische behandelsettingen als de JGGZ.  In 2018 heeft ze onderzoek gedaan naar de behandeling in de residentiële jeugdzorg en kwam daarbij tot de conclusie dat er in de onderzochte casuïstiek zelden tot nooit een probleemsamenhang/verklarende analyse wordt gemaakt. De behandeling richt zich vooral op waarneembaar gedrag, waarbij er weinig wordt nagedacht over de betekenis en de functie van het gedrag.

Deelsessie 2 & 3, Noëlle Pameijer ‘Handelingsgericht werken in Passend Onderwijs: ook de orthopedagoog doet ertoe!’

Afbeelding: Noelle
Noëlle Pameijer

Let op: De eerste workshop gaat over het basisonderwijs, de tweede over het voortgezet onderwijs.

HGW staat al zo’n 30 jaar in de belangstelling en blijft in ontwikkeling. In deze workshop bespreken we de meest recente uitgangspunten en de rol van de orthopedagoog daarbij. Welke successen, kansen, missers en valkuilen zijn er? Hoe werken we constructief samen met leerkrachten/docenten/mentoren, intern begeleiders/zorgcoördinatoren, ouders en leerlingen, zonder op hun stoel te gaan zitten? Wat zeg je en wat vraag je als de samenwerking moeizaam verloopt? Hoe visualiseer je samen de stappen overzicht (wat gaat al goed en wat kan nog beter?), inzicht (analyse, hoe zou dat kunnen komen?) en uitzicht (doelen en wie heeft wat nodig om die te bereiken)? Interactieve theorie, praktijkvoorbeelden en korte opdrachten wisselen elkaar af.

Noëlle Pameijer werkt als school-, GZ- en kinderpsycholoog bij Samenwerkingsverband Passend Onderwijs Unita en Stichting Elan. Zij begeleidt leerlingen, leerkrachten en ouders, verricht samen met hen handelingsgerichte diagnostiek (HGD) en ondersteunt als trajectbegeleider ‘handelingsgericht arrangeren’ op school. Daarnaast begeleidt Noëlle scholen bij de implementatie van handelingsgericht werken (HGW) en ouderbetrokkenheid. Zij schreef boeken over HGW in het basis- en voortgezet onderwijs en over HGD in de jeugdzorg en het onderwijs. Samen met het Ouderplatform en 30 ouders schreef zij het boek “Samen Sterk: Ouders & School”.

Deelsessie 4, Albert Ponsioen ‘Een sticker plak je op een muur, niet op een mens’.

Afbeelding: Albert Ponsioen
Albert Ponsioen

Op weg naar een meer persoonlijke diagnostiek, behandeling en onderzoek.

In de jeugdzorg is er sprake van een aantal hardnekkige mythes: de mythe van het gemiddelde, de mythe van de latente factoren en de mythe van de Randomized Control Trial als Gouden Standaard.

In de testdiagnostiek  worden kinderen nog te vaak vergeleken met het gemiddelde kind van hun leeftijdsgroep. In de jeugd-ggz worden stoornissen nog te vaak als verklaringen (‘latente factoren’) van probleemgedrag beschouwd. In wetenschappelijk onderzoek worden groepsstudies nog te vaak gebruikt om effecten van behandelingen aan te tonen.

Een meer persoonlijke benadering kan deze mythes helpen ontkrachten. Maar wat betekent dit voor de dagelijkse klinische praktijk waarin je zelden of nooit dat gemiddelde kind ontmoet en er vaker sprake is van een dynamische wisselwerking tussen kind en omgeving in het ontstaan en in standhouden van probleemgedrag. En waarbij het belangrijker is om te weten wat het effect is van deze ene behandeling, bij deze ene behandelaar bij dit ene kind dan of een behandeling ‘in het algemeen’ effectief is.

In deze lezing worden gereedschappen aangereikt waarmee een behandelaar aan de slag kan om maatwerk te leveren.

Albert Ponsioen is als klinisch neuropsycholoog werkzaam bij de Praktijk Zelfregulatie Oudewater (www.zelf-regulatie.nl)  en is medewerker bij het Landelijk Kenniscentrum LVB (www.kenniscentrumlvb.nl) in Utrecht. Albert is voorzitter van de stichting Gaming & Training (www.gamingandtraining.nl). Zijn stokpaardjes/specialismen zijn: intelligentieonderzoek; neuropsychologische diagnostiek en behandeling; single case studies.

Deelsessie 5, Paula Ekster ‘Vluchtelingkinderen: kwetsbaar én veerkrachtig!’

Afbeelding: Paula Ekster
Paula Ekster

Vluchtelingkinderen: we kennen allemaal de indringende tv-beelden van gezinnen die in gammele bootjes de Middellandse Zee zijn overgestoken op zoek naar een veiliger bestaan in Europa.  Vaak wordt gezegd: “Die kinderen hebben zoveel meegemaakt, ze zijn allemaal getraumatiseerd”. Maar is dat zo?

In Nederland kom je als orthopedagoog regelmatig in contact met vluchtelingkinderen en vaak roept dat gevoelens van machteloosheid op: Hoe pak ik dat aan? Hoe spreek ik met de ouders want zij spreken geen Nederlands?  Hoe houd ik rekening met culturele verschillen? Ze hebben zoveel meegemaakt, hoe help ik ze daarbij? Maar ook:  hoe ga ik zelf om met de nare verhalen die ik hoor van kinderen over hun verleden? Sommige van deze kinderen lopen vast in het onderwijs waarbij nader onderzoek nodig is, zoals naar intelligentie. Maar hoe doe je dat, rekening houdend met hun culturele achtergrond? In mijn bijdrage probeer ik antwoord te geven op de vraag waar je rekening mee moet houden in de hulpverlening aan kinderen van vluchtelingen en asielzoekers.

Ik zal ingaan op wat we weten over de psychische problemen die deze kinderen kunnen hebben. Wat weten we over het herstelvermogen na traumatische gebeurtenissen bij deze kinderen? Welke psychologische behandelingen zijn passend? En hoe kan de omgeving (familie, school, buurt) hierbij helpen?

Paula Ekster is sinds 25 jaar werkzaam in de jeugdzorg en kinder- en jeugdpsychiatrie waarbij zij zich de afgelopen 15 jaar heeft gespecialiseerd in de diagnostiek en behandeling van getraumatiseerde kinderen en hun ouders. “Ik werk sinds 7 jaar bij ‘De Evenaar’, een specialistisch centrum van GGZ Drenthe dat zich richt op de diagnostiek en behandeling van psychische klachten van vluchtelingen en asielzoekers uit heel Noord-Nederland. Tevens bied ik consultatie aan collega-hulpverleners en verwijzers en geef ik lezingen."

Afsluiting 'De orthopedagoog als advocaat voor het kind'

Afbeelding: Hans
Hans Koppies

Bij zijn afscheid als hoogleraar orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit hield Piet de Ruyter zijn toehoorders voor: ‘geconcludeerd kan worden dat – omdat andere wetenschappelijke disciplines gegeven hun aard onvoldoende oog hebben voor hulpverlening bij een stagnerende opvoeding – orthopedagogiek een bittere noodzaak is.’ Dat was in 1999.

In de decennia die volgden, maakte de jeugdhulp een explosieve groei door die tot op de dag van vandaag voortduurt. In 2000 kregen 200.000 jongeren jeugdzorg (inclusief ggz) en in 2018 al 415.000 (CBS). Het aantal psychiatrische classificaties bij kinderen – en in het kielzog daarvan het gebruik van medicatie bij gedragsproblemen – is exponentieel toegenomen, de DSM heeft een vaste plaats veroverd in het klaslokaal en overdiagnostiek en ongeruste ouders zijn alomtegenwoordig. Inmiddels zou 1-5 kinderen hulp nodig hebben bij gezond en veilig opgroeien.

Saillant gegeven: er zijn veel meer kinderen die zorg krijgen dan er kinderen zijn die volgens bevolkingsstudies problemen zouden hebben die professionele zorg nodig maakt. Jo Hermanns: ‘Zelfs het meest pessimistische epidemiologisch onderzoek komt niet tot zo een hoge schatting van het aantal kinderen dat ernstige problemen heeft. In het algemeen gaat men uit van ongeveer 2 tot 5 % die dit type hulp nodig hebben’.

Psychopathologiseren van problemen bij opgroeien en opvoeden heeft een grote vlucht genomen – ook in de gedragswetenschappen. Herstel van het gewone leven als doel van de hulpverlening – als beschreven in het gelijknamige boek van pedagoog Wim ter Horst - is helaas uit het zicht geraakt. Terwijl van conceptie tot volwassenheid een ontwikkelingsproces is bij homo sapiens dat in de loop van een lange evolutie is verfijnd. En veel gaat vanzelf. Kinderen hebben vooral tijd nodig. En als de opvoeding stagneert, hulpverleners die bijdragen aan herstel van het gewone leven. Normaliseren in plaats van problematiseren. Hoog tijd voor basis-orthopedagogen om de handschoen op te pakken.

Hans Koppies studeerde na het behalen van zijn lesbevoegdheid aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding pedagogische wetenschappen aan de Vrije Universiteit – afstudeerrichting orthopedagogiek: gezinnen in psychosociale moeilijkheden. Na werkzaam te zijn geweest in de jeugdhulpverlening als behandelcoördinator en gedragswetenschapper, en in het speciaal basisonderwijs als diagnosticus, heeft hij zich toegelegd op het schrijven over de leefwereld van kinderen: opvoeding, onderwijs en hulpverlening. Vader in een samengesteld gezin met vijf kinderen combineert hij met het schrijven van een boek over evolutionaire pedagogiek.

Ga terug naar de Inschrijving.