Cartoon aangepast Werken aan een pedagogische coalitie (002)

Plenair Deel 29 maart 2019

10:00 uur        Opening door de dagvoorzitter Piet-Hein Peeters
10:15 uur        Dyslexie of Leesproblemen?

De term dyslexie is gemeengoed geworden; ze vormt onderdeel van vrijwel ieders woordenschat. Of iedereen voldoende geïnformeerd is over de precieze betekenis van de term, is twijfelachtig, maar dat het een afwijking, een stoornis is, daarover lijkt men het grotendeels eens te zijn. Precies deze veronderstelling onderwerpt prof. Bosman aan een kritisch onderzoek. De conclusie van haar analyse van de term stoornis, toegepast op het concept dyslexie, is dat er geen bewijs bestaat voor de stelling dat lees- en spellingproblemen veroorzaakt worden door een stoornis. Zij zal haar analyse presenteren, waarna zij in gesprek gaat met drs. Evelien Krikhaar van het Expertisecentrum Nederlands en drs. Marie-José Tonnaer, poortwachter dyslexie bij de gemeente Nijmegen.

Prof. dr. Anna M.T. Bosman is hoogleraar aan de Radboud Universiteit en verbonden aan het Behavioural Science Institute en directeur van het Onderwijsinstituut Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde. Zij is gespecialiseerd in  leren lezen en spellen en effectieve instructiemethoden voor spellen.

Drs. Marie-José Tonnaer werkt sinds april 2018 als poortwachter dyslexie bij Sterker sociaal werk in Nijmegen. Zij screent de aanmeldingen van basisschoolkinderen die voor diagnostiek en behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie in aanmerking willen komen. Deze zorg valt binnen de Jeugdwet en wordt door de gemeente vergoed. Marie-José studeerde af als orthopedagoog aan de Radboud Universiteit in de richting 'Leren en ontwikkeling’ met als specialisatie leesproblemen en dyslexie. Voorheen was ze werkzaam als muziekdocent, docent Nederlands en gezinshuisouder.

Drs. Evelien Krikhaar is als senior projectleider werkzaam bij het Expertisecentrum Nederlands (EN), dat gelieerd is aan de Radboud Universiteit. Als taalwetenschappelijk onderzoeker was zij eerder verbonden aan langlopend onderzoek naar vroege kenmerken van dyslexie in het NWO Dutch Dyslexia Programme. Sinds 2009 is zij als projectleider betrokken bij het Masterplan Dyslexie en de Protocollen Leesproblemen en Dyslexie. Vanuit het EN heeft zij nu de functie van programma-manager voor het “Stimuleringsprogramma Preventieve en Integrale Aanpak van Leesproblemen en Dyslexie & Hulpmiddelen Onderwijs”, een meerjarig programma gefinancierd vanuit het ministerie van Onderwijs (www.informatiepuntdyslexie.nl ).

11:10 uur            Deelsessies: ronde 1, keuze uit 3 deelsessies over: ontwikkeling, leren of gedrag. 
12:00 uur            Lunch
13:00 uur            Deelsessies: ronde 2, keuze uit 3 deelsessies over: ontwikkeling, leren of gedrag. 
14:00 uur            Deelsessies: ronde 3, keuze uit 3 deelsessies over: ontwikkeling, leren of gedrag. 

15:00 uur            Jeugdhulp van de toekomst
Met veel kinderen, jongeren en hun ouders in Nederland gaat het goed. Oók als zij zijn aangewezen op jeugdhulp en jeugdbescherming. Er zijn mooie voorbeelden van gemeenten die mét werkgevers en professionals toegankelijke en goede jeugdhulp realiseren. Juist omdat we weten dát het goed kán, is het zo belangrijk dat dat op nog grotere schaal dan nu gebeurt. Wat vraagt dat van overheid en van professionals en hoe ervaren jongeren de geboden jeugdhulp? Een ronde tafel gesprek op het podium met Atty Bruins (Directie Jeugd VWS), een ervaringsdeskundige en een behandelaar. Maretha de Jonge schuift aan tafel en vertelt wat het betekent voor de opleidingen van orthopedagogen en orthopedagoog-generalisten. Dagvoorzitter Piet-Hein Peters leidt het gesprek en zorgt voor een boeiende interactie met de deelnemers in de zaal.

Atty Bruins is MT- lid bij de Directie Jeugd van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Zij heeft in haar portefeuille de kwaliteit van de jeugdhulp. Vanuit haar functie zet zij zich in om de jeugdhulp merkbaar en meetbaar steeds beter te maken voor kinderen, jongeren en gezinnen, zodat ze op tijd passende hulp ontvangen.

Prof. dr. Maretha de Jonge is onder meer hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit Leiden. Haar onderzoek richt zich onder andere op de beroepspraktijk van nu en de toekomst en de opleiding van orthopedagogen en orthopedagoog-generalisten. Voor haar verdere bio zie deelsessie The OPEN OGen challenge.

15:45 uur            Uitreiking Thesisprijzen
16:15 uur            Afsluiting
16:30 uur            Borrel

Deelsessie Ronde 1 - 11.10-12.00uur

1. Stimuleren van motorisch leren bij kinderen met bewegingsstoornissen 

In de presentatie wordt ingegaan op de huidige wetenschappelijke inzichten voor wat betreft motorisch leren bij kinderen met motorische beperkingen, de invulling van de behandeling en de rol van ouders hierbinnen.

Na een beschrijving van de doelgroep en de motorische problemen die deze kinderen hebben, wordt ingegaan op principes van impliciet en expliciet leren en de voorwaarden waaraan een effectieve behandeling voor het aanleren van motorische vaardigheden moet voldoen. Vervolgens wordt de huidige praktijk van behandeling toegelicht evenals de recente ontwikkeling waarin ouders meer nadrukkelijk een actieve rol krijgen toegedicht. De mogelijkheden en risico's van deze ontwikkeling wordt besproken aan de hand van de ervaringen van een lopend onderzoeksproject waarbij thuistraining uitgevoerd door ouders werd aangeboden aan kinderen met een unilaterale cerebrale parese.

Prof. dr. Bert Steenbergen is hoogleraar aan het Behavioural Science Institute van de Radboud Universiteit, professorial fellow aan de Australian Catholic University, Melbourne, en docent bij Pedagogische wetenschappen. Zijn onderzoek en onderwijs richt zich op kinderen met motorische beperkingen. Voor meer informatie zie: www.beweginginzicht.nl

Dr. Jan van der Burg is als Orthopedagoog Generalist en GZ-psycholoog werkzaam in de kinderrevalidatie van de Sint Maartenskliniek te Nijmegen. Hij werkt tevens als universitair docent bij Pedagogische Wetenschappen en Onderwijskunde aan de Radboud Universiteit. Zowel in zijn klinisch werk als in het onderwijs en wetenschappelijk onderzoek richt hij zich op de ontwikkeling, de opvoeding, de revalidatie en het onderwijs aan kinderen met motorische beperkingen.

2. Leerproblemen bij hoogbegaafdheid

Hoogbegaafde leerlingen vertonen niet zelden problemen die doen denken aan specifieke leerproblemen (bijv. dyslexie, adhd). Toch is de diagnose van leerproblemen bij deze groep niet eenvoudig, omdat er een aanzienlijk risico is op misdiagnoses en soms worden de leerproblemen (en/of de hoogbegaafdheid) helemaal niet gesignaleerd. De sterke kanten van deze leerlingen kunnen vaak hun zwakke kanten compenseren of maskeren. De vraag is wat dat betekent voor de diagnostiek en behandeling. In deze interactieve lezing (mobiel/tablet/laptop mee!) worden de wetenschappelijke feiten over leerproblemen bij hoogbegaafde leerlingen op een rij gezet en onderscheiden van fabels en niet-onderbouwde feiten over deze dubbelproblematiek. Aan de hand van een beschrijving van de eigenschappen van hoogbegaafde kinderen en casuïstiek zal worden uitgelegd waarom de diagnose soms zo lastig kan zijn en hoe daarmee om te gaan. Hierbij wordt in het bijzonder aandacht besteed aan executieve functies en creativiteit.

Prof. dr. Evelyn Kroesbergen is hoogleraar Orthopedagogiek aan de Radboud Universiteit en gespecialiseerd in leerproblemen en hoogbegaafdheid. Haar onderzoek richt zich op de cognitieve oorzaken van verschillen tussen kinderen in hoe zij leren, in het bijzonder binnen het domein rekenen. Daarnaast doet zij onderzoek naar verschillen binnen leerlingen: kinderen die op sommige terreinen heel goed presteren maar op andere juist niet. Naast haar werk als docent en onderzoeker, heeft zij ook jarenlange ervaring als orthopedagoog, waarbij zij zich gespecialiseerd heeft in leerproblemen bij hoogbegaafdheid.

3. Suikerinname beperken: taak voor ouders of school?

De eerste resultaten van een lopend longitudinaal onderzoek naar snackgedrag en het gebruik van suikerhoudende drankjes onder adolescenten worden gepresenteerd. Het betreft de eerste klassen van de middelbare school. In welke context wordt er met name gesnackt? Is dat thuis, op school of ergens anders? Wat is de rol van ouders en hoeveel invloed hebben vrienden? Verandert dit patroon over de tijd? Aspecten die aan bod komen zijn opvoedpraktijken (regels omtrent voeding thuis), de kantinescan (het aanbod in de kantine op school), maar ook de kwaliteit van de relatie met ouders en vrienden en het algemeen welbevinden van het kind.

Vervolgens wordt er een discussie gestart over suikertax. In omringende landen (Engeland, België) is al suikertaks ingevoerd. Hier in Nederland is er veel discussie over wat er in de broodtrommel moet/mag zitten die kinderen van thuis meekrijgen (scholen hebben daar vaak regels over) en of er wel of niet suikerhoudende drankjes verkocht mogen worden op school. We willen graag bediscussiëren  wie er verantwoordelijk is voor het terugdringen van suikerinname onder jongeren: ouders, school, jongeren zelf? En hoe dit aangepakt zou moeten/kunnen worden.

Prof. dr. Jacqueline Vink promoveerde in 2014 op onderzoek naar de rol van erfelijke aanleg bij rookgedrag (afdeling Biologische Psychologie, Vrije Universiteit). Vervolgens breidde zij haar onderzoek verder uit naar andere middelen (o.a. alcohol en cannabis). Jacqueline werkt sinds 2015 als hoogleraar bij de Radboud Universiteit. Zij doet hier niet alleen onderzoek naar middelengebruik en verslavend gedrag, maar ook naar eetgewoonten en snackgedrag. Zij kijk zowel naar de rol van omgevingsfactoren als van erfelijke aanleg.

Peter Legters houdt zich als programmamanager Gezonde Schoolomgeving bij Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG) bezig met het gezonder maken van kinderen op scholen. Van de kinderopvang tot aan het middelbaar onderwijs proberen JOGG-gemeenten een gezonde leefstijl bij scholieren de norm te maken. Gezonde voeding en veel bewegen staan daarbij centraal. Voordat hij bij JOGG werkte, hield Peter zich bij onder andere PLUS Supermarkten en de KNVB zich bezig met projecten gericht op een gezonde leefstijl. Terugkerend thema hierbij is de invloed van de omgeving op het koop- en consumptiegedrag van mensen.

Deelsessie Ronde 2 - 13.00-13.50uur

1. Agressie bij Licht verstandelijk beperking

In deze deelsessie zullen we enkele ontwikkelingen in het veld en in wetenschappelijk onderzoek bespreken waarmee we pogen agressie bij mensen met een licht verstandelijke beperking te begrijpen en te behandelen. Verschillende typen interventies, gericht op zowel cliënt als diens context, zullen we aan bod laten komen. Meer specifiek gaan we in op een interventie die we hebben ontwikkeld voor (jong) volwassenen (16+) met agressie en LVB, die wordt uitgevoerd in verschillende (forensische) settings en erkend door de justitiële erkenningscommissie: Grip op Agressie. Dit is een integraal behandelprogramma waarin training buiten de afdeling en leefklimaat en bejegening op de woning geïntegreerd zijn. We gaan in op de onderbouwing, implementatie en effectmeting en bespreken onder welke voorwaarden een dergelijke interventie geïmplementeerd moet worden.

Prof. dr. Robert Didden is gz-psycholoog en senior onderzoeker, werkzaam bij Trajectum, een (forensische) instelling voor (jong) volwassenen met een licht verstandelijke beperking en ernstige gedragsproblemen. Daarnaast is hij als bijzonder hoogleraar verbonden aan het Behavioural Science Institute en vakgroep Orthopedagogiek van de Radboud Universiteit

Drs. Hilde Niehoff is GZ-psycholoog en  als Programmaleider voor de agressiespecialisatie werkzaam binnen Trajectum, het kenniscentrum van Trajectum en verbonden aan  de BORG instellingen.

2. Hebben wij iets aan academisch opgeleide leerkrachten?

Iedereen is het er eigenlijk wel over eens dat de kwaliteit van de leerkracht een grote rol speelt in het bepalen van de kwaliteit van het onderwijs. Goed onderwijs vraagt om goede leerkrachten. Maar wat maakt een leerkracht goed? Er is een tendens te denken dat een academisch opgeleide leerkracht een betere leerkracht is dan een niet academisch opgeleide leerkracht. Wellicht is dat waar, maar toch zal alles daarbij afhangen van wat het betekent om als leerkracht academisch opgeleid te zijn. Dat kan niet slechts een formeel kenmerk zijn, niet slechts een kwestie van in het bezit te zijn van een ALPO- of PWPO-getuigschrift.

Traditioneel is een academische opleiding een wetenschappelijke opleiding. De academisch opgeleide leerkracht is thuis in de wetenschap, of de wetenschappen, die relevant zijn voor het onderwijs. Daarbij is “thuis zijn in” uiteraard een metafoor die doorgaans verwijst naar het vermogen van de betreffende leerkracht om inhoudelijk en methodologisch als een gelijke mee te kunnen praten over het opzetten en uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en over het interpreteren en toepassen van wetenschappelijke bevindingen. Ik zal dit karakteriseren als: traditioneel beschouwd beschikt een academisch opgeleide leerkracht over epistemisch gezag.

Ik zal vervolgens betogen dat een leerkracht niet veel heeft aan epistemisch gezag. Hij heeft vooral behoefte aan pedagogisch gezag. Ik zal het verschil tussen pedagogisch en epistemisch gezag uitwerken en voorstellen doen voor een academische opleiding waarin de leerkracht op een spoor gezet kan worden dat zou kunnen leiden tot pedagogisch gezag. Meer dan een spoor zal het niet zijn. Pedagogisch gezag kun je immers niet in je eentje hebben. Daar heb je het vertrouwen van anderen voor nodig. Dat vertrouwen kun je niet verdienen, maar natuurlijk wel krijgen. En ook waard zijn.

Prof. dr. Jan Bransen is hoogleraar Filosofie van de gedragswetenschappen aan de Radboud Universiteit. Hij heeft uitgebreid in het Engels gepubliceerd over kwesties als autonomie, persoonlijke identiteit, zelfkennis, liefde en praktische rationaliteit. De laatste jaren heeft hij zijn aandacht verlegd en schrijft sindsdien voornamelijk in het Nederlands en voor een breder publiek. Jan Bransen ziet zichzelf het liefst als een kruising tussen een schoolmeester, een filosoof en een cabaretier. Hij is een reisleider in gedachtegangen. Hij denkt graag hardop na en gebruikt daarbij graag plaatjes. Begin 2019 verschijnt van hem een boek waarin hij pleit voor een radicaal ander onderwijsbestel: Gevormd of vervormd? Een pleidooi voor ander onderwijs.

3. Causale netwerken en gepersonaliseerde zorg

In deze deelsessie worden nieuwe inzichten op het gebied van de netwerkbenadering gekoppeld aan de praktische vraag van hoe behandelingen beter af gestemd kunnen worden op de individuele behoefte van cliënten (personalized care). Na een korte introductie over de meest recente ontwikkeling in het klinisch onderzoek zullen in een debat  de sprekers samen met het publiek in discussie gaan over een aantal thema’s: de klinische besluitvorming achter persoonlijke netwerken, de noodzaak om oorzaken van stoornissen op te nemen in de netwerken, een netwerk als ingang voor gepersonaliseerde procesmonitoring gedurende de behandeling, ‘early warning’ signalen in behandeltrajecten. Ook zal het publiek uitgenodigd worden om mee te denken over een aantal zaken rondom de implementatie van de netwerkbenadering en gepersonaliseerde procesmonitoring in de praktijk. Onderwerpen die hierbij aan bod kunnen komen zijn privacy , veranderende machtsverhouding behandelaar en cliënt, en toegang tot data.

Dr. Anna Lichtwarck-Aschoff is universitair docent bij de afdeling orthopedagogiek bij het Behavioural Science Institute van de Radboud Universiteit. Haar werk richt zich voornamelijk op de algemene principes van klinische verandering vanuit een dynamisch systeem perspectief. Zij heeft verschillende studies gedaan in diverse populaties, kenmerkend is de nadruk op onderliggende processen en mechanismen die ons helpen te begrijpen waarom sommige cliënten verbeteren en andere niet. Tevens besteedt zij in al haar projecten aandacht aan de vertaling van wetenschappelijke inzichten naar concrete handvatten voor de praktijk.

Prof. dr. Roy Otten is hoofd Research & Development van Pluryn-Intermezzo. Tevens is hij bijzonder hoogleraar Kwetsbare Jeugdigen en Risicogedrag bij het Behavioural Science Institute van de Radboud Universiteit en research fellow van het REACH Institute van de Arizona State University. In zijn wetenschappelijk werk combineert hij fundamenteel wetenschappelijke vraagstukken met toegepast onderzoek. Zo heeft hij veel ervaring met effectiviteitstudies maar besteedt hij ook veel aandacht aan het begrijpen van de mechanismen en processen die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van psychopathologie en problematisch middelengebruik. Hierbij maakt hij gebruik van verschillende paradigma’s, designs en onderzoeksmethodes.

Prof. dr. Cilia Witteman is gewoon hoogleraar Psychodiagnostiek in het bijzonder Diagnostische besluitvorming bij het Behavioural Science Institute van de Radboud Universiteit. Zij onderzoekt klinisch-diagnostische processen en clinici die diagnostische beslissingen nemen. Ze schrijft handboeken over psychodiagnostiek en clinical assessment. Ze doceert psychodiagnostiek en psychometrie aan studenten orthopedagogiek en klinische psychologie alsook bij postdoctorale opleidingen klinische (neuro)psychologie.

Deelsessie Ronde 3 - 14.00-14.50uur

1. TOS: Wat is dat?

Tijdens deze sessie ontrafel ik TOS in termen van Executieve Functies, Theory of Mind en (Innerlijke) Taal. Ik onderbouw de idee dat taalstoornissen of het minder toegang hebben tot taal niet alleen een sterke invloed hebben op de dialoog met de buitenwereld, maar ook een sterke invloed hebben op de dialoog met onze eigen binnenwereld. Tegen de achtergrond van de verstoring in dialoog ontstaan problemen op het gebied van de sociale cognitie en executieve functies. Vanwege deze dubbele belasting van taalstoornissen in de binnenwereld en in de buitenwereld, stellen we dat er bij TOS sprake is van taalstoornissen in het kwadraat. Dit samenspel wordt niet alleen toegelicht aan de hand van neuropsychologische bevindingen maar ook aan de hand van ervaringen in het behandelen en begeleiden van jongeren in het onderwijs en de praktijk van zorg. Tevens komt een jongere met TOS zelf aan het woord.

Dr. Constance Vissers is als onderzoeker en klinisch neuropsycholoog verbonden aan Kentalis en de Radboud Universiteit. Haar onderzoek richt zich op de neuropsychologie van taalontwikkelingsstoornissen. 

2. The OPEN OGen challenge: OPleiden En Nascholen van Orthopedagoog (Generalist)en

Hoe ziet het werk van de orthopedagoog van de toekomst eruit? Het passend onderwijs en de jeugdwet vragen veel van orthopedagogen in het veld en daarmee op herbezinning op onze opleiding en nascholing. Door deel te nemen aan deze workshop gaat u met ons de uitdaging aan om deze transformatie in 3 fases een boost te geven.

  1. Ready? Op welke manieren is ons vak in beweging? Wat hebben wij onderzocht met de OPEN OGen studie? Wij zorgen voor achtergrondinformatie als vertrekpunt voor de uitdaging.
  2. Set. Hoe zijn de taken van orthopedagogen in verschillende werksettings veranderd? Wat is er nodig om orthopedagogen door middel van opleiding en nascholing goed voor te bereiden op de beroepspraktijk? We geven op interactieve wijze antwoord op deze vragen en gaan met u in discussie over de betekenis voor de orthopedagoog.
  3. Go! We gaan de uitdaging aan om de verbinding te maken tussen onderzoek en de beroepspraktijk. Door kennis, expertise en ervaringen te delen ontwikkelen we innovatieve ideeën voor het verbeteren van de aansluiting van opleiding en nascholing op de beroepspraktijk.

Malou van Lierop-Noten doet promotieonderzoek aan de universiteit Leiden naar de rol van empathie bij vroege ontwikkeling van geragsproblemen. Daarnaast doet zij samen met Maretha de Jonge onderzoek naar het opleiden en nascholen van orthopedagoog (generalist)en. Malou is werkzaam als orthopedagoog in de gehandicaptenzorg en binnen de nvo is zij als projectleider betrokken bij het opstellen van het beroepscompetentieprofiel van de basis-orthopedagoog.

Prof. Maretha de Jonge is Orthopedagoog-Generalist/GZ-psycholoog en cognitief gedragstherapeut. Zij werkt deels in de klinische praktijk op de afdeling psychiatrie van het UMC Utrecht waar zij zich heeft gespecialiseerd in de diagnostiek en behandeling van kinderen en jongeren met ontwikkelingsstoornissen – in het bijzonder autisme spectrum stoornissen en selectief mutisme - en de begeleiding van hun gezinnen en leerkrachten. Tevens is zij als docent verbonden aan de RINO-groep. Daarnaast is zij verbonden als hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit Leiden. Haar onderzoek richt zich onder andere op de beroepspraktijk en de opleiding van orthopedagogen en orthopedagoog-generalisten.

3. Separeren, we gaan het 100% voorkomen

Separeren werd lang gezien als een soms noodzakelijke en dan vaak ook voor de betrokkene waardevolle interventie. Dat vinden we niet meer. We zien het nu vooral als schadelijk. Maar hoe gaan we het dan voorkomen? Accare heeft het separeren teruggebracht van 400x/jaar naar tot 5x/jaar. Nog altijd is het zoeken hoe ook de laatste situaties waarin gesepareerd wordt toch nog weer te gaan voorkomen. In deze deelsessie wordt de zoektocht gedeeld en vinden we hopelijk ingang om separaties uiteindelijk definitief naar 0 te brengen.

Drs. Peter Dijkshoorn is kinder- en jeugdpsychiater en bestuurder van Accare. Hij laat zijn werk sturen door Evidence Based Practice, een keus die ook Accarebreed gedaan is. Deze werkwijze heeft er o.a. toe geleid dat kinderen binnen Accare tijdens een opname steeds intensiever behandeld worden en steeds korter in de kliniek verblijven, maar dus ook dat er vrijwel niet meer gesepareerd wordt. Daarnaast is hij adviseur effectieve jeugdhulp van het OZJ (ondersteuningsteam zorg  voor jeugd van VNG, VWS en brancheorganisaties).

Ga terug naar Aanmelding & Inschrijving.