Klik op de afbeelding voor een bladerboek of een PDF van de inhoudspagina en het omslagartikel.

De volledige NVO-Bulletins staan op het ledengedeelte.


NVO-Bulletin nr.3 2014


NVO-Bulletin nr.2 2014


NVO-Bulletin nr.1 2014


NVO-Bulletin nr. 6 2013


NVO-Bulletin nr. 5 2013


NVO-Bulletin nr. 4 2013


NVO-Bulletin nr. 3 2013


NVO-Bulletin nr. 2 2013


NVO-Bulletin nr. 1 2013


NVO-Bulletin nr. 6 2012


NVO-Bulletin nr. 5 2012

NVO-Bulletin nr.4 juli 2012

Klik op de afbeelding hierboven en bekijk het omslagartikel - De volledige NVO-Bulletins staan op de ledensite


NVO-Bulletin nr. 3 2012

Klik op de afbeelding hierboven en bekijk het omslagartikel - De volledige NVO-Bulletins staan op de ledensite


NVO-Bulletin nr. 2 jubileumspecial

Klik op de afbeelding  hierboven voor een bladerboek van het jubileumnummer


NVO-Bulletin nr 1 2012

Klik op de afbeelding hierboven en bekijk het omslagartikel - De volledige NVO-Bulletins staan op de ledensite


NVO-Bulletin nr. 6 2011

Afbeelding: 2011#6

'GEBREK AAN RICHTING IS ONS GROOTSTE PROBLEEM'

 

De behoefte aan gezag en richting is een van de meest onderschatte problemen van deze tijd’. ‘Christien Brinkgreve, hoogleraar sociale wetenschappen, Universiteit Utrecht ’. Met deze regels begint ook het artikel ‘De 10 grootste problemen van Nederland’ in de Groene Amsterdammer van april dit jaar. Christien Brinkgreve is keynote speaker op het NVO-jubileumcongres dat ‘Gezag, wat moet, wat mag’ als thema heeft. Ze komt vanuit Egmond waar ze haar werk aan haar boek ‘De nieuwe gezichten van gezag’ heeft onderbroken voor dit gesprek.


Het is heerlijk rustig in sociëteit Arti et Amicitae in Amsterdam. Ik had in de heersende herfstvakantie niet door de bonte massa in de Kalverstraat moeten gaan. Een hink-stap-sprong route langs veel te warm geklede mediterrane toeristen die met gestrekte arm en wollen handschoenen foto’s nemen. En waakzame ouders met kinderen die breeduit, hand in hand, stokkend voortgaan. (‘Je houdt vast, zeg ik!’). Ja, de grote stad, het metropolitaanse mengsel van commercie en internationale multiculturaliteit. De afleiding en verleiding trekken hier letterlijk aan je gezag als ouder.


Ouders dobberen in onrustig vaarwater
En over dat laatste spreek ik met Christien Brinkgreve in deze oase aan het Rokin.
Was het een citaat van u, die kop in de Groene? ? Er komen nog andere sociale wetenschappers aan het woord.
‘Het is iets krachtiger geformuleerd. Ik heb gezegd dat als me ruim 35 jaar geleden gevraagd zou worden wat het grootste probleem van Nederland is, ik toen als antwoord zou hebben gegeven: “onvrijheid en ongelijkheid”. Ik denk dat gebrek aan richting nú ons grootste probleem is. Gebrek aan houvast. Ik denk dat het op alle gebieden speelt. Zeker ook  bij opvoeding, voor ouders en in gezinnen. Hoe moet je opvoeden? Waar baseer je dat op, waar kijk je naar? In wat voor wereld moet je je kinderen grootbrengen? En: voor wat voor wereld? De kracht van oude regels is verzwakt. Rust, reinheid, regelmaat, “Jij moet het doen omdat ik het zeg!”, dat werkt allemaal niet meer. Wat moet ik nu doen of zeggen om kinderen te laten doen wat ik voor hun in het hoofd heb? Onderhandelen; maar waarover en hoever? In dat ruime onrustige vaarwater dobberen ouders op het ogenblik.  Daarover zal ik het hebben in mijn inleiding op het NVO-congres. Ik zal een grondpedagogisch thema, als de spanning tussen vrijheid en structuur, benaderen vanuit een sociologische en eigentijdse invalshoek. Als socioloog plaats ik zaken in een ruimere context. Daar zit natuurlijk een verschil met pedagogen. Ik kan het hebben over klasseverhoudingen, over opleidingsverschillen en opvoedingdoelen, maar dat zijn gebieden waarop de pedagoog vast goed thuis is.  Ik zou het op het congres graag willen hebben over een onderliggende structuur, een onderstroom van angsten, ambities en verlangens, in de context van de maatschappelijke verhoudingen.’


Opvoedingsideaal in een geopolitieke context
Ik begrijp dat u de onzekerheid, ons opvoedingsklimaat,  zelfs in een geopolitieke context wilt plaatsen. Is er een parallel tussen het wankelende idee van de maatschappij die nu wel zijn finale vorm had bereikt (zoals indertijd bijvoorbeeld betoogd in The end of history and the last man ) en ons ideaal  opvoedingsmodel. Hebben of hadden we ook niet het idee dat we het nu wel voor elkaar hadden,  en dat dit model voor iedereen op de wereld het beste was? En brengt de huidige crisis ons nu vooral in het Westen aan het twijfelen?


‘Ik heb vaak de indruk dat pedagogen, maar ook psychologen en sociologen, komen met een soort ideaalmodel,  dat we nu aan het einde van de ontwikkeling staan. Ik vind dat een heel naïeve, maar ook een Europa-centrische gedachte. Die tref ik ook vaak aan in de discussies over de ideale man of vrouw, of over de ideale vrouw-man verhouding. Er wordt een blank ideaal, een hogere-klasse ideaal geschetst. Daarmee wordt het plaatje losgeknipt van de hele context waarin hij thuishoort.
Ik denk dat heel veel ontwikkelingen anders zullen lopen dan in die modellen is voorzien. Op de achtergrond speelt altijd de vraag naar de sociale overlevingswaarde van manieren van leven en mentaliteiten. Als de marktverhoudingen en machtsverhoudingen heel anders komen te liggen heeft dat verstrekkende gevolgen. Daarom vind ik het boek Battle Hymn of the Tiger Mother  een heel interessante casus. Ik denk dat die zoveel ophef veroorzaakt omdat het in strijd is met onze hedendaagse ideaalbeelden over hoe je moet opvoeden: vol aandacht en zacht, vooral niet dwingend, niet bevelend en niet autoritair. En dan komt de auteur Amy Chua met een volledig tegengesteld geluid. Het is overigens een ironisch boek, er zit zelfspot in, en het is geen verheerlijking van haar aanpak. Ze beschrijft wat ze doet tegen de achtergrond van haar ontwikkeling: arme ouders, migranten die zich hebben opgewerkt.
Ik denk dat veel mensen in het Westen nog steeds vanuit een sociale gemoedsrust redeneren. Alsof zij de hegemonie op aarde kunnen voortzetten en hun kinderen in zachtheid kunnen opvoeden. Onderwijl veranderen de verhoudingen. Het zou best eens kunnen dat we weer de andere kant opgaan. Niet de zweep erover, je moet andere manieren ontwikkelen om kinderen aan te spreken. Maar je merkt dat die zachte aanpak ter discussie staat. Ambitie “mocht” lang niet in de opvoeding. Nu merk je, bijvoorbeeld in de discussie rond de zesjes- cultuur,  dat weer bespreekbaar is dat kinderen moeten presteren, harder moeten werken, uitblinken. Dat vindt  plaats tegen het licht van scherpere concurrentieverhoudingen. Als je die er niet bij betrekt begrijp je weinig van de discussies die nu spelen.’

 

(kader)

Uit: Battle Hymn of the Tiger Mother (Chapter 22) Amy Chua
Here’s a question I often get:  “But Amy, let me ask you this.  Who are you doing all this pushing for – your daughters, or” – and here always, the cocked head, the knowing tone – “or yourself?”  I find this a very Western question to ask (because in Chinese thinking, the child is the extension of the self).  But that doesn’t mean it’s not an important one.
My answer, I’m pretty sure, is that everything I do is unequivocally 100% for my daughters.  My main evidence is that so much of what I do with Sophia and Lulu is miserable, exhausting, and not remotely fun for me.  It’s not easy to make your kids work when they don’t want to, to put in grueling hours when your own youth is slipping away, to convince your kids they can do something when they (and maybe even you) are fearful that they can’t.  “Do you know how many years you’ve taken off my life?” I’m constantly asking my girls.  “You’re both lucky that I have enormous longevity as indicated by my thick good-luck earlobes.”
To be honest, I sometimes wonder if the question “Who are you really doing this for?” should be asked of Western parents too.  Sometimes I wake up in the morning dreading what I have to do and thinking how easy it would be to say, “Sure Lulu, we can skip a day of violin practice.”  Unlike my Western friends, I can never say, “As much it kills me, I just have to let my kids make their choices and follow their hearts.  It’s the hardest thing in the world, but I’m doing my best to hold back.”  Then they get to have a glass of wine and go to a yoga class, whereas I have to stay home and scream and have my kids hate me.

(eind kader)


Voor wat voor samenleving voeden we op?
‘Op de achtergrond van veel pedagogische richtlijnen, veel pedagogische opvoedingsdoelen ligt de vraag verscholen: Waartoe wil je kinderen opvoeden? En daarachter steekt weer de vraag: hoe kunnen die kinderen zich handhaven?  Als we onder invloed van scherpere concurrentieverhoudingen in een hardere maatschappij terechtkomen, dan wil je die kinderen daar op een andere manier op voorbereiden. Dat ligt anders als je de gemoedsrust hebt van waaruit je denkt: “Ach ze komen er wel, als er maar leuk uitzien, een prettig pakket hebben en gezond in het leven staan.”
Het is niet duidelijk hoe de wereld zich ontwikkelt, maar het is wel duidelijk dat de suprematie van het Westen toch iets minder vanzelfsprekend is dan we hadden gedacht.
Alle vragen die het oproept over vrijheid en het belang van structuur en richting kom je ook in romanliteratuur tegen. Freedom van Jonathan Franzen  bijvoorbeeld, gaat daar ook over.
De vraag is: zijn onze kinderen weerbaar genoeg? En weerbaar in wat voor soort samenleving?’

 

In het NVO-Bulletin van augustus staat een interview met Monique Volleman onder de titel ‘Prestatiegericht onderwijs verpest de zin in leren’. Ze laat een tegengeluid horen in het debat rond de huidige drang op presteren, toetsen en kernvakken in het onderwijs.
´Het gaat bij haar om een ander model: je moet kinderen motiveren, je leert pas als je het leuk vindt. Het beste uit kinderen halen door ze te motiveren gaat ook over presteren, maar langs een andere weg: niet drillen, maar motiveren. Dat laatste spreekt mij veel meer aan, maar je kunt je afvragen of dat stand zal houden in een hardere, meer competitieve wereld. Bij het andere model komt het aan op disciplineren, iets wordt dan pas leuk als je er goed in bent. Eerst lijden en werken, dan volgt er iets leuks.’

 

Dat doet mij denken aan een liedje van Johnnie Cash: ‘A boy named Sue’. De vader zadelt zijn zoon op met een meisjesnaam zodat hij weerbaar zal worden in een samenleving waar zijn vader er niet voor hem is. Je moet als ouder eerst iets onsympathieks doen om je kinderen weerbaar te maken. Pleit u daarvoor?
‘Nee. Je moet de kracht in kinderen ontwikkelen, en de weg van het motiveren vind ik de mooiste. Maar ik houd geen pleidooi voor een bepaalde opvoedingstechniek. Ik ben ook geen pedagoog. Wat ik wil doen is de opvoedingsdoelen en -technieken laten zien in het verband van de tijd. Je kan er zo naast schieten. Je kunt een kind veel te hard opvoeden, terwijl dat niet nodig is. Daarmee maak je kreupele, afgerichte, angstige mensen. Je kunt ze ook opvoeden in het idee dat de wereld zacht en vriendelijk is, maar dat is ook niet waar. Ik zal op het NVO-congres dus geen pleidooi houden voor een bepaalde stijl. Wat ik zal proberen te doen is laten zien dat het in een context zit en dat het soms ook niet passende erfenissen zijn. De romanliteratuur staat vol met verhalen over gezinnen met gereformeerde ouders, die kinderen gedrild hebben en bang gemaakt, waardoor ze emotionele defecten hebben opgelopen.
Het zou best kunnen dat er nu een tijd komt waarin romans verschijnen van het type van Jonathan Franzen, over kinderen die prettig zijn opgevoed, in grote vrijheid, maar die een leegte ervaren en niet zijn toegerust op hardere verhoudingen. Ik pleit dus voor een ander – ruimer, breder -soort inzicht.’

 

We moeten veranderen
Denkt u dat we op een keerpunt staan?
‘Wel.., China staat natuurlijk symbool voor verandering. Het is geen angstreactie, maar ik denk wel dat de verhoudingen anders worden. Maar hoe dat uit zal pakken weet ik niet.
Voor ondernemingen geldt hetzelfde. Er wordt veel geschreven en gesproken over de val van de oude hiërarchieën, over andere manieren van organiseren, van afstemmen. Terecht, denk ik,  die oude hiërarchieën werken vaak niet meer en lopen vast. Je kan in die discussies soms de verleiding van het despotisme voelen. Maar het verlies van vrijheid is niet de prijs die wij willen betalen. (En misschien de chinezen op den duur ook niet.) Als je ziet hoe die economieën in Azië werken, geeft dat wel te denken over wat goede manieren zijn om te organiseren. Het zou een vergissing zijn om te besluiten om het hier dan ook maar op die manier te gaan doen, want dat past hier niet. Het biedt ons wel een reflectie, en het laat zien dat je verder moet kijken dan alleen naar de welstand in eigen land.’

 

Peter Sloterdijk  besteedt in Du musst dein Leben ändern  op verschillende plaatsen aandacht aan opvoeding en scholing.  Zo heeft hij het ook over de erosie van de school en het ‘Zerfall der Übungskultur und des Disziplinbewusztseins in der Pädagogik. ’ Ik worstel nog met zijn in barokpoëtische  taal geschreven boek, maar ik begrijp er op zijn minst uit dat we ons nu (geconstrueerd) met frivoliteiten bezighouden, maar dat een wereldwijde -niet alleen Westerse- crisis op economisch, ecologisch en cultureel ons dwingt tot veranderen. Ik lees ook een oproep voor meer ambitie, voor meer persoonlijke inzet en oefening. Wie het voortouw moet nemen is –mij althans- voorlopig niet duidelijk. Maar we zullen wel moeten veranderen. 

‘Dat laatste denk ik dus ook, dat is een beetje dezelfde stroom. Ik heb dit boek nog niet gelezen, maar het ligt klaar. Sloterdijk is een heel sociologisch denkend filosoof, daar heb ik vaak verbindingslijnen mee. We zijn in een fase van verandering en dat heeft hoe dan ook gevolgen voor de manier waarop je kinderen moet toerusten voor een veranderende wereld. Dat loopt vaak achter, het gaat ook niet gelijktijdig, en het heeft soms ook zijn eigen dynamiek. Het gaat vaak om opvoedingidealen die van een hogere klasse naar een lagere doorsijpelen.’

 

In het artikel ‘Why Chinese mothers are superior’ in The Wall Street Journal, dat de aanzet was voor het debat en het grote succes van haar boek, haalt Amy Chua een onderzoek aan onder ‘50 Western American mothers and 48 Chinese immigrant mothers’. Daaruit kwam naar voren dat bijna 70% van de westerse moeders het benadrukken van academisch succes niet goed is voor kinderen en dat ouders het idee moeten bevorderen dat leren leuk is. 
‘By contrast, roughly 0% of the Chinese mothers felt the same way’, zegt Amy humorvol.
Ze zegt dat Chinese ouders denken dat zij weten wat goed is voor hun kinderen. Zijn we dat geloof in ons zelf een beetje kwijt?

‘Ik denk niet dat je dat model zo maar over zou kunnen nemen. Als we kijken naar de onzekerheid en de onrust waar veel ouders nu in verzeild zijn: de eisen aan de perfecte opvoeder die ze zichzelf en elkaar stellen, en de onzekerheid over falen, is het misschien wel tijd om weer eens na te denken of er toch niet iets zat in de duidelijkheid van regels. Dan kom je uit bij basale pedagogische regels van goed kijken en luisteren, en je eigen frustraties, angsten en verlangens niet teveel mee laten spelen. Je kunt kinderen verwaarlozen door ze te weinig houvast te bieden. Maar ze dwingen te worden zoals jíj in je hoofd hebt, kun je ook als een vorm van verwaarlozing zien.’

 

Wij willen weer regels
‘In die behoefte aan richtlijnen en regels zit iets ingewikkelds: er is een afkeer van autoriteit: “Wie ben jij dat je iets over me te zeggen hebt? En tegelijk: “Zeg me wat ik moet doen”. Dat is het thema van mijn nieuwe boek.’
 

Wiens regels zijn dat dan?
‘Dat is natuurlijk het probleem. Als het van ouders op kinderen kan worden doorgegeven, en er niet verder over nagedacht wordt, dan ligt dat simpeler. Maar wij zitten met de vraag, wiens regels dat zijn en voor wie ze gelden. En hoe kom je daaraan en waarom?’

 

Eén soort regels, of een hele reeks regels die naast elkaar bestaan?
Er is niet één soort regels, zoals er ook niet één waarheid is. Ik denk ook niet je naar een ideaal moet streven, naar één manier van opvoeden die voor iedereen het beste is. Net zo min als het ideaal van precies gelijk zorgende mannen en vrouwen -waar we het in het begin over hadden- hét ideaal is.
Het is natuurlijk context- en klassegebonden. Ik denk dat we het idee van een geprivilegieerde  sociale klasse over vrijheden die je kinderen zou moeten toestaan niet moet opleggen aan mensen die dat nog niet gewend zijn. Dat is een te abrupte overgang, het omgaan met vrijheid moet je leren. Ik denk niet dat je moet streven naar één soort regels, afgezien van basale regels van goed kijken en luisteren, en het soort basale menselijke samenlevingsregels als:
“Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. Dat is een gouden regel.
Daarmee voedt je kinderen ook op tot sociale wezens, met verantwoordelijkheidsbesef, eerlijkheid.
Waarom vraag je dat, eigenlijk?’

 

Mensen zullen graag willen weten wat ze wél moeten doen. Mensen zijn onzeker, pedagogen moeten die onzekerheid ook voelen. (Pedagogen zijn ook mensen).
‘Ik begrijp de behoefte aan zekerheid wel goed. Het is het misverstand van onze tijd. De verwaarloosde behoeftes zijn die aan begrenzing, de behoefte aan houvast. Idealen zijn soms te letterlijk genomen of er is te rigide mee omgegaan. Ik zie het niet als mijn taak om praktische oplossingen aan te dragen, om een lijstje tips and tricks aan te reiken, om te zeggen hoe het moet. Ik probeer de tijd te lezen, ik wil de ontwikkelingen en opvattingen laten zien in het licht van de tijd.’

 

Voorbij een discussie over waarden en normen
U hebt daar wel iets praktisch over gezegd in de Kohnstamm lezing  die u vorig jaar hield: ‘Terugkomend op het eerdere voorbeeld van de ouders van de middelbare schoolkinderen: het verlangen om hun kinderen te beschermen en het besef dat je hen los moet laten strijden bij hen om voorrang. De tweestrijd gaat verder dan de discussie over waarden en normen: het gaat om het beheer van emoties.’

Daarmee tilt u de discussie uit boven de persoonlijke willekeurige invulling en opvatting die iedere discussie een zekere mate van vrijblijvendheid verleent. U pleit voor aandacht voor zelfsturing en zelfinzicht. Dat is toch een tamelijk praktische aanbeveling.

 

‘Dan kan ik toch iets meer zeggen dan ik soms denk.
In deze tijd kun je je minder verlaten op sturing van buitenaf. Dat betekent dat je jezelf moet leren kennen, dat je jezelf in de hand moet leren houden. Het is een cultuur van zelfsturing. Daar liggen ook opdrachten voor opvoeders en pedagogen. Mijn handelsmerk blijft het plaatsen in de tijd. Dat zal ik in mijn inleiding op het NVO-congres doen met gezagsverhoudingen.’

 

Rinke Bok

 


NVO-Bulletin nr 5 2011

Link: href=

‘VOOR MIJN OUDERS WAS STRAF ONDENKBAAR’

Prof. dr. Ido Weijers (63) is sinds juli bijzonder hoogleraar jeugdbescherming. Daarvoor was hij zeven jaar hoogleraar jeugdrechtspleging. Allebei aan de universiteit van Utrecht en het Willem Pompe Instituut. Het baart hem zorgen dat ouders steeds meer verantwoordelijk worden gesteld voor de misdragingen van hun kinderen. ‘Alsof we terug gaan naar de Kinderwetten van 1901. Toen het gezin als rotte plek en ouders als verziekers werden gezien.’

 

‘Deze stoel is een erfstuk van mijn vader, ik zit hier eigenlijk nooit.’ Ido Weijers poseert voor de fotograaf als ik zijn woonkamer in de Amsterdamse rivierenbuurt binnenstap. Een muur is bedekt met een gigantische boekenkast vol romans, gesorteerd op auteursnaam. In de voorkamer staat een oude cello. ‘Ook een erfstuk van mijn vader.’
De stoel van zijn vader stond ooit aan een bureau in de Haagse ‘onderwijzersbuurt’, aan de rand van het Westland. De buurt waar ook Kees van Kooten en Wim de Bie opgroeiden. Vader Weijers was musicus. Componist en pianist. Daarnaast gaf hij zijn hele leven muziekonderwijs, thuis en op scholen. Eerst op een huishoudschool, later aan kweekscholen en als musicoloog aan de universiteit.
‘Lesgeven op de huishoudschool vond hij het leukst. Dat waren spontane meiden, zei hij. Op andere scholen kreeg je ze niet aan het zingen. Onderwijs - hoe pak je dat aan? - was een vast thema bij ons thuis.’

 

Bloedneus en blauwe plekken
Als pedagoog schreef Ido Weijers onder meer over het straffen van kinderen. Het viel hem op dat in de pedagogiek de straf als onderwerp decennia lang taboe is geweest. ‘Terwijl het in de Amerikaanse literatuur een big issue was, heerste er in Nederland een grote stilte op dat terrein. In het onderzoek Opvoeden in Nederland uit 1996 zeggen de meeste ouders: “Straffen, dat doe ik niet. Dat ondermijnt de ontwikkeling van mijn kind, dan krijgt ie geen autonomie.” In de jaren negentig was dat een standaardopvatting. Een klap geven was helemaal uit den boze.’
Het grappige is, zegt hij, dat er bij hem thuis ook nooit werd gestraft. ‘Ik had moderne én hele lieve ouders. Het was ondenkbaar dat zij op zoiets als straf kwamen. Bij leeftijdgenoten gebeurde dat wel. Niet in de zin van slaan, maar wel sancties als zakgeld inhouden. Mijn moeder praatte met ons: het is toch niet aardig wat je gedaan hebt?’
Als puber was hij een periode enorm agressief. Eind lagere, begin middelbare school. Kwam vaak thuis met een bloedneus en blauwe plekken. ‘Dan vond ik iets heel vals en sloeg er verschrikkelijk op los. Het geestige is dat, toen ik op de lagere school kwam, er veel werd gevochten onder kinderen. Maar ik kende dat niet, wist niet hoe dat ging. Na een paar jaar is mijn vader me toen gaan leren vechten: zo moet je dat doen! Hij vond het verstandig dat bij mij te prikkelen. Ik ben er een tijd mee doorgegaan. Als woedende puber die ineens enorm was gegroeid. Mijn ouders vonden het heel gewoon, maar soms ging het te ver. Dan klaagden andere ouders en moest mijn moeder op school komen voor een gesprek. Vervolgens besprak ze dat met mij, dan zwakte het weer af.’

 

Kerstbomenjacht
In zijn jeugd in de jaren vijftig werd er niet, zoals tegenwoordig, moeilijk gedaan over vechtende kinderen. Dat was gewoon, bloedneuzen hoorden erbij, niks om je zorgen over te maken. De politie werd er nooit bijgehaald. Van aangifte doen of vragen om schadevergoeding was geen sprake.
Ido Weijers deed ook een tijdje mee aan de jaarlijkse kerstbomenjacht in Den Haag. Tegen Oud en Nieuw werden er zoveel mogelijk kerstbomen verzameld per wijk, voor het grote Nieuwjaarsvuur. ‘Aan de knokpartijen die daarbij hoorden heb ik ook meegedaan. Niet als woedende puber, maar om de spanning, spanning, spanning. Die bomen werden verstopt in de tuin en moesten de volgende dag verhuizen omdat ze ontdekt waren door jongens uit een andere wijk. Die gevechten waren op het randje. Dat vonden mijn ouders wél verschrikkelijk. We woonden in een keurige buurt, niet in de Boekhorststraat!’
De Boekhorsters hadden zeker de meeste?
‘Die hadden alles, ook autobanden. Die vuren gaven een overlast voor de buren, veel erger dan nu. Er sprongen ramen door dat idioot hoge vuur. En er kraaide geen haan naar. Later is het uit de hand gelopen. Niet in mijn buurtje, maar in een deel van Den Haag heerste echt buurtterreur. Daar werden auto’s in de fik gestoken. De politie is toen methoden gaan ontwikkelen - pedagogisch gezien heel interessant - om dat te voorkomen. Ze gingen met die jongens praten: kunnen we er niet iets leuks van maken? Er werden speciale ruimtes ingericht voor de kerstbomen, autobanden mochten niet meer. Wie zich niet aan de nieuwe regels hield, werd stevig aangepakt. Die repressie, gecombineerd met overleg, heeft uiteindelijk wel gewerkt.’

 

Speelgoed en muziek
Voor hij politicologie en pedagogie ging studeren aan de universiteit van Amsterdam, was Ido Weijers jarenlang beeldend kunstenaar en musicus. Met een groep vrienden vormde hij het collectief De Rode Tol.
‘We hadden een speelgoedwinkel en maakten zelf houten speelgoed, van puzzels tot pakhuizen en vrachtwagens. Ik richtte hele crèches in. Eerst in Groningen, later in Amsterdam. Die vrienden gingen allemaal studeren en kregen mooie banen. Na tien jaar bleven mijn vriendin en ik uiteindelijk samen over. Zij haalde altijd boeken uit de bibliotheek, van Gramsci en Sartre. Het kon niet moeilijk genoeg zijn. Die lazen we ’s avonds, met onze bestofte ogen.’
Zijn vriendin, Tjitske Akkerman, haalde hem uiteindelijk over om alsnog te gaan studeren. Ze begonnen samen met de studie politicologie. ‘Later zijn we allebei onze eigen weg gegaan. Zij deed politieke theorie en is daar nu docent in. Ik ben meer de kant van het gedrag opgegaan. Halverwege mijn studie ben ik er pedagogie bij gaan doen. Ik vond studeren machtig, een ontdekking.’

 

Jeugdstrafrecht
Aan de Erasmus Universiteit was Ido Weijers de eerste aio, bij cultuursocioloog Anton Zijderveld. Hij promoveerde in Rotterdam en ging later naar Nijmegen. Daar kwam hij bij de pedagogiek terecht, bij wijsgerig en historisch pedagoog Wouter van Haaften.
Sinds 1995 houdt hij zich bezig met jeugdstrafrecht. Daar had hij een NWO-project over verworven: het pedagogisch perspectief op het jeugdstrafrecht. Dat ontwikkelde hij verder aan de universiteit van Utrecht, toen hij daar - een jaar later - docent werd bij pedagogiek. In 2000 kwam zijn boek Schuld en schaamte uit.
‘Het was een echt grondslagenproject, met mensen die vanuit een wijsgerige optiek naar het jeugdstrafrecht keken. Rechtsfilosofen en wijsgerig pedagogen. Terwijl ik er vanuit een volkomen theoretische invalshoek mee begon, ben ik me daarnaast steeds meer in de praktijk gaan verdiepen. Ik vond dat er op het gebied van jeugdstrafrecht een enorm gebrek was aan een doordacht pedagogisch handelen. Dat zag ik toen ik zittingen bij de kinderrechters ging bijwonen. Ik zag heel veel liefde voor hun werk, voor de kinderen, voor de ouders. Maar ook dat ze pedagogische ondersteuning nodig hadden. In de loop der jaren ben ik steeds meer adviezen en trainingen gaan geven aan kinderrechters en jeugdofficieren: hoe communiceer je met adolescenten en met hun ouders?’
Op het gebied van de jeugdrechtspleging - en met name hoe het toegaat tijdens het proces - heeft hij de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan, ook met studenten. Er zijn duizenden zittingen geobserveerd, niet alleen in Nederland maar ook in de omringende landen. Daar zijn pas twee lijvige onderzoeksrapporten over verschenen, als voorlopige afrondin
g.

 

Jeugd & Criminaliteit
Hij ging zich steeds meer verdiepen in jeugdcriminaliteit, waar het jeugdstrafrecht een antwoord op is. Deed veel onderzoek, zoals naar jeugdige veelplegers. En de laatste jaren naar jongeren en jongvolwassenen die na jaren stoppen met het plegen van criminaliteit. Waarom is dat?
‘Iedereen zegt: het zijn de leeftijdgenoten, de peers, het vriendinnetje. Verkering speelt soms een rol, maar we komen erachter dat ouders een veel belangrijker rol spelen dan tot nu toe gedacht. Echt ál die jongeren stoppen uiteindelijk voor hun ouders. Ze voelen zich schuldig en realiseren zich veel beter dan toen ze zestien, zeventien jaar waren, wat een ellende ze die ouders jarenlang hebben bezorgd. Dat inzicht moet je koesteren, dat is belangrijk.’
Vanaf 2004 is Ido Weijers ook bijzonder hoogleraar jeugdrechtspleging bij het Willem Pompe Instituut. Hij zette de minor Jeugd & Criminaliteit op voor aankomend pedagogen van de Universiteit Utrecht en juristen van het Pompe Instituut. Sinds juli dit jaar heeft hij een nieuwe leerstoel: bijzonder hoogleraar jeugdbescherming, ook aan beide instituten.
‘Dus ik ga ook druk bezig met kinderen die niet alleen wegens criminaliteit met justitie in aanraking komen, maar ook vanwege andere problemen. Dat heeft natuurlijk veel raakvlakken.’

 

Ouders in beklaagdenbankje
Op het 50-jarig jubileumcongres van de NVO, maart volgend jaar, is Ido Weijers één van de keynote speakers. De titel van het congres ‘Ouderlijk gezag. Wat moet, wat mag’, vindt hij mooi. ‘Behalve dat ie rijmt, is ie ook heel uitdagend. Mijn antwoord is: ouders moeten meer en mogen minder.’
Hij haakt aan bij zijn onderzoek naar jongvolwassen veelplegers die op een gegeven moment stoppen met crimineel gedrag, vooral uit schuldgevoel tegenover hun ouders. ‘Dat betekent dat we heel behoedzaam om moeten gaan met die ouders en met de ouder-kind relatie. Die moeten we professioneel ondersteunen. Niet aankomen met moralistische praatjes of ouders verwijten maken. Bijna alle ouders van kinderen die over de schreef gaan, zitten met de handen in het haar. Die denken al jaren: wat hebben we verkeerd gedaan? Moeten we strenger zijn of toch toegeeflijker? Het zijn dezelfde vragen die ouders van verslaafde kinderen zich voortdurend stellen. Pedagogen kunnen die ouders helpen het hoofd boven water te houden en zo verstandig mogelijke zetten te doen.’
Maar in Nederland ziet hij allerlei tendensen die de andere kant op gaan. Die de ouders ook in het beklaagdenbankje zetten als hun kinderen rottigheid uithalen. Zoals de verplichte aanwezigheid van ouders op een rechtszitting. ‘Dat heeft alleen een positief effect als de procedures zo zijn ingericht dat je maximaal met die ouders communiceert. Nu worden ouders, als ze niet komen opdagen, ’s nachts met een politiebusje opgehaald en naar de rechtszaal gebracht. Alsof ze medeverantwoordelijk zijn. Daar weet je niks van. Het draagt in ieder geval niet bij aan een goede ouderpositie.’

 

Controle werkt niet
Hij ziet het ook in de politieke trend om ouders verantwoordelijk te stellen voor de schade die hun kinderen veroorzaken. Het streven in de Tweede Kamer is om de leeftijdsgrens van veertien jaar te verhogen tot achttien jaar. ‘Alsof je als ouder volledige controle hebt over het optreden van je kinderen. Ouders hebben tegenwoordig geen idee waar hun zestien-, zeventienjarige kinderen uithangen. Wie hun vriendjes zijn, weten ze maar voor de helft. Je kunt niet zomaar ingrijpen en zeggen: dat hoor je wel te weten!’
Er is pas een mooi promotieonderzoek verschenen van Loes Keijsers uit Utrecht, zegt hij, Does your Mother Know? ‘Dat laat zien dat een te strikte controle van ouders op kinderen - en zeker op adolescenten - hartstikke contraproductief uitwerkt. Basale informatie als met welke vriendjes je kinderen omgaan, krijg je alleen op een vertrouwelijke basis. Niet door kinderen onder druk te zetten: nu ga je me eens vertellen met wie je uitgaat.’
Het onderzoek van Keijsers laat zien dat het herstellen van een vertrouwensband tussen ouders en kinderen voorop moet staan. ‘Het is belangrijk empirisch bewijs dat harde controle gewoon niet werkt, maar slecht uitpakt. Het mooie van ons pedagogisch handelen is dat we, op basis van dit soort kennis, strategieën ontwikkelen. In Nederland hebben we op het vlak “hoe voorkomen we dat kinderen verder afglijden, hoe kunnen we ouders bijstaan” een mooie serie goedgekeurde interventies. Van MST tot en met FFT. We zijn in staat ouders echt professionele adviezen en bijstand te geven.’

 

Dove politici
Volgens Ido Weijers lijkt de regering langzamerhand doof te worden voor professionals die weten wat effectief is. Gisteren nog kreeg hij de vraag om te reageren op een voorstel van de deelraad Amsterdam-West. Daar is men van plan een heropvoedingskamp te beginnen in de eigen wijk.
‘Nou ja! We hebben de Lubberskampen en de Glenn Mills Scholen gehad. Allemaal waardeloos, bewezen niet effectief. Jongens komen terug in de wijk als de betere gangsters, geroutineerde boeven. Uit onderzoek blijkt dat je juist moet kijken naar de échte problemen van die jongeren, individueel, in het gezin. Maar de staatssecretaris geeft liever geld aan dit soort harde maatregelen. Terwijl hij óók de mond vol heeft van evidence-based beginselen.’
Het opzwepen van een gevoel van onveiligheid is voor sommige politici essentieel, vreest hij. ‘Daar hangt voor een deel hun politieke leven vanaf. Anders kan ik het niet begrijpen. Terwijl we nu juist in een redelijk gunstige tijd zitten: de jeugdcriminaliteit lijkt te dalen, veel justitiële inrichtingen zijn gesloten, kinderrechters hebben minder zware gevallen. Toch is er de roep om opsluiten. Dat is behalve ineffectief, in tijden van crisis ook nog eens de duurste oplossing.’

 

Ouders mogen steeds minder
Om aan te geven dat ouders tegelijk steeds minder mógen, haalt hij een voorbeeld aan waar zijn studenten op college altijd met klapperende oren naar zitten te luisteren. Tijdens het vertellen moet hij zelf regelmatig even bijkomen van een schaterende lach.
‘Er was een proces, een aantal jaren geleden, in het zuiden des lands. Een vader heeft een opstandige zestienjarige dochter die steeds haar afspraken niet nakomt. Als dat weer eens het geval is, haalt hij haar op met de auto: Kom op, we moeten weg. Haar vriendjes joelen: Hé ouwe lul, wat kom je doen? Hahaha! Hij pakt z’n dochter beet en wil haar meenemen naar de auto. Daarop geeft zij hem een klap. Hij geeft een klap terug en zet haar in de auto.
De volgende dag doet ze aangifte tegen haar vader. Als de kantonrechter de zaak ziet, zegt hij tegen haar: Kom op zeg! Waar ben je mee bezig? Hahaha! Daar neemt ze geen genoegen mee en ze gaat in beroep. De volgende rechter geeft haar gelijk: slaan mag niet bij wet. Moet je nagaan, de dochter is begonnen! Dat vind ik altijd zo geestig. Vader krijgt honderd euro boete. Hij gaat daartegen in beroep en... de Hoge Raad bevestigt het oordeel.
Deze affaire geldt nu als voorbeeld voor rechters. Diverse juristen vinden dat goed. Die huldigen het principe dat je anders op een glijdende schaal terecht komt. Dat een tik altijd uitmondt in kindermishandeling. Zo’n glijdende schaal bestaat helemaal niet.’

 

De Klap
Een pedagogische tik is soms nodig, zegt hij die zonder enige tik is opgevoed. ‘Ken je toevallig de roman The Slap - in het Nederlands vertaald De Klap - van de Grieks-Australische schrijver Christos Tsiolkas? Daar geeft niet de vader, maar iemand uit de kennissenkring tijdens een feestje een enorm etterig gozertje een verschrikkelijke klap. PATS! Buiten proporties, maar zo goed voorstelbaar. Een deel van het gezelschap zegt: dat was hard nodig. De schrijver werkt daarna heel mooi uit welke verschillende kanten er aan vastzitten. Je realiseert je meteen: als we dat gaan juridiseren, zijn we hopeloos verkeerd bezig.’

 

Annemiek Haalboom

 

Ido Weijers zal een van de openingslezingen geven op het NVO-congres:op 22 maart 2012 in Bussum. Het thema van het congres is: ‘Ouderlijk gezag, wat moet, wat mag?’ De andere hoofdinleiding zal worden gehouden door Christien Brinkgreve, die we graag in het volgende NVO-Bulletin zullen voorstellen.
 


NVO-Bulletin nr. 4 augustus 2011

Afbeelding: 2011#4

PRESTATIEGERICHT ONDERWIJS VERPEST ZIN IN LEREN

De nieuwe hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam, prof. dr. Monique Volman vindt de huidige nadruk in het onderwijs op presteren, toetsen en kernvakken maar niks. Onwenselijk en schadelijk voor de motivatie en kennis van scholieren. In haar inaugurele rede, half juni, pleitte ze voor een betekenisvol onderwijs. ‘Dat laat leerlingen inzien waarom ze iets leren en wat ze ermee kunnen.’

 

‘Ik heb ontzettend veel mails gekregen van leraren en schooldirecteuren naar aanleiding van mijn oratie en interviews in de krant’, zegt Monique Volman. ‘Zij zijn blij met dit tegengeluid. En ík was blij met vragen als: Wanneer je weer een onderzoek gaat doen, mogen we dan meedoen?’

In haar kamer aan de Nieuwe Prinsengracht wijst ze regelmatig naar buiten. Even verderop, over het bruggetje, staat het Kohnstamm Instituut waar ze jarenlang werkte. En waarmee ze nog steeds samenwerkt. Ze deed er veel onderzoek naar sekseverschillen in het onderwijs. ‘Daar is mijn belangstelling ontstaan voor de vraag hoe het komt dat het leren van bepaalde vakken voor sommige leerlingen niet betekenisvol wordt. Bijvoorbeeld waarom meisjes geen exacte vakken kiezen en jongens talen en geschiedenis minder interessant vinden. Dat is geen natuurgegeven. Frans werd vroeger op de chique jongensscholen gesproken, terwijl het nu een typisch meisjesvak is.’

 

Proefwerk wiskunde

Betrokkenheid van leerlingen bij het onderwijs is de rode draad in alles wat ze gedaan heeft. ‘Zelf noem ik het betekenisvol onderwijs. Dat heeft veel met betrokkenheid te maken. Hoe komt het toch dat veel leerlingen niet betrokken zijn en raken bij school? En hoe zorg je dat dit wel zo is?’

De bron ligt in haar eigen schoolervaringen. Op de middelbare school in Helmond was ze een goede leerling, haalde hoge cijfers. Ze herinnert zich nog goed dat ze wiskunde kregen: leuk, een nieuw vak!

‘Ik was heel goed in wiskunde, de eerste twee jaar. Het derde jaar snapte ik er niks meer van en had ik een vier op mijn rapport. Dat was me nog nooit overkomen. Ik was heel bang voor die leraar. We hadden een proefwerk - ik weet het nog precies - er stond een rijtje opdrachten op het bord. Ik stak mijn vinger op en vroeg: “Meester, moet je daar de formule gebruiken van bladzijde 165?” Hij werd ontzettend boos en ik snapte niet waarom.’

 

Waterhoentje

Het jaar erna kreeg ze een andere wiskundeleraar. ‘Die werkte met groepjes. Bij statistiek mochten we een tolletje maken en daarmee draaien. Zo legde hij kansberekening uit. Dat was leuk. Ik snapte het weer en had gewoon een zeven voor wiskunde op het eindexamen. Zo zie je maar: je kunt het voor kinderen verpesten en je kunt het voor ze máken.’

Een andere ervaring had ze op de basisschool in Bussum. Eerst zat ze op een klassikale school. Daar werd ze zo ongelukkig, dat haar ouders haar van school haalden en naar een montessorischool deden. ‘Fantastisch! Je mocht zelf bedenken: ik maak een werkstuk over het waterhoentje. Je mocht zelf naar de bibliotheek om materiaal te zoeken en daar iets moois van maken. Dat vond ik heel fijn.’

 

Gezapige koeien

‘Als docent heb ik een hekel aan de zesjescultuur en ik gruw van tentamens vol spelfouten’, zei Monique Volman in haar oratie. ‘Ik vind dat we het beste uit kinderen moeten halen. Toch voel ik me ongemakkelijk bij het streven naar het maximaliseren van prestaties, als ik zie dat kinderen van elf op huiswerkinstituten worden voorbereid op de Citotoets, en jongeren van zeventien stoomcursussen volgen voor het eindexamen.’

In haar kritiek op onderwijsminister Van Bijsterveldt - die de nadruk legt op prestatiescores en kernvakken - haalt ze in haar oratie de filosoof Grahame Lock aan. Die stelt dat dit soort onderwijs van leerlingen gezapige koeien maakt. Volgens Monique Volman kunnen deze gezapige koeien, die alleen doen wat moet, wel eens hele nare koeien worden. Alleen gericht op het eigen succes. Bovendien leidt het tot gefrustreerde koeien: de leerlingen die onderaan de prestatieladder bungelen.

‘Wat krijg je voor mensen als je leerlingen alleen maar vanuit zo’n smal perspectief op de kenniseconomie opleidt? Wiskunde, Engels en Nederlands zijn natuurlijk belangrijk, bijvoorbeeld om internationaal te kunnen communiceren en een nette brief te schrijven. Maar volgens Lock zijn geschiedenis en aardrijkskunde vakken die je inleiden in de cultuur, in kritisch denken. Die zijn dus ook belangrijk.’

 

Eigenwaarde vmbo-leerlingen

Die enorme nadruk op prestaties heeft ook gevolgen voor hoe kinderen over zichzelf en over elkaar gaan denken, zegt ze. ‘Mijn zoon zit in groep 8. Hij kon na de uitslag van de Citotoets de scores van alle kinderen in de klas opnoemen. Dat vind ik pijnlijk, vooral voor de kinderen met de lage scores. Die keer op keer ingepeperd krijgen dat ze níet excellent en top zijn, níet bijdragen aan de kenniseconomie. Dat is niet gezond voor mensen en ook niet terecht. Je kunt ook een goede bijdrage leveren met zaken die niet met wiskunde en Engels te maken hebben.’

Ze is geschrokken van een onderzoek van socioloog Lenie van den Bulk naar de eigenwaarde van middelbare scholieren. ‘Ik vind het hartverscheurend dat vmbo-leerlingen niks kunnen bedenken waar ze goed in zijn. Leraren moeten hen veel meer aanspreken op wat ze wél kunnen en beroepstrots bijbrengen. Dat motiveert meer dan: jouw prestatie zit in de onderste vijf procent, dus volgende week toetsen we je weer om te kijken of het al beter gaat.’

Bovendien is de school niet bedoeld om goed te leren scoren, vindt Monique Volman. ‘Het gaat erom kennis te ontwikkelen en je verantwoordelijk te gaan voelen om iets met je kennis en vaardigheden te doen. Neem de veroorzakers van de bankencrisis. Allemaal mensen op topposities, echte topkoeien. Ik denk: je bent pas echt top als je ook een verantwoordelijke manager bent of een integere bestuurder. Maar daar gaan die scores niet over.’

 

Seneca

Als risico van de druk op leerprestaties noemt ze ook de neiging tot strategisch gedrag. Zoals trainen voor de Citotoets, het eindexamen. ‘Toetstraining is didactisch gezien geen goede strategie omdat leerlingen zo kunstjes leren, betekenisloze kennis, die ze vaak kwijt zijn als ze die in het echte leven nodig hebben. Pedagogisch gezien is toetstraining ook onwenselijk. Zo houden we leerlingen voor dat de score van belang is, en niet de beheersing van kennis of vaardigheden.’

Pas zag ze het nog bij haar vijftienjarige dochter. Die was, aan het eind van het schooljaar, haar schoolspullen aan het opruimen. ‘Ze wilde alle schriften weggooien. Ik zei: “Bewaar ze nou, daar bouw je volgend jaar op verder”. Maar zo denken leerlingen niet.’

Ze is geïnterviewd voor de NRC. Het artikel begint met een voorbeeld van een decaan van een Amerikaanse educatieve faculteit, Deborah Stipek. ‘Zij pleit ook tegen dat prestatiegerichte onderwijs - in Amerika is het nog erger dan hier - en zegt: het verpest de zin in leren van jongeren. Haar dochter had een examen Frans gedaan om tot een topuniversiteit toegelaten te mogen worden. Die riep: “Zo, nu hoef nooit van mijn leven meer Frans te spreken”. Dat is dus niet leren voor het leven, zoals Seneca al bepleitte, maar voor de school.’

 

Onderwijsgezin

Ze komt uit een echt onderwijsgezin. Haar ouders leerden elkaar kennen tijdens hun studie Frans aan de Universiteit van Amsterdam en werden allebei leraar Frans. Toen ze elf jaar was, verhuisde het gezin van Bussum naar Helmond. Haar vader werd daar rector aan een middelbare school, haar moeder lerares Frans.

‘Ik ging naar de school van mijn ouders. Maar als braaf meisje - dat gewoon deed wat de bedoeling was en niet klaagde - had ik daar geen last van. Mijn jongere zus wel. Toen bij ons thuis de brievenbus werd opgeblazen, wist zij welke leerlingen dat gedaan hadden. Heel vervelend voor haar. Ze is toen naar een andere school gegaan. Mijn jongere broer had er ook veel last van dat hij het zoontje van de rector was. Hij was gevoelig voor het commentaar dat andere jongens daarop hadden.’

Haar keuze voor onderwijskunde kwam niet alleen door haar eigen schoolervaringen. Ze wilde ook ‘lekker iets anders doen’ dan haar ouders. En bij een Pax Christi voettocht - speciaal voor middelbare scholieren die voor hun eindexamen stonden - had ze een groepsbegeleidster die pedagogiek studeerde in Nijmegen.

‘Dat vond ik een heel interessant mens. Toen ben ik pedagogiek en andragogie gaan doen aan de VU. Aan het eind van het kandidaats waren we allemaal boos omdat we de studie niet goed vonden. De helft van mijn jaar is toen overgestapt naar de Universiteit van Amsterdam. De andere helft ging onderwijskunde doen. We kregen namelijk wel heel inspirerende colleges van een docent onderwijskunde, Cil Wigmans. Echt zoals ik me de universiteit had voorgesteld: in een kleine groep, met een bevlogen docent die heel veel weet, praten over belangrijke onderwerpen.’

 

Onderzoek

De laatste jaren was Monique Volman bijzonder hoogleraar onderwijskunde aan de Vrije Universiteit. Toen dat dreigde af te lopen en de UvA haar vroeg te solliciteren, stapte ze vorig jaar over. Tot haar verrassing liepen er op de Universiteit van Amsterdam al veel onderzoeken die pasten bij ‘haar’ thema, betrokkenheid. ‘Zo houdt Sjoerd Karsten zich al jaren bezig met thema’s als segregatie in het onderwijs, zwarte en witte scholen. En Thea Peetsma doet al jaren onderzoek naar motivatie. Dat heeft alles te maken met betrokkenheid en betekenisvol leren.’

Hoe richt je het onderwijs zo in dat leerlingen er meer betrokken bij raken? Het gevoel hebben dat het over henzelf gaat? Dat ze er iets mee kunnen? Hun blik op de wereld verruimt of hun handelingsmogelijkheden vergroot? Daarover gaat veel haar onderzoek, samen met scholen en leraren.

‘Promovenda Annoesjka Boersma heeft onderzoek gedaan bij twee vmbo-afdelingen Zorg en Welzijn. Ze toonde aan dat leerlingen betrokken en gemotiveerd raken als ze zelf activiteiten mogen bedenken en uitvoeren. Zoals een koffieochtend voor ouderen en een spelletjesdag op een basisschool. De theorie en beroepsvaardigheden komen dan en passant aan de orde: Hoe vervoer je iemand in een rolstoel? Hoe stel je je voor aan een oudere? Wat kan een kind van vijf?’

Oud-VU-collega Martijn van Schaik deed onderzoek op een vmbo-school waar jongens een tandemdriewieler ontwierpen en maakten, in opdracht van een peuterspeelzaal. Hij maakte daar ook een film over. ‘Die jongens brengen de fietsjes naar de peuterspeelzaal, de kinderen springen er meteen op, helemaal blij. De meerwaarde is dat je werkt voor een klant die professionaliteit van je verwacht. En je leert een heleboel vakspecifieke kennis en vaardigheden. Die je beter onthoudt dan wanneer je het droog uit een boekje leert.’

 

Stelling van Pythagoras

Hoe kiest een onderwijskundige eigenlijk een goede middelbare school voor haar kinderen? En bevalt die school? Monique Volman: ‘Mijn kinderen mogen zelf kiezen. Mijn zoon gaat komend schooljaar naar een gymnasium. We zijn naar een open dag geweest en hij zei meteen: O, hier ga ik naartoe. Hij vond de leraren leuk, een wiskundeleraar legde zo spannend als een detective de stelling van Pythagoras uit. Hij vond het gebouw mooi: cool, midden in de stad!’

Haar dochter koos voor de vrije school. In haar oratie gaf Monique Volman de stage van haar dochter bij een bloemenwinkel als voorbeeld van een leerproces in een sociaal-culturele praktijk. Zo mocht ze in het begin alleen maar water verversen en opruimen, maar aan het eind ook achter de kassa zitten en boeketten maken.

‘Die winkelstage is altijd in het derde jaar, bij economie. Twee weken lang, acht uur per dag. Mee naar de veiling, emmers met bloemen sjouwen. Een goede manier van levensecht onderwijs, maar niet goed gebruikt. Ze moest vragen beantwoorden over de in- en verkoop, over hoe de winkel was gesitueerd en waarom dat een goede plek was. Als onderwijskundige viel me wel op dat daar vervolgens weinig mee gebeurde. Er liepen kinderen stage op de Albert Cuyp, in het centrum en in Almere. In bloemenzaken, chocolaterieën en kledingzaken. Hartstikke interessant om over de grens van de directe ervaring heen te kijken en dat allemaal in economisch perspectief met elkaar te vergelijken. Daar had meer mee gedaan kunnen worden.’

 

 

Jongens

De zomervakantie brengt ze met haar gezin door in Italië. Een week naar zee, een week naar de stad. ‘Een compromis, want anders wilde m’n dochter niet mee’. En een week wandelen in de bergen. ‘Want dat wil ik graag.’

En als ze terugkomt, is er dan iets waar ze zich erg op verheugt?

‘We hebben net gehoord dat een onderzoeksofferte van het Kohnstamm Instituut is goedgekeurd. We gaan kijken naar de didactische aanpak voor jongens in het voortgezet onderwijs. Scholen selecteren waar jongens het goed doen en waar het opvallend slecht gaat. En kijken waar het verschil zit. Jongens worden nu als probleem gezien. Een deel lijkt inderdaad onder te presteren, ze gaan nu duidelijk minder dan meisjes naar het vwo. Die tendens onderzoeken, daar heb ik zin in.’

 

Annemiek Haalboom

 

>Download als PDF

 


NVO-Bulletin nr. juni 2011

Afbeelding: 2011#3

 

 

'ADOPTIEOUDERS ZIJN DE GEMIDDELD BETERE OUDERS'

Eind mei presenteerde prof. dr. René Hoksbergen aan de universiteit van Utrecht zijn levenswerk, zoals hij het zelf noemt. Hij overhandigde het eerste exemplaar van zijn boek Kinderen die niet konden blijven. Zestig jaar adoptie in beeld aan staatssecretaris Fred Teeven. De emeritus hoogleraar Adoptie is in de loop der jaren kritischer geworden. Het belang van adoptiekinderen staat voor hem centraal. Zij waren massaal aanwezig tijdens de boekpresentatie.

 

Zoals gewoonlijk ben ik te vroeg op een interviewafspraak. René Hoksbergen, net terug van een andere afspraak, is zich nog aan het opfrissen van zijn fietstochtjes van Soest en Houten naar de universiteit van Utrecht. Hij is zeventig en fietst rustig 300 kilometer. Luik-Bastenaken-Luik, dat soort tochten.

De hoogleraar is al elf jaar met emeritaat en overhandigt een lijst met publicaties en werkzaamheden uit die jaren. Een greep eruit: 21 wetenschappelijke artikelen, 95 veldartikelen, elf promotiebegeleidingen en 22 scriptiebegeleidingen.

‘Ik heb twee aio’s’, zo steekt hij van wal. ‘Eén voor een onderzoek naar Roemeense adoptiekinderen, die is twee jaar geleden gepromoveerd. En één doet onderzoek naar Poolse adoptiekinderen en gaat over twee jaar promoveren. De faculteit heeft mij de afgelopen tien, twaalf jaar buitengewoon rijk voorzien. Dat is wel eens anders geweest. In de jaren negentig ben ik helemaal door het lint gegaan, volstrekt mentaal overwerkt.’

 

Vietnamese oorlogswezen

Zijn tomeloze energie noemt hij zelf ‘tamelijk extreem’. Het is een erfenis van zijn vader en misschien ook van zijn moeder. Zij stierf toen hij negen jaar was. ‘Haar dood is het trauma van mijn leven, al ben ik geen ongelukkig mens hoor. Mijn beste vriend maakte me zo’n 35 jaar geleden duidelijk dat ik me daardoor ook zo verbonden voel met geadopteerden. Dat klopt, realiseerde ik me toen pas. Ik ben door twee tantes, zusters van mijn moeder, en later mijn stiefmoeder verder opgevoed. Vooral die tantes schijnen me erg te hebben verwend. Mijn vrouw kan dat goed beamen.’

Volgens hem ben ik de 583-ste die vraagt hoe hij betrokken raakte bij adoptie. Begin jaren zeventig overwogen hij en z’n vrouw om een kind te adopteren. Niet omdat ze ongewenst kinderloos waren - wat in de jaren daarvoor veruit de belangrijkste reden voor adoptie was - maar omdat ze idealistisch betrokken waren bij kinderen in nood. ‘ We waren typisch voorbeelden van die tweede generatie adoptieouders, zoals ik dat beschrijf in mijn boek’.

In die jaren had de televisie enorme invloed, met hartverscheurende beelden over hongerende kinderen in Biafra, Vietnamese oorlogswezen en gemengdbloedige Zuid-Koreaanse kinderen. Tv-presentatrice Mies Bouman besteedde er in haar programma Mies en scène aandacht aan. Schrijver Jan den Hartog deed op tv een oproep om te gaan zorgen voor Aziatische kinderen met een Europese, Canadese of Amerikaanse vader. Want die hadden in hun land geen leven. Den Hartog adopteerde zelf twee Koreaanse zusjes.

 

Thuis geen Pietje

René Hoksbergen is achteraf blij dat hij en zijn vrouw toen geen kind hebben geadopteerd. ‘In die tijd was er zoveel belangstelling voor buitenlandse adoptiekinderen dat de wachtlijst enorm toenam. We dachten: er zijn meer dan genoeg kinderloze echtparen die willen adopteren, men heeft ons niet nodig. Toen zijn we gestopt met de procedure. Gelukkig maar, want nu heb ik thuis geen Pietje of Clazina die roept: “Pa, wat heb je nu weer gezegd op de televisie.”

Hij is er ook blij om omdat hij anders te persoonlijk betrokken zou zijn bij onderzoek naar adoptie. ‘Je kunt beter onafhankelijk zijn dan bijvoorbeeld als adoptieouder of geadopteerde. Dan ben je toch heel persoonlijk betrokken bij je onderzoeksonderwerp. Zulke wetenschappers zijn er. Zoals adoptiehoogleraar Femmie Juffer, mijn opvolger, maar dan aan de universiteit van Leiden. Zij is adoptiemoeder en ik heb de indruk dat zij, ondanks haar grote verdiensten, daardoor toch enigszins wordt beïnvloed.’

 

Bastaard

Dan breng ik mijn betrokkenheid naar voren. En vertel René Hoksbergen hoe pijnlijk getroffen ik was door het citaat uit het Bijbelboek Deuteronomium, waarmee hoofdstuk twee van zijn boek begint, over de traditioneel/gesloten generatie adoptieouders, van 1956 tot 1970: “Een bastaard zal niet in de gemeente des Heren komen; zelfs zijn tiende geslacht zal niet in de gemeente des Heren komen”.

Zo werd er dus in die tijd over mij - kind van een ongehuwde moeder, niet afgestaan - gedacht. ‘Dat is toch treurig’, zegt René Hoksbergen. ‘Daarom heb ik dat citaat ook opgenomen. Het geeft aan welke schandelijke misdrijven wij hebben begaan ten aanzien van kinderen die niet in een legale situatie geboren werden. Waarom wilde je vader niet voor je zorgen? Ach, een getrouwde man! Heb je hem leren kennen? Op z’n tachtigste? Veel te laat dus.’

 

Adoptiewet

Kinderen die niet konden blijven telt ruim 600 pagina’s. Hierin schetst René Hoksbergen aan de hand van vijf generaties adoptieouders en twee generaties geadopteerden een beeld van de ontwikkelingen in de afgelopen zestig jaar. Te beginnen met - de aanloop naar - de eerste adoptiewet in 1956. Die was bedoeld om de juridische positie van adoptieouders en -kinderen te verbeteren. Zo kon de afstandsmoeder of -vader niet meer na tien of twaalf jaar een kind terug komen eisen. Dat was immers niet in het belang van het kind dat inmiddels gewend was aan z’n pleegouders en hen ook zag als zijn ouders.

‘In die tijd, na de oorlog, waren ook de meningen veranderd over de banden des bloeds die zogenaamd niet verbroken mochten worden. Men vond dat je wel degelijk goed voor een kind kon zorgen, ook al was je niet verwant. In die tijd was er ook nogal wat aanbod van adoptiekinderen uit Duitsland en Oostenrijk van wie de moeders uit gezinnen kwamen die waren ontworteld door de oorlog.’

 

India

In de idealistische jaren zeventig wordt René Hoksbergen lid - en later bestuurslid - van de Vereniging Wereldkinderen. Een pressiegroep die de juridische gang van zaken rond adoptie van kinderen uit het buitenland makkelijker wilde maken. Namens Wereldkinderen reist hij in 1974 naar India en bezoekt hij vele kindertehuizen.

‘Hoe dat was? Ach, ik ben er inmiddels al zo vaak geweest. Heb honderden kindertehuizen bezocht, in allerlei landen. Ik was al wel een reiziger hoor. Ik ben als oorlogsvrijwilliger naar Nieuw Guinea geweest. Daarna, als aankomend student, ging ik naar Oostenrijk. Vluchtelingenkampen helpen afbreken, nog die van de Tweede Wereldoorlog. Daar heb ik voor het eerst kindertehuizen bezocht, als tolk.’

In India bezocht hij vijftien kindertehuizen samen met Els Wunnink. Zij zorgde als particulier bemiddelaar voor de adoptie van kinderen door Nederlandse echtparen. De opdracht was om te kijken of die adopties via Wereldkinderen geregeld konden worden. En dat is gelukt. ‘India werd een groot kanaal’. Hij zoekt de tabel erbij. ‘Kijk, hier staat het: 3.057 kinderen uit India.’

Samen met collega Jan ter Laak bezoekt hij India nog elk jaar, als visiting professor.

 

Eerste hoogleraar Adoptie

René Hoksbergen studeert in 1967 af in sociale psychologie en pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. Twee jaar later komt hij naar Utrecht en richt de werkgroep statistiek op. ‘Heel iets anders!’ Geïnspireerd door zijn werk als bestuurslid bij de adoptieorganisatie Wereldkinderen, start hij samen met andere pedagogen in 1975 met wetenschappelijk onderzoek naar adoptie. Adoptie van kinderen uit verre landen is hun eerste publicatie. En er volgen er meer. Heel veel meer.

In 1984 wordt René Hoksbergen de eerste hoogleraar adoptie ter wereld. Formeel namens de Vereniging Wereldkinderen. Maar eigenlijk vond hij het zelf wel eens tijd worden. Na zoveel nationale en internationale publicaties, vrijwel als enige in Nederland.

‘In die tijd - van 1978 tot 1982 - was ik persoonlijk adviseur volwasseneneducatie van minister Pais, hoewel ik geen VVD-er was. Pais wist precies te vertellen wat ik moest doen om hoogleraar te worden. Dat werd dus een bijzonder hoogleraarschap, formeel gecreëerd door Wereldkinderen.’

Het duurt echter even voor hij echt aan de slag kan. ‘Door een heftig fietsongeluk in augustus 1982, kreeg ik een contusio cerebri, een hersenkneuzing. Het heeft jaren geduurd voor ik daarvan was hersteld. Nee, ik heb niet platgelegen, maar een week of zes. In 1983, een jaar later, liep ik al mijn eerste marathon.’

 

Liefde

In zijn oratie pleit hij voor een betere voorbereiding van adoptieouders en meer openheid over de achtergronden van adoptiekinderen en kinderen verwekt via kunstmatige inseminatie met hulp van een donor (KID).

‘Die betere voorbereiding is vijf, zes jaar later gerealiseerd’, zegt hij. ‘In de vorm van een verplichte cursus. Ouders weten inmiddels ook dat ze beter open kunnen zijn over de achtergrond van een kind. Ik kan me levendig voorstellen dat sommige adoptieouders daar moeite mee hebben. Je voedt het kind van een ander op en op z’n twintigste gaat ie z’n biologische ouders opzoeken. Dan denk je: Mijn hemel! Maar uiteindelijk verbetert openheid de relatie tussen ouders en kind. Omdat het met liefde te maken heeft, met aandacht en respect voor de identiteit van de ander.’

 

Uithuisplaatsing

Als hoogleraar gaat hij door met zijn onderzoek naar uithuisplaatsing van adoptiekinderen. In de jaren tachtig verschijnen de eerste scheurtjes in de roze wolk die adoptie omhulde. Ouders komen naar buiten met verhalen over moeizaam verlopende en zelfs mislukte adopties.

‘Mijn eerste boek over uithuisplaatsingen heb ik Bittere ervaringen genoemd. Het was voor mij ook een bittere ervaring dat het in veel adoptiegezinnen zo moeizaam verliep. Zodanig dat kinderen uit huis geplaatst moesten worden. Daar neem je toch geen adoptiekind voor op in je gezin! Voor een kind was het ook een traumatische ervaring: zich weer afgewezen te voelen. Dat het eigen, gestoorde gedrag daar aanleiding toegeeft, beseft een kind niet.’

Het zijn vooral de ernstige traumatische ervaringen in het land van herkomst - zoals mishandeling, verwaarlozing en ondervoeding - die vaak leiden tot asociaal, weinig empatisch en egocentrisch gedrag. Niet alle adoptiekinderen herstellen daarvan. René Hoksbergen maakte het pas weer mee bij het onderzoek, samen met promovenda Kathinka Rijk en Sandra Knuiman, naar Roemeense en Poolse adoptiekinderen.

‘Die Roemeense kinderen waren echt verschrikkelijk behandeld in de kindertehuizen. Daar kwamen ze zeer beschadigd uit. Ik heb er veel gezien, urenlang intensief met ouders gepraat. Drie keer op bezoek geweest. Ik heb nooit vanuit een ivoren toren gewerkt, maar altijd het werk zelf ook gedaan.’

 

Interesse pedagogen

Over de interesse onder pedagogen voor adoptieonderzoek staat hij niet te juichen. ‘Hier in Utrecht is er best een opbloei geweest. Maar die onderzoekers zijn weggegaan en er zijn geen vervangers voor in de plaats gekomen. Behalve dan mijn aio die gaat promoveren op het onderzoek onder Poolse adoptiekinderen. Ander onderzoek gaat verder in Leiden, niet in Utrecht. Dat is zeer te betreuren.’

Een aantal jaren geleden heeft hij een aantal collega-hoogleraren aangesproken op het gebrek aan interesse voor adoptieonderzoek. ‘Dan krijg je antwoorden als: het past niet in mijn portefeuille of in mijn leeropdracht. Terwijl de adoptiegroep zoveel mogelijkheden geeft om interessante pedagogische vraagstukken te bestuderen. Ik ga nu zelf een vervolgonderzoekje doen onder een groep adoptiekinderen met het Institutionalized Autistic Syndrome. Samen met Kathinka Rijk, onderzoeker uit Tilburg. Uit Tilburg! Ik ben bang dat het adoptieonderzoek verdwijnt uit Utrecht, zodra ik vertrek.’

 

Structurele nazorg

Vanaf zijn hoogleraarschap heeft hij gepleit voor een structurele nazorg voor adoptiegezinnen, vanaf het moment van plaatsing van een kind. Die is er nog steeds niet. ‘Adoptieorganisaties plaatsen soms drie, vier kinderen tegelijk in een gezin. En zeggen dan dag met het handje. Dat is absurd. Adoptieouders gaan vier, vijf keer zoveel naar hulpverleners dan andere ouders. Door betere nazorg had dat gehalveerd kunnen zijn. De problematiek is vergelijkbaar met pleeggezinnen. Daar zou ook meer samenwerking mee moeten komen. De standaard jeugdhulpverlening is veelal niet geschikt voor adoptiegezinnen. De hulpverleningsorganisatie Basic Trust is er speciaal voor adoptie en heel succesvol. Verder is er een tiental particuliere, gespecialiseerde hulpverleners.’

Hij maakt er geen reclame voor, maar er kloppen ook geadopteerden aan bij hem voor hulp. Vooral volwassenen. ‘Ze worstelen allemaal met dezelfde problemen: wie ben ik, waarom ben ik afgestaan, waarom moest ik naar een heel ander land? Dat zijn essentiële, lastige vragen.’

 

Kritischer

In het NCRV-tv-programma Spoorloos gaan adoptiekinderen op zoek naar hun biologische ouders. Zet René Hoksbergen ook vraagtekens bij sommige gevallen? Zoals onlangs bij een adoptie van een meisje uit Sri Lanka, waarvan de ouders haar helemaal niet wilden afstaan. Ze werd gewoon geroofd door het kindertehuis. En denkt hij ook vaak: waarom geven die adoptieouders niet een zak geld aan een moeder zodat zij wél zelf voor haar kind kan zorgen?

‘Ik ben in de loop der jaren veel kritischer geworden. Gegevens over de achtergronden van kinderen kloppen te vaak niet. Soms plaatsen ouders een kind tijdelijk in een tehuis, met het idee het later weer op te halen. Dan is het weg. Dan is er geen sprake van afstand doen. Ook als mensen om financiële redenen een kind afstaan, zeg ik: niet doen. Een gezin kan toch niet om die reden uit elkaar vallen?’

‘De Vereniging Wereldkinderen is daarin ook veranderd. Die staan nu veel kritischer tegenover het afstaan van een kind. En proberen het te voorkomen als het niet echt nodig is. Door financiële steun plus begeleiding te geven en zo gezinnen in tact te houden. Of door kinderen uit een tehuis weer in een gezin te plaatsen in het land zélf. Alleen als dat niet mogelijk is en kinderen in tehuizen echt kansloos zijn, komt buitenlandse adoptie in beeld. Zo was de plaatsing van Roemeense kinderen in fatsoenlijke gezinnen echt nodig.’

 

Gemiddeld betere ouders

Hoewel hij kritischer staat tegenover adoptie, is hij zeer onder de indruk van de inzet van adoptieouders. Noemt hen ‘de gemiddeld betere ouders’. René Hoksbergen: ‘Dat zeg ik uit ervaring. Ik heb honderden adoptieouders intensief thuis bezocht. Dan zie ik veel inzet en betrokkenheid bij kinderen die zoveel problemen geven. Laatst was ik weer in een gezin met enkele Poolse kinderen: petje af. Ik heb die ouders wel geadviseerd eens een kind-vakantie te nemen. Weer eens samen hand in hand langs het water te lopen. Soms overdrijven ouders, cijferen ze zichzelf helemaal weg, jarenlang. Dat is niet goed voor hun relatie.’

 

Avondlyceum

In 1972 promoveerde hij op Profiel van een avondlyceïst. ‘Mijn ouders stuurden me naar de handelsschool in Amsterdam, net als mijn oudere broers. Maar ik wilde hogerop, verder studeren. Na de handelsschool ging ik, op advies van mijn zus, naar het avondlyceum. Dat waren werkweken van zeventig tot tachtig uur. Drie avonden naar school, huiswerk maken. En overdag werkte ik toen nog 48 uur op kantoor bij de Koninklijke Nederlandse Stoombootmaatschappij.’

Nu zijn boek klaar is, wil René Hoksbergen zich weer wat meer gaan bemoeien met volwasseneneducatie. ‘Dat is tot eind jaren negentig een belangrijk onderdeel van mijn leven geweest. Zeker zo belangrijk als adoptiewerk. Ik zat in verschillende besturen, zoals de Open Universiteit en diverse avondscholen. Ik had nog wel een bestuursfunctie willen blijven vervullen bij de Hogeschool InHolland. Maar zij wilden liever mensen uit het bedrijfsleven. Nou, dat hebben we geweten!’

 

Annemiek Haalboom

 

Kinderen die niet konden blijven. Zestig jaar adoptie in beeld, van René Hoksbergen is uitgegeven bij Aspekt. Lezers van het NVO-Bulletin krijgen korting op het boek. Zie de kortingsbon.

>Download als PDF

 

 

 

 


NVO-Bulletin nr. 2 mei 2011

Afbeelding: 2011#2. 2011

STUDENTEN STONDEN AAN DE WIEG NVO

Een interview met Nathan Deen

 

Onderwijspedagoog Nathan Deen is geboren in 1930 in Amsterdam. Vanaf het begin van zijn onderwijsloopbaan was hij betrokken bij projecten van onderwijsvernieuwing, met vanaf de jaren zeventig het accent op de introductie van de leerlingbegeleiding in het Nederlandse schoolwezen. Hij is erelid van de NVO en de NAC, en werd in 1997 onderscheiden met een ‘Distinguished Professional Service Award’ van de American Counseling Association. We voeren een gesprek in Utrecht. Bij hem thuis op de bank. Maar het blijkt dat hij nog steeds geen stilzitter is. En als geen ander kent hij de geschiedenis van de NVO.

 

De NVO bestaat volgend jaar 50 jaar. U was een van de oprichters van de NVO

Naar aanleiding van de aankondiging van de Langeveldprijs in het NVO-Bulletin stuurde u een brief aan de redactie waarin over U de opmerking corrigeerde dat Langeveld de oprichter van de NVO zou zijn.

‘Ja, ik heb daarop gezegd dat het zo niet helemaal zat. Langeveld heeft de oprichting eerder dwarsgezeten dan dat hij die geholpen heeft. Hij was natuurlijk een god in die tijd, maar de NVO is feitelijk uit de studenten voortgekomen. In die tijd was ik zelf nog student pedagogiek, ik moest nog afstuderen in Amsterdam. Ik deed al wel van alles. Net als u had ik had een onderwijzersopleiding gevolgd en ik was inmiddels leraar geworden aan de Rijkskweekschool hier in Utrecht.

Nog daarvoor had ik een vijftal jaren theologie gestudeerd. Ik had me uiteindelijk gerealiseerd dat daar toch niet mijn bestemming lag. Al was het maar omdat je iets moest geloven. Er bestond toen een verkorte onderwijzersopleiding en via die weg ben ik in het onderwijs terecht gekomen, en daarna pedagogiek gaan studeren.’

 

Theologische vakdisputen als inspiratiebron

Ik heb altijd de indruk dat de theologieopleidingen een degelijke theoretische basis bieden. Je leert er tenminste wel argumenteren.

‘Ik heb er ook helemaal geen spijt gehad. In tegendeel. Ik vertel het ook juist omdat we bij die theologieopleiding ‘vakdisputen’ kenden. Daarbij was je buiten de colleges met elkaar bezig met je vák. Je kwam regelmatig bij elkaar, je moest een werkstuk maken of een presentatie voorbereiden over een onderwerp en allerlei andere activiteiten. Het bood verdieping aan je studie. Bovendien ontwikkelden er zich groepsverbanden en je leerde ook mensen kennen. Zeker bij de theologen was dat zo. De meesten hadden geen geld en geen zin om in een corps te gaan zitten. Ik heb dat ook nooit gedaan. Er was een vorm van binding.

Toen ik bij de pedagogen kwam, miste ik dat. Het was allemaal los zand. Dat leek me niet goed voor het vak. Ik heb daarop geprobeerd de studenten in Amsterdam wat bij elkaar te brengen. Dat heeft geresulteerd in een club die Comenius is gaan heten. Daar hebben we geprobeerd om het model van de theologie met die disputen in te voeren. Het werd een grandioze mislukking. Mensen hadden geen tijd, velen hadden er banen. Bovendien vonden ze het bedreigend. Bij die theologische disputen werd altijd een theoloog van naam en faam die verstand had van het onderwerp uitgenodigd. Die gaf dan commentaar op wat die studenten deden. Voor de pedagogen was zo’n model veel te bedreigend, want het wereldje was zo klein. Degene die je wilde inhuren als deskundige, was vaak ook de werkgever van degene die lezing hield. Als dispuut werd het niks, maar het resulteerde wel in een vereniging van Amsterdamse studenten in de pedagogiek. Toen bleek dat er in Utrecht ook zo’n clubje was. Ook in Leiden en Nijmegen; overal was er wel een.’

 

‘Zeg jíj het maar’

‘We dachten toen dat het goed zou zijn die groepen eens bij elkaar te brengen. We hebben contact gezocht en met een aantal mensen een landelijke bijeenkomst belegd. We hadden heel weinig geld en we zochten thema’s om met elkaar over te kunnen praten. Als inleider zochten we iemand iets buiten het circuit, die een aansprekende inleiding kan houden. Ik vroeg daarvoor de filosoof Oldewelt [1]. Bij de discussies na afloop van de succesvolle bijeenkomst voelde je dat er behoefte was om dit niet eenmalig te doen.

Naast mij in de zaal zat Hem Koster. Ze zei tegen mij dat we eigenlijk een landelijke club zouden moeten oprichten. Dat vond ik ook en ik vroeg haar wie van ons tweën op zou gaan staan om dit voorstel te doen. “Zeg jíj het maar”, zei ze. Vandaar dat ik opstond en het idee lanceerde. En zoals dat gaat als je zoiets zegt, ben je meteen voorzitter van het voorbereidend comitee.’

 

NVO zittend op bed opgericht

‘Pieter Appelhof,[2] ook een oude pedagoog, zei me laatst nog: “Weet je nog dat we bij jou aan het Majellapark, zittend op je bed, de vereniging hebben zitten oprichten?”

Dat bed is volgens mij fantasie, misschien hadden we een oude bank die daar op leek.

Bij de VU hadden ze ook een voorbereidend comitee en daarvan kende ik Sjoerd de Witt. We hebben jaren samengewerkt en hem kennende verwachtte ik dat hij wel het secretariaat van het voorbereidend comitee gevoerd zou hebben. Hij is ook sectretaris geweest van Pedagogische Studieën. Nog vanochtend, in verband met dit interview, heb ik met hem gebeld. Hij heeft inderdaad nog een map met documentatie en die zal hij mij sturen.[3]

Wij zaten samen in een voorbereidend comitee met afgevaardigden van studenten uit Amsterdam -de VU en de UvA- uit Leiden, Nijmegen, Utrecht en volgens mij ook uit Groningen.

Maar als het echt wat wil worden, moeten we er ook een hoogleraar bij hebben, bedachten we.

We hebben de toen bestaande club van hoogleraren pedagogiek gevraagd of zij er iemand bij wilden zetten. Zij bepaalden dat Stellwag[4] de contacpersoon zou zijn. Dat was niet zo verbazingwekkend. Ik had veel contact met haar, want ze was niet alleen mijn studieleidster, ik was ook assistent bij haar op de Universiteit van Amsterdam. Ik noem haar met nadruk, omdat het Langeveld dus níet was.’

De grondlijnen van de vereniging werden getrokken. Het moest een beroepsvereniging worden en in gezamenlijk overleg werden ontwerp statuten gemaakt.’

 

‘Maar dát kan niet!’

‘Rond dat ontwerp is een heleboel te doen geweest. Ik heb de grondlijn gemaakt en we hebben het ontwerp binnen de voorbereidende club gemaakt. Daar zijn ze verder ontwikkeld en artikel voor artikel besproken. Ze zijn geaccordeerd door de vertegenwoordigers van de studenten van de verschillende universiteiten, én door de hoogleraren. We waren toe aan een oprichtingsvergadering, maar ik was nog steeds niet afgestudeerd. We vonden dat de voorzitter niet een student maar een hoogleraar zou moeten zijn. We hebben dat voorgelegd aan het gezelschap van hoogleraren en die kwamen uit bij Len de Klerk senior [5].’

De Klerk was bereid om voorzitter te worden van het bestuur in oprichting. Hij zou leiding geven aan de oprichtingsvergadering en de statuten ter stemming brengen. Alles leek goed voorbereid.

Deen: ‘Nu kom ik bij mijn eerdere opmerking dat Langeveld meer heeft dwarsgelegen dan geholpen.’

Als Deen op de ochtend van de oprichtingsvergadering de zaal inloopt treft hij daar De Klerk aan. Hij zou nog een half uurtje met hem voorpraten.

“Moet je horen”, zei De Klerk. “Ik heb van de week een gesprek met Langeveld gehad en we hebben toch andere statuten gemaakt. Die wilde ik straks maar in bespreking brengen.”

‘‘Maar dát kan niet”, was mijn reactie. “Dat kan zo maar niet. Dit zijn statuten die in de voorbereiding besproken zijn en door iedereen goedgekeurd, ook door Stellwag als vertegenwoordiger van de hoogleraren. Díe statuten moeten besproken worden en niet iets wat je nu met Langeveld hebt bedacht.”

Nathan Deen vermoedt overigens dat ze door Langeveld zelf waren geschreven. Toch was het nog lastig om tegengas te geven. ‘Als student zit je daar dan toch wel even moeilijk’, zegt hij, en hij voegt eraan toe dat hij later nog een moeilijk uurtje met Stellwag heeft doorgebracht, waar hij uit moest leggen hoe dit had kunnen gebeuren.

 

De vereniging is van start

Uiteindelijk werd besloten om dan maar beide statuten in stemming te brengen.

Bij de stemming werd het ontwerp van Langeveld afgewezen. Deen: ‘Niemand zag er iets in.’

In de inmiddels ontvangen map van Sjoerd de Witt komen een aantal versies van (concept) statuten voor. Een daarvan vermeldt onder andere dat de vereniging twee afdelingen kent: ‘1. een afdeling studenten’ en ‘2. een afdeling afgestudeerden.’

In een andere versie ‘Ontwerp- Statuten voor de N.V.U.O.P. ‘Nederlandse Vereniging van Universitair Opgeleide Pedagogen, hierna te noemen “Vereniging”’, figureren dezelfde twee afdelingen, maar hier zijn ze in omgedraaide volgorde genoemd. Interessant is dat in deze versie toelating tot het lidmaatschap ook open staat voor....’personen, wier wetenschappelijke vorming gelijkwaardig geacht mag worden aan de vorming van de in lid 1 van dit artikel genoemde leden. (ieder met het doctoraal examen in de opvoedkunde heeft afgelegd.)

Als oprichtingsdatum is hier met de hand niet alleen de datum 24 maart ingevuld, maar zelfs het tijdstip: 12:15 uur.

Hoe dan ook, de vereniging is opgericht en De Klerk wordt eerste voorzitter.

Nathan Deen: ‘Later toen ik was afgestudeerd, ben ik ook nog voorzitter van de NVO geweest. Dumont was toen vicevoorzitter. Na mij werd hij voorzitter.

In die dagen zijn we begonnen met de gesprekken met het NIP. Tegenwoordig heb je het idee dat NVO en NIP als broer en zus samen optrekken, maar in die tijd lag dat nog niet zo gemakkelijk. Het NIP zag de NVO als een bedreiging, hoewel het NIP toen al een veel grotere organisatie was met een respectabele positie.’

Op het affiche van de oprichtingsvergadering van de NVO dat in de vergaderzaal van de NVO hangt staat naast de namen van De Klerk en Langeveld, de naam van Strasser.

‘Strasser[6] was de hoogleraar van Nijmegen. Bekend filosoof en ook pedagoog. Dé fenomenoloog van Nederland. Veel meer eigenlijk dan Langeveld.’

 

De pedagogiek moet meer terug naar Langeveld

Langeveld was geen vriend van u, als ik het zo hoor.

‘Oh, dat is niet waar hoor. Ik heb later een heel goede relatie met hem gehad. Ik heb de Langeveld lezing ook helpen oprichten en ik ben daar ook voorzitter van die stichting geweest. Maar hij heeft toen de boel dwars gezeten. Strasser was van de Nijmeegse tak. Hij heeft prachtige dingen geschreven over de fenomenologie en de fenomenologische menskunde. Langeveld had zijn eigen variant, iets wat later de Utrechtse School ging heten. Hij heeft als pedagoog in Nederland meer invloed gehad dan wie dan ook. Tot op de dag van vandaag. Ik citeer hem nog graag wanneer dat uitkomt. Hij heeft een stempel gezet. Gezien de ontwikkelingen die je momenteel ziet in de pedagogiek denk ik dat we wel weer meer terug zouden moeten naar Langeveld. Er zijn meer mensen die dat denken.’

 

‘Een kind is geen patiënt’

Kunt u dat verduidelijken?

‘Ik heb het verhaal van die meneer die ons vanaf het omslag van het NVO-Bulletin toelacht (Geert Jan Stams –red) goed gelezen. Ik denk dan: wat een aardige man, heel interessant wat hij vertelt. Maar aan het eind gaat hij volstrekt de mist in als hij het heeft over evidence based werken en die ladder van het NJI. Misschien dat het samenhangt met zijn forensische pedagogiek, die natuurlijk ook meer raakvlakken heeft met de juridische benadering. Daar zou je bijvoorbeeld Gert Biesta[7], hoogleraar aan de University of Stirling eens tegenover moeten zetten. Die heeft op een heel fundamentele manier aangetoond dat het evidence based werken in de pedagogiek te kort schiet. Als we alles evidence based moeten maken onderwerp je je aan de dictatuur van de methodologie. In de pedagogiek gaat het om waarden en niet om gedragstheoretische evidentie. Ik vind dat hij daar voortreffelijke stukken over heeft geschreven.

Ik vind dat er teveel vanuit een medisch model wordt gedacht. Een kind is geen patiënt, en hij is ook niet ziek. Een aantal mensen denkt nu dat het medisch model ook het pedagogisch model moet zijn.

Ik heb dat ook gemerkt in de discussies over de beroepscode.’

 

Een soort noodlot

Bij de voorbereiding voor dit gesprek vond ik vele en heel verschillende verwijzingen naar u. En niet alleen naar oude geschriften. Ik kwam u zelfs tegen op Facebook.

‘Daar ben ik toe uitgenodigd door een Amerikaanse dame, een van de auteurs van. The International Journal for the Advancement of Counselling, waar ik 15 jaar eindredacteur van ben geweest en waar ik nu nog in de redactie zit.

Ik sta dus nog steeds op Facebook, maar met heel gemengde gevoelens, moet ik zeggen. Ik communiceer wel via berichten –een soort email dus- met bepaalde mensen. Maar ik vind dat er ook heel veel onnozelheden via de nieuwe media worden uitgevent.

U was jaren voorzitter van het College van Toezicht van de NVO, u was voorzitter van het Samenwerkingsverband van Organisaties voor Onderwijsvernieuwing SOVO en u was betrokken bij de oprichting van de Nederlandse Associatie voor Counselling. In het Counselling Magazine wordt u de nestor van de counseling genoemd [8]. Er waren vast nog wel meer organisaties. Hoe komt u toch zo ongelooflijk actief?

‘Soms speelt toeval een rol, zoals bij dat Journal. Op een of andere manier heb ik in mijn leven veel dingen op gang gebracht of opgezet. Het schijnt een soort noodlot te zijn. Maar sommige dingen overkomen je natuurlijk niet als een noodlot. Je moet er ook zelf iets aan doen.’ Zegt Nathan Deen met typerend twinkelende ogen. ‘ Wilt u ter afsluiting een glas wijn?’

 

 

Rinke Bok

 

Nathan Deen promoveerde in 1969 bij H.W.F.Stellwag op een proefschrift over een halve eeuw onderwijsresearch in Nederland. In 1960 werd hij leraar aan de Rijkskweekschool voor onderwijzers te Utrecht, en in 1965 onderwijskundig onderzoeker aan het toenmalige Nutsseminarium voor Pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. Bij de omzetting van het Nutsseminarium in het Kohnstamminstituut (1970) werd hij de eerste directeur. In 1972 werd hij hoofd van de afdeling die aan de Universiteit Utrecht een opleiding voor leerlingbegeleiding in het voortgezet onderwijs moest ontwikkelen. Vanaf 1987 zette hij dit werk voort als bijzonder hoogleraar.

 

 

 >Download als PDF


--------------------------------------------------------------------------------

[1] H.M.J (Hendrik) Oldewelt. 1897-1986. Hoogleraar in de philosofische anthropologie aan de Universiteit te Amsterdam. –red.

[2] http://www.oberon.eu/Pieter.htm

[3] De map van Sjoerd de Witt is inmiddels ontvangen en met dank overgedragen aan het archief van de NVO. Hij bevat een schat aan originele documenten, die uitnodigen tot nader onderzoek over de oprichting en de eerste jaren van de NVO.

[4] HWG (Helena) Stellwag, werd in 1946 de eerste vrouwelijke hoogleraar Pedagogiek aan de UvA. -red

[5] Prof. dr. LFW (Len) de Klerk, hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Leiden. Zijn zoon draagt dezelfde naam en titels. –red.

[6] S. (Stephan) Strasser. 1905-1991. Verliet na de Anschluss Wenen en werd o.a. buitengewoon hoogleraar in de wijsgerige psychologie en antropologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

[7] http://www.gertbiesta.com/

[8] http://www.counsellingmagazine.nl/syv_files/file/downloads/20101%20nathandeen.pdf


NVO-Bulletin nr. 1 maart 2011

Afbeelding: 2011#1

HET RECHT VAN DE ZWAKSTE

‘Onderzoek naar de effectiviteit van jeugdzorginterventies is hard nodig’, betoogde Geert Jan Stams in zijn oratie getiteld Het recht van de zwakste. De zwakste, de dommerik, de jeugddelinquent heeft recht op hulp die werkt. De hoogleraar Forensische Orthopedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam pleit voor meer samenwerking tussen pedagogen.

 

Had hij meer talent gehad als hoboïst en was hij Louis Tavecchio niet tegengekomen, dan was Geert Jan Stams (1959) wellicht geen hoogleraar Forensische Orthopedagogiek geworden. Zelfs toen hij vorig jaar op 1 april benoemd werd tot hoogleraar, dachten sommige mensen nog dat het een grap was. ‘Aangezien ik in Heerenveen woon en in Amsterdam werk, vonden ze mij allang een forens’, lacht hij.
Maatschappelijk betrokken en politiek bewust is hij altijd geweest. Undercoverjournalist Günter Wallraff was één van zijn grote voorbeelden. Na de middelbare school, ‘toen dacht ik nog dat ik anarchist was’, begon hij als portier bij het Haags tehuis van Onbehuisden en vervolgens als onbevoegd groepsleider in de jeugdzorg, voor kinderen met opvoedings- en gedragsproblemen. Later haalde hij zijn diploma HBO-inrichtingswerk.
‘Ik ben altijd sceptisch geweest. Ik twijfelde aan wat ik zelf deed en wat ik om me heen zag gebeuren. Vaak zag je wel verbetering bij jongeren en gezinnen, maar dan dacht ik: hoe zal het over een half jaar zijn, als de behandeling is gestopt? Beklijft het wel? Zo ontstond mijn wetenschappelijke belangstelling: wat maakt dat een behandeling werkt?’
 
Stedelijke roofdieren
Tijdens zijn studie pedagogiek genoot Geert Jan Stams van de inspirerende colleges van Louis Tavecchio. Die vond het zonde als hij in de praktijk bleef werken en maakte hem warm voor wetenschappelijk onderzoek. ‘Tavecchio vroeg me als student-assistent en heeft me later attent gemaakt op een geschikte promotieplek. Als wetenschapper wil ik de maatschappij beter maken. Die opdracht voel ik. Forensische orthopedagogiek is een interventiewetenschap. We verkrijgen geen kennis om de kennis, maar om beter te kunnen handelen.’
In 2005 zette hij, samen met Peter van der Laan, de minor Jeugdcriminaliteit en Justitieel Jeugdbeleid op aan de Universiteit van Amsterdam. En een jaar later de master Forensische Orthopedagogiek.
Op 10 februari dit jaar hield hij zijn oratie Het recht van de zwakste. Mooie titel. Geert Jan Stams: ‘In de media worden jeugddelinquenten afgeschilderd als stedelijke roofdieren; als bedreiging voor de samenleving in plaats van bedreigd in hun ontwikkeling. Het zijn vooral de dommeriken en klungels, vaak jongeren met een verstandelijke beperking, die de kous op de kop krijgen. Een aantal delinquente jongeren is zelf slachtoffer geweest. Dus hebben ze recht op extra aandacht en een goede behandeling. Dat geldt niet alleen voor jeugddelinquenten, maar ook voor kinderen die worden mishandeld en verwaarloosd.’
 
Rechtse hobby
Hij ergert zich aan de roep in Nederland om vergelding en een harde aanpak. Zelfs jongeren die maar een tijdje delinquent zijn - gewoon omdat het hoort bij de adolescentie - worden sneller opgepakt dan vroeger. ‘Het criminaliseren van kattenkwaad’, noemt Geert Jan Stams dat. En de roep om een harde aanpak, vindt hij een ‘rechtse hobby’ die bovendien nog erg duur is ook, want opsluiten en strenger straffen kosten veel geld en leiden niet tot verbetering.
‘Experimenten met tuchtscholen als Glenn Mills en Den Engh bleken immers een mislukking te zijn. Onderzoek heeft dat duidelijk aangetoond. Die militaristische aanpak zorgt juist voor een hogere recidive, omdat jongeren leren slinkser te handelen. Ze worden ook geïnfecteerd met het antisociale gedrag van hun deviante leeftijdsgenoten. Ze leren er niet wat ze nodig hebben om zich op een gezonde manier te handhaven in de maatschappij. En toch blijft rechts maar simpel roepen dat die jongeren gedisciplineerd moeten worden.’
 
Experimenteel onderzoek
De zwakste heeft recht op een goede behandeling, een goede opvoeding. En dan gaat het volgens Geert Jan Stams om interventies waarvan wetenschappelijk bewezen is dat ze effectief zijn. Dat bewijs kun je maar met één type onderzoek leveren. ‘We weten alleen wat werkt via een robuust experimenteel effectiviteitsonderzoek, waarbij jongeren en gezinnen ad random - op basis van toeval - zijn toegewezen aan een experimentele of controlegroep. Alleen dan kun je alternatieve verklaringen voor effectiviteit uitsluiten.’
Hij geeft een Amerikaans voorbeeld. In Washington State is gekozen om delinquente jongeren alleen met een beperkt aantal evidence-based interventies, die steunen op experimenteel bewijs, te behandelen.
‘Het is een programma waarvan premier Rutte zou zeggen: om je vingers bij af te likken, goedkoper en beter. Zoveel interventies zijn er niet nodig. Als je weet dat ze werken, en een goed toewijzingssysteem hebt, dan kunnen we aanzienlijk meer effect bereiken in de jeugdzorg. Die kant moeten we in Nederland op.’
 
NJI-effectladder
Snoeien in het woud van interventies dus. En alleen inzetten op interventies die werken volgens goed empirisch bewijs. In het justitieel kader zijn we, volgens de hoogleraar, in Nederland al op de goede weg. ‘Daar heb je de justitiële erkenningscommissie. Die selecteert via strenge criteria een beperkt aantal interventies. Het gaat om interventies die vaak in het buitenland al effectief zijn gebleken, bij voorkeur in meerdere studies. De commissie eist dat er binnen vijf jaar experimenteel onderzoek plaatsvindt in Nederland om vast te stellen of het hier ook werkt. Anders verlies je de erkenning.’
In het civielrechtelijk en vrijwillig kader zal men daar uiteindelijk ook naartoe gaan, hoopt Stams. Maar tot die tijd ergert hij zich enorm aan de effectladder van het Nederlands Jeugd Instituut (NJI), die aangeeft wat de mate van bewijs is voor de werkzaamheid van interventies die weliswaar op basis van voldoende theoretische onderbouwing worden erkend en daarna worden opgenomen in de databank effectieve jeugdinterventies, maar waarvoor geen eis geldt dat er empirisch bewijs gevonden moet worden voor de werkzaamheid. Zijn ze beschreven, dan staan ze op de eerste trede van de trap. Zijn ze theoretisch onderbouwd, dan staan ze op de tweede trede. Zijn ze onderzocht via een voor- en nameting, dan staan ze op de derde trede. Zijn ze onderzocht op effectiviteit via een controlegroep - de enige juiste manier volgens Stams - dan staan ze op de vierde trede. ‘En er zitten maar twee interventies op trede vier in die databank’, verzucht hij, interventies die dus bewezen effectief zijn. ‘Ik vind het ook misleidend dat er wordt gesproken over effectladder, omdat trede één tot en drie namelijk niks zeggen over effectiviteit. Maar die suggestie wordt wel gewekt. Dit wordt nog versterkt doordat subsidies worden verstrekt met als doel interventies één niveau hoger te krijgen op de effectladder.’
 
Weerstand
In experimenteel onderzoek naar de effectiviteit van jeugdzorginterventies wordt nauwelijks geïnvesteerd. In plaats daarvan steekt men veel geld en energie in quasiwetenschappelijk praktijkonderzoek. En dat maakt de jeugdzorg misschien wel duurder en slechter dan goedkoper en beter, vermoedt Geert Jan Stams.
De grote weerstand in jeugdzorgland tegen experimenteel onderzoek, begrijp hij wel. Al is het maar omdat het erg veel werk kost om zo’n onderzoek te organiseren. Morele bezwaren als ‘ja, maar dan onthoudt je mensen die in de controlegroep terecht komen een goede behandeling’, wijst hij van de hand. ‘Ten eerste wéét je helemaal niet of het om een goede interventie gaat. Daar heb je immers geen bewijs voor. Het kan zo zijn dat jongeren beter af zijn in de controlegroep omdat de nieuwe behandeling juist averechts werkt. Bovendien krijgt de controlegroep een alternatief hulpaanbod. Die blijft niet in de kou staan.’
De jeugdzorg zal zich echt moeten ontworstelen aan de ‘geitenwollen sokken cultuur’, waarin men blijft geloven dat een interventie werkt zonder echt bewijs, zegt hij. ‘Vergelijk het met de medische wetenschap. Daar zou niemand het accepteren als een behandeling werd toegepast als er niet eerst was uitgetest of die wel werkt.’
 
Buitenlandse interventies
Hij pleit ervoor dat eerst díe interventies uit de NJI-databank worden geselecteerd die al in het buitenland hebben laten zien dat ze werken. En dan het liefst via meerdere experimentele studies.
‘Neem bijvoorbeeld D(o)epressie, een cursus die je leert omgaan met depressie. Daar zijn in Amerika al 25 experimentele studies naar gedaan, bij allerlei groepen mensen. En het werkt. Grote kans dat het in Nederland ook gaat werken. Richt je dus eerst op evidence-based interventies waar al veel empirisch bewijs voor is en toets vervolgens of die in Nederland ook een positief effect hebben. Nu hebben we meer dan duizend interventies, en die kun je onmogelijk allemaal toetsen. En dat geldt ook voor het merendeel van de 120 interventies in de NJI databank die dan wel theoretisch onderbouwd zijn, maar waar voor het grootste deel nauwelijks of helemaal geen empirische ondersteuning voor gevonden is.
Let er wel op dat buitenlandse programma’s hier ook uitgevoerd moeten worden zoals ze bedoeld zijn, waarschuwt hij. Anders werken ze niet of hebben ze zelfs negatieve effecten. In zijn oratie verwees hij naar een onderzoek naar Functional Family Therapy (FFT). Alleen therapeuten die het programma uitvoerden zoals bedoeld, hadden een gunstig effect op de recidive van de delinquente jongeren die zij behandelden. Er was in dat geval ook weinig verschil per therapeut. Bij therapeuten die niet volgens het protocol werkten, was de recidive relatief hoog. En er was een enorm verschil per therapeut. ‘Dan ben je dus aan de goden overgeleverd!’
 
Risicotaxatie recidive
Forensische orthopedagogiek moet nut hebben voor de praktijk, vindt Geert Jan Stams. Zo hebben ze op de Universiteit van Amsterdam bijvoorbeeld een instrument voor ‘risicotaxatie van recidive’ ontwikkeld.
‘Tot voor kort maakten we geen gebruik van risico-inschatting. Dus konden jongeren met een hoog risico een lichte interventie krijgen en andersom. Met alle negatieve effecten vandien. Geef je een jongere met een laag risico op recidive een intensieve behandeling, dan haal je hem mogelijk weg uit z’n dagelijkse context, komt hij misschien in aanraking met jongeren die veel crimineler zijn en gaat hij uiteindelijk meer of op een zwaarder delict recidiveren. Terwijl je ‘m beter naar huis had kunnen sturen en niks doen.’
De methodiek is inmiddels onderdeel geworden van het landelijke instrumentarium Jeugdstrafrechtketen. Je kunt ermee inschatten hoe hoog de kans op recidive is, maar ook waar de behandeling van jongeren zich op moet richten. Een ‘leuk effect’ van het onderzoek noemt Geert Jan Stams de ontdekking dat bij jongeren vanaf dertien, veertien jaar de meeste criminogene factoren nauwelijks meer gerelateerd zijn aan recidive. Met name gezinsproblemen.
‘Het heeft dus weinig zin om bij hen gezinsinterventies toe te passen. Terwijl die juist heel populair zijn op dit moment! Daar wordt veel van verwacht. Uit verschillende onderzoeken in Nederland naar gezinsinterventies bij delinquente jongeren, blijkt een vrij hoge recidive. Dat komt deels doordat die interventies niet goed worden uitgevoerd, deels doordat het niet werkt bij jongeren vanaf een jaar of dertien. Bij hen kun je beter ingrijpen op factoren buiten het gezin, zoals werk, school, de vriendengroep. En individuele factoren als een antisociale houding. Cognitieve gedragstherapie is een van de meest effectieve interventies.’
 
Platform
Tijdens het diner, na de oratie, deed NVO-directeur Hans Bosman een oproep aan aanwezige pedagogen om meer samen te werken. Dat deed hij op verzoek van Geert Jan Stams, die daarover zegt: ‘Ik vind dat de NVO moet uitdragen dat kinderen, jongeren en gezinnen recht hebben op hulp die helpt. En wetenschappers moet oproepen daar samen voor te staan. Misschien kunnen we een platform creëren voor pedagogen.’
‘Er is niet alleen op onze universiteit veel aandacht voor forensische pedagogiek en jeugdzorg, maar ook aan andere universiteiten als de VU en in Utrecht en Groningen. We moeten ons verbinden. Samen aan onderzoek werken. Samen subsidies binnenhalen, niet elkaar beconcurreren. Samen een boek schrijven voor het onderwijs.’
 
Geen anarchist meer?
‘Nee, wel optimist. Als we er samen de schouders onder zetten en kritisch durven zijn, kunnen we echt iets betekenen voor jongeren die met een achterstand beginnen. En daarom misschien delinquent zijn geworden. Yes we can!’
 
Annemieke Haalboom

 

>Download als PDF

 

 

 

 


Omslagartikelen NVO-Bulletins 2008-2010

Hieronder vindt u de omslagartikelen van het NVO-Bulletin vanaf eind 2008.

Oudere NVO-Bulletins zijn in PDF fomaat  te vinden in het Archief rechtsboven aan deze website.

Leden vinden de volledige tekst van alle NVO-Bulletins op het ledengedeelte na de leden inlog.


NVO-Bulletin nr 6 2010


NVO Bulletin nr 5 2010


NVO-Bulletin nr 4 2010


NVO-Bulletin nr 3 2010


NVO-Bulletin nr 2 2010


NVO-Bulletin nr 1 2010


NVO-Bulletin nr 6 2009


NVO-Bulletin nr 5 2009


NVO-Bulletin nr 4 2009


NVO-Bulletin nr 3 2009


NVO-Bulletin nr2 2009


NVO-Bulletin nr 1 2009


NVO-Bulletin nr 5/6 2008