Reglement klachtbehandeling

Toelichting Klachtenprocedure

De NVO vindt het van groot belang dat haar leden zich in hun beroepsmatig handelen laten leiden door de beroepscode van de vereniging. Om de kwaliteit van het beroepsmatig handelen te bewaken en te verbeteren moet dit handelen getoetst kunnen worden.

De NVO heeft hiervoor twee tuchtrechtelijke instanties: het College van Toezicht en het College van Beroep.
Zij hebben beide een onafhankelijke positie binnen de vereniging en ten opzichte van elkaar.

Wanneer iemand van mening is dat een NVO lid in het beroepsmatig handelen in strijd heeft gehandeld met de beroepscode, kan hierover een klacht ingediend worden bij het College van Toezicht. Het College van Toezicht beoordeelt de klacht en doet naar aanleiding hiervan uitspraak. Wanneer de klacht gegrond is kan het College van Toezicht een maatregel opleggen. Deze kunnen zijn:


-waarschuwing;

-berisping;

-(voorwaardelijke) schorsing van het lidmaatschap voor ten hoogste twee jaar;

-ontzetting uit het lidmaatschap van de vereniging.


Het College van Toezicht behandelt geen verzoeken om schadevergoeding. Bij een inhoudelijke klacht over rapportages kijkt het College alleen of het voldoet aan de normale zorgvuldigheidseisen.
Wanneer klager of verweerder het niet eens is met de uitspraak van het College van Toezicht, dan is beroep mogelijk bij het College van Beroep. Na beoordeling kan het College van Beroep de uitspraak van het College van Toezicht bevestigen, wijzigen of vernietigen.

In het reglement voor het College van Toezicht en het College van Beroep staat de procedure voor het indienen van een klacht beschreven.

Onderstaande reglementen zijn een integraal onderdeel van de beroepscode

Reglement voor het College van Toezicht en het College van Beroep van de NVO.
Op grond van artikel 16 van de Statuten van de NVO, de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen, kent de vereniging een College van Toezicht en een College van Beroep voor de behandeling van klachten ten aanzien van de naleving van de beroepscode van de vereniging.
Maatregelen die de Colleges kunnen opleggen zijn gebaseerd op art 3 lid 1 van de Statuten: handhaving van de beroepscode.

 Reglement voor het College van Toezicht en het College van Beroep van de NVO.

1. Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:
-beroepscode: de beroepscode van de Nederlandse Vereniging van pedagogen en onderwijskundigen, zoals bedoeld in  artikel 3 lid 1 en artikel 15 van de Statuten van de vereniging;
-bestuur: het bestuur van de vereniging;
-directeur: de directeur van het bureau van de vereniging;
-klager: degene die een klacht heeft ingediend;
-verweerder: het lid waartegen een klacht is ingediend. In beroep: degene die zich verweert tegen het beroepschrift;
-appellant: degene die een beroepschrift heeft ingediend.


2. Het College van Toezicht

2.1 Taak van het College van Toezicht

2.1.1

  1. Het College van Toezicht is belast met de behandeling van klachten ten aanzien van leden over het naleven van de beroepscode als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Statuten van de vereniging.
  2. Het College heeft als taak om naar aanleiding van ingediende klachtschriften de gedragingen van leden te toetsen aan de beroepscode.
    Het College beslist over het opleggen van disciplinaire maatregelen aan de hand van de uitkomst van deze toetsing.


2.1.2

  1. Het College van Toezicht kan richtlijnen voorstellen ter nadere uitwerking van bepalingen in het reglement. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met de Wet, de statuten of het reglement.
  2. In de richtlijnen kan worden geregeld dat het College wordt opgesplitst in kamers per sector.
  3. De richtlijnen worden vastgesteld door het bestuur van de vereniging.

 2.2 Samenstelling en wijze van benoeming van het College van Toezicht

2.2.1

  1. Het College van Toezicht bestaat uit minimaal vier en maximaal acht leden van de vereniging met daarnaast een voorzitter.
  2. Het College stelt een rooster van aftreden op zodanig dat niet alle leden gelijktijdig aftreden.
  3. Het College benoemt uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter.
  4. De voorzitter van het College heeft een voltooide juridische opleiding op universitair niveau.
  5. Het College doet schriftelijk mededeling van de benoeming van deze functionarissen aan het bestuur van de vereniging.

2.2.2

  1. De leden van het College van Toezicht en de voorzitter worden door het bestuur benoemd voor een periode van vier jaar. Zij kunnen eenmaal voor een aansluitende periode van vier jaar worden herbenoemd.
  2. Van leden en voorzitter wordt een onberispelijke staat van dienst verwacht. Onder omstandigheden kan het bestuur gemotiveerd besluiten een collegelid vóór het einde van de benoemingsperiode uit zijn of haar functie te ontheffen.

2.2.3

  1. Het lidmaatschap van het College van Toezicht is onverenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur en bestuurlijke commissies van de vereniging en met het lidmaatschap van het College van Beroep.

2.2.4

  1. Het College van Toezicht wordt in de uitvoering van zijn werkzaamheden ondersteund door een functionaris van het bureau van de vereniging die als ambtelijk secretaris optreedt.
  2. De ambtelijk secretaris heeft minimaal een voltooide juridische opleiding op HBO niveau en relevante werkervaring op het gebied van juridische procedures.


3. Het College van Beroep

3.1 Taak van het College van Beroep

3.1.1

  1. Het College van Beroep is belast met de behandeling in hoger beroep van klachten ten aanzien van leden over het naleven van de beroepscode als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Statuten van de vereniging.
  2. Het College heeft als taak om naar aanleiding van ingediende beroepschriften de gedragingen van leden te toetsen aan de beroepscode.
    Het College beslist over het opleggen van disciplinaire maatregelen aan de hand van de uitkomst van deze toetsing.


3.1.2

  1. Het College van Beroep kan richtlijnen voorstellen ter nadere uitwerking van bepalingen in het reglement. Deze richtlijnen mogen niet in strijd zijn met de Wet, de statuten of het reglement.
  2. In de richtlijnen kan worden geregeld dat het College wordt opgesplitst in kamers per sector.
  3. De richtlijnen worden vastgesteld door het bestuur van de vereniging.

3.2 Samenstelling en wijze van benoeming van het College van Beroep

3.2.1

  1. Het College van Beroep bestaat uit minimaal 4 en maximaal 8 leden van de vereniging en daarnaast een onafhankelijk voorzitter.
  2. Het College stelt een rooster van aftreden op, zodanig dat niet alle leden tegelijkertijd aftreden.
  3. Het College benoemt uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter.
  4. De voorzitter van het College heeft een voltooide juridische opleiding op universitair niveau.
  5. Het College doet schriftelijk mededeling van de benoeming van deze functionarissen aan het bestuur van de vereniging.

3.2.2

  1. De leden van het College van Beroep en de voorzitter worden door het bestuur benoemd voor een periode van vier jaar. Zij kunnen eenmaal voor een aansluitende periode van vier jaar worden herbenoemd.
  2. Van leden en voorzitter wordt een onberispelijke staat van dienst verwacht. Onder omstandigheden kan het bestuur gemotiveerd besluiten een collegelid vóór het einde van de benoemingsperiode uit zijn of haar functie te ontheffen.

3.2.3

  1. Het lidmaatschap van het College van Beroep is onverenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur en bestuurlijke commissies van de vereniging en met het lidmaatschap van het College van Toezicht.

 

3.2.4

  1. Het College van Beroep wordt ondersteund door een onafhankelijk ambtelijk secretaris.De ambtelijk secretaris heeft minimaal een voltooide juridische opleiding op HBO niveau en relevante werkervaring op het gebied van juridische procedures.

4. De klachtprocedure bij het College van Toezicht

4.1 Het indienen van een klacht

  1. Een klacht dient schriftelijk en met redenen omkleed te worden ingediend bij het bureau van de NVO ter attentie van de ambtelijk secretaris van het College van Toezicht.
  2. Het klachtschrift dient minimaal te omvatten:
    a. naam, adres en woonplaats van de klager
    b. naam en werkadres of woonadres van de verweerder;
    c. een omschrijving van de klacht;
    d. zo mogelijk de artikelen van de beroepscode waarop de klacht betrekking heeft.
  3. De ambtelijk secretaris onderzoekt of de klacht aan de in lid 2 van dit artikel gestelde eisen voldoet. Zonodig wordt klager schriftelijk verzocht de klacht met het oog op genoemde vereisten aan te vullen binnen een aan hem gestelde redelijke termijn.
  4. Bij afwezigheid van de ambtelijk secretaris worden door of namens de directeur van het bureau de in dit artikel genoemde werkzaamheden verricht.

 4.2 Onderzoek en behandeling van een klacht

4.2.1 beoordeling van de ontvankelijkheid

  1. Het College van Toezicht neemt geen anonieme klachten in behandeling.
  2. Het College neemt geen klacht in behandeling waarover het al eerder uitspraak heeft gedaan tenzij sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
  3. Het College neemt geen klacht in behandeling als duidelijk is dat de klager daarbij geen belang heeft, tenzij behandeling van de klacht naar het oordeel van het College in het belang is van de kwaliteit van de beroepsuitoefening van leden van de vereniging.
  4. Klager is verplicht te melden of, en zo ja, wanneer hij dezelfde klacht eveneens heeft ingediend bij een andere tuchtrechtelijke instantie.
    Als blijkt dat dezelfde klacht reeds is ingediend bij een andere tuchtrechtelijke instantie, dan kan het College voorstel doen aan beide partijen om de klacht aan te houden tot er bij deze instantie uitspraak is gedaan.
    Na kennisname van deze uitspraak neemt het College, na vernemen van het standpunt van beide partijen, een gemotiveerde beslissing over het al dan niet behandelen van de klacht.


4.2.2 Kennisgeving over ontvankelijkheid

  1. Binnen twee weken na ontvangst van het klachtschrift of de aanvulling van de klager hierop besluit het College van Toezicht of een klacht in behandeling wordt genomen.
  2. Indien een klacht in behandeling wordt genomen wordt dit aansluitend aan de beslissing schriftelijk meegedeeld aan klager en verweerder met vermelding van de procedure en de termijnen. Indien een klacht niet in behandeling wordt genomen wordt dit aansluitend aan de beslissing schriftelijk en met redenen omkleed meegedeeld aan de klager en degene tegen wie de klacht is ingediend.


4.2.3 deelname aan de klachtbehandeling door collegeleden

  1. Aan de behandeling van een klacht wordt op straffe van nietigheid deelgenomen door tenminste drie leden van het College van Toezicht.
  2. Leden van het College onthouden zich van het deelnemen aan de behandeling van een klacht indien zij met verweerder of klager een bloed- of aanverwantschap hebben tot en met de tweede graad, een persoonlijke relatie onderhouden of hebben onderhouden of indien er naar het oordeel van het College op andere gronden onverenigbaarheid bestaat.
  3. Wanneer klager of verweerder stellen dat een of meer collegeleden zich vanwege bloed- of aanverwantschap, persoonlijke relatie of op andere gronden dienen te onthouden van behandeling van de klacht, dient het College gemotiveerd op dit verzoek te reageren. Betreffend lid of leden dienen zich zo nodig te onthouden van de behandeling van de klacht.
  4. Een klacht tegen of ingediend door een lid van het College heeft tot gevolg dat dit lid zich van de behandeling van de klacht dient te onthouden.


4.2.4 Reikwijdte van het vooronderzoek

  1. Het College van Toezicht stelt een onderzoek in voor zover dat voor de beoordeling van de klacht noodzakelijk is. Daarbij baseert het College zich in beginsel op hetgeen door klager en/of verweerder naar voren is gebracht.
  2. Het College van Toezicht is bevoegd de gronden waarop de klacht berust ambtshalve aan te vullen.


4.2.5 Uitwisseling van schriftelijke stukken

  1. Alle door een partij in de loop van het onderzoek ingediende stukken die relevant zijn voor de afhandeling van de klacht worden in afschrift aan de andere partij gezonden.
  2. Het College stelt verweerder in de gelegenheid binnen vier weken na toezending van het klachtschrift aan verweerder schriftelijk op de ingebrachte klacht te reageren.
  3. Het College kan daarna nog eenmaal de gelegenheid geven aan de klager om binnen vier weken na toezending van het verweer schriftelijk repliek in te dienen.
    De verweerder krijgt dan nog gelegenheid binnen vier weken na toezending van het repliek schriftelijk dupliek in te dienen.
  4. Het College kan partijen uitstel verlenen van de in lid 4 en 5 genoemde termijnen. De betrokkene dient dit schriftelijk en gemotiveerd aan te vragen.


4.2.6 Hoorzitting

  1. Het College van Toezicht kan na de wisseling van de in het vorige artikel genoemde stukken besluiten dat de klacht mondelinge toelichting behoeft. Het College roept daartoe zowel klager als verweerder op ter zitting van het College te verschijnen, om naar aanleiding van de klacht te worden gehoord.
  2. Klager of verweerder kan de wens om gelegenheid tot hoor en wederhoor te kennen geven. Het College besluit gemotiveerd over dit verzoek.
  3. Wanneer één der partijen of beide te kennen geven niet gehoord te willen worden in aanwezigheid van de andere partij, worden partijen afzonderlijk van elkaar gehoord. Het College wijst partijen op de beperkingen die dit met zich meebrengt voor wat betreft het hoor en wederhoor.
    Partijen krijgen dan een schriftelijk verslag van de toelichting van de andere partij. Zij worden hierna eenmaal in de gelegenheid gesteld hierop te reageren binnen vier weken na de dag van toezending van dit verslag.
  4. Klager en verweerder zijn bevoegd zich ter zitting door een derde te laten bijstaan of zich te laten vertegenwoordigen.
  5. Indien klager en/of verweerder gebruik wensen te maken van de in lid 4 van dit artikel genoemde mogelijkheid dienen zij dit schriftelijk en uiterlijk tot twee weken voor de zittingsdag aan het College mee te delen onder vermelding van naam en hoedanigheid van genoemde derde.
  6. Indien een van beide partijen een derde inschakelt en de andere partij verneemt dat later dan de genoemde termijn van twee weken, dan is deze gerechtigd alsnog ook zelf een derde in te schakelen.
  7. Wanneer een der partijen vanwege dringende omstandigheden niet op de zitting aanwezig kan zijn en dit niet tijdig aan het College kenbaar kan maken, bepaalt het College of de zitting verdaagd wordt.
  8. Van de zitting wordt ten behoeve van het College een verslag gemaakt, dat op verzoek aan partijen wordt verstrekt.

 4.2.7 Getuigen en deskundigen

  1. Ambtshalve of op verzoek van klager of verweerder kan het College van Toezicht inlichtingen inwinnen bij en zich laten adviseren door getuigen en deskundigen.
  2. Getuigen en deskundigen zullen zich kunnen verschonen van deze plicht als er sprake is van bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad of een persoonlijke relatie met verweerder of klager, of van geheimhoudingsplicht uit hoofde van hun beroep of betrekking.
  3. Voor zover de getuigen en deskundigen niet tijdens een hoorzitting spreken, worden partijen schriftelijk op de hoogte gebracht door wie welke inlichtingen zijn verstrekt.


4.2.8 Openbaarheid en geheimhouding

  1. De zittingen van het College van Toezicht zijn als regel niet openbaar, tenzij het College anders beslist.
  2. De leden van het College en de ambtelijk secretaris zijn gehouden tot geheimhouding van de door hen behandelde zaken.
  3. De stukken en eventueel ander materiaal op de behandeling betrekking hebbende, zijn geheim en uitsluitend ter inzage van de leden van het College en de ambtelijk secretaris, voor zover in dit reglement niet anders is bepaald.
  4. Na afloop van de behandeling van een klacht worden de kopieën van de betreffende stukken zoals die aan de leden van het College zijn verstrekt door de ambtelijk secretaris van het College vernietigd.

 4.3 Maatregelen.

  1. Het College van Toezicht kan de volgende disciplinaire maatregelen opleggen indien het College tot het oordeel komt dat de klacht gegrond is: a. waarschuwing;
    b. berisping;
    c. voorwaardelijke schorsing in de uitoefening van het lidmaatschap van de vereniging voor een periode van ten hoogste twee jaar, eventueel in combinatie met oplegging van een onder a of b genoemde maatregel. De voorwaarde en de termijn die hierop van toepassing is worden in de uitspraak genoemd.
    d. schorsing in de uitoefening van het lidmaatschap van de vereniging voor een periode van ten hoogste twee jaar, eventueel in combinatie met oplegging van een onder a of b genoemde maatregel.
    e. ontzetting uit het lidmaatschap van de vereniging op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Statuten van de NVO.
  2. Disciplinaire maatregelen zijn pas van kracht wanneer de termijn van 8 weken waarbinnen de betrokkene in beroep kan gaan tegen de uitspraak van het College van Toezicht is verstreken en binnen die termijn geen beroep is ingesteld bij het College van Beroep.Het College van Toezicht kan bepalen dat de maatregel onmiddellijk na de uitspraak van kracht wordt.
  3. Bij een uitspraak, houdende oplegging van één van de in lid 1 sub c, d en e genoemde maatregelen, stelt het College van Toezicht het bestuur op de hoogte van de betreffende uitspraak met de gronden waarop zij berust en van de identiteit van het betreffende lid waar de maatregel op van toepassing is, zodra deze onherroepelijk is geworden.

 4.4 De uitspraak

  1. Het College van Toezicht doet schriftelijke uitspraak binnen acht weken na de afsluitende behandeling van de klacht en uiterlijk binnen 7 maanden na ontvangst van de klacht.
  2. Deze termijnen kunnen, mits met redenen omkleed, verlengd worden. Van deze redenen wordt schriftelijk mededeling gedaan aan partijen vóór afloop van de in lid1 genoemde 7 maanden.
  3. De uitspraak van het College wordt gedaan met meerderheid van stemmen en is met redenen omkleed. Bij het staken van stemmen beslist de voorzitter.
  4. De ambtelijk secretaris van het College zendt binnen twee weken na de uitspraak per aangetekend schrijven afschrift van een uitspraak van het College aan:
    a. de verweerder;
    b. de klager.
  5. Het College zendt eveneens een geanonimiseerd afschrift van de uitspraak aan het bestuur van de vereniging, zodra deze onherroepelijk is geworden.


5. De beroepsprocedure bij het College van Beroep

5.1 Het indienen van een beroepschrift

  1. Bij het College van Beroep kan door klager of verweerder binnen 8 weken na de dag van verzending van het in artikel 2.4 lid 4 bedoelde afschrift beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van het College van Toezicht zoals vermeld in artikel 2.2.2 alsmede tegen een uitspraak van het College van Toezicht als bedoeld in artikel 2.4.
  2. Het beroep dient schriftelijk en met redenen omkleed te worden ingediend bij het bureau van de NVO ter attentie van de ambtelijk secretaris van het College van Beroep.
  3. Het beroepschrift dient minimaal te omvatten:a. naam, adres en woonplaats van degene die beroep aantekent;
    b. een afschrift van de uitspraak waartegen beroep wordt aangetekend;
    c. de gronden waarop het beroep berust.
  4. De ambtelijk secretaris onderzoekt of het beroep aan de in lid 3 genoemde eisen voldoet. Zo nodig wordt de indiener in de gelegenheid gesteld het beroepschrift met het oog op genoemde vereisten aan te vullen.
  5. De secretaris van het College van Beroep stelt het College van Toezicht op de hoogte van het instellen van het beroep. Alle op de zaak betrekking hebbende stukken worden door het College van Toezicht ter beschikking gesteld aan het College van Beroep.
  6. Bij afwezigheid van de ambtelijk secretaris worden door of namens de directeur de in lid 1 t/m 5 van dit artikel genoemde werkzaamheden verricht.

 5.2 Onderzoek en behandeling van het beroep

5.2.1 beoordeling van de ontvankelijkheid

  1. Wanneer het beroepschrift niet aan de voorwaarden van artikel 3.1 lid 1 tot en met 3 voldoet, kan het College van Beroep het beroep niet ontvankelijk verklaren.
  2. Bij de overwegingen over de ontvankelijkheid van het beroep gelden tevens de criteria genoemd in artikel 2.2.1.

5.2.2 kennisgeving over ontvankelijkheid

  1. Binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift of de aanvulling van de klager hierop besluit het College van Beroep of een beroep in behandeling wordt genomen.
  2. Indien een beroep in behandeling wordt genomen wordt dit aansluitend aan de beslissing schriftelijk medegedeeld aan appellant en verweerder met vermelding van de procedure en de termijnen.
  3. Indien een beroep niet in behandeling wordt genomen wordt dit aansluitend aan de beslissing schriftelijk en met redenen omkleed meegedeeld aan appellant en verweerder.
  4. Wanneer, naar aanleiding van een beroep tegen het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het College van Toezicht, een klacht door het College van Beroep alsnog ontvankelijk wordt verklaard, deelt het College van Beroep mede of zij de beoordeling van de klacht zelf afdoet of terugverwijst naar het College van Toezicht.


5.2.3. Deelname aan de behandeling van het beroep door de collegeleden

  1. Aan de behandeling van een beroep wordt op straffe van nietigheid deelgenomen door tenminste drie leden van het College van Beroep.
  2. Leden van het College onthouden zich van het deelnemen aan de behandeling van een beroep indien zij met appellant of verweerder een bloed- of aanverwantschap hebben tot en met de tweede graad, een persoonlijke relatie onderhouden of hebben onderhouden of indien er naar het oordeel van het College op andere gronden onverenigbaarheid bestaat.
  3. Wanneer appellant of verweerder stellen dat een of meer collegeleden zich vanwege bloed- of aanverwantschap, persoonlijke relatie of op andere gronden dienen te onthouden van behandeling van het beroep, dient het College gemotiveerd op dit verzoek te reageren. Betreffend lid of leden dienen zich zo nodig te onthouden van de behandeling.
  4. Een beroep tegen of ingediend door een lid van het College heeft tot gevolg dat dit lid zich van de behandeling van het beroep dient te onthouden.


5.2.4 De reikwijdte van het vooronderzoek

  1. Het College van Beroep stelt een onderzoek in voor zover dat voor de beoordeling van het beroep noodzakelijk is. Daarbij baseert het College zich in beginsel op het geen door appellant en/of verweerder naar voren is gebracht.
  2. Het College van Beroep is bevoegd de gronden waarop het beroep berust ambtshalve aan te vullen.


5.2.5 uitwisseling van schriftelijke stukken

  1. Alle door een partij in de loop van het onderzoek ingediende stukken die relevant zijn voor de afhandeling van het beroep worden in afschrift aan de andere partij gezonden.
  2. Het College stelt verweerder in de gelegenheid binnen vier weken na toezending van het beroepschrift aan verweerder schriftelijk op de ingebrachte klacht te reageren.
  3. Het College kan daarna nog eenmaal gelegenheid geven aan de appellant om binnen vier weken na toezending van het verweer schriftelijk repliek in te dienen.
    De verweerder krijgt dan nog gelegenheid binnen vier weken na toezending van het repliek schriftelijk dupliek in te dienen.
  4. Het College kan partijen uitstel verlenen van de in lid 2 en 3 genoemde termijnen. De betrokkene dient dit schriftelijk en gemotiveerd aan te vragen.


5.2.6 De hoorzitting

  1. Het College van Beroep kan na de wisseling van de in het vorige artikel genoemde stukken besluiten dat het beroep mondelinge toelichting behoeft. Het College roept daartoe zowel appellant als verweerder op ter zitting van het College te verschijnen, om naar aanleiding van het beroep te worden gehoord.
  2. Klager of verweerder kan de wens om gelegenheid tot hoor en wederhoor te kennen geven. Het College besluit gemotiveerd over dit verzoek.
  3. Wanneer één der partijen of beide te kennen geven niet gehoord te willen worden in aanwezigheid van de andere partij, worden partijen afzonderlijk van elkaar gehoord. Het College wijst partijen op de beperkingen die dit met zich meebrengt voor wat betreft het hoor en wederhoor.
    Partijen krijgen dan een schriftelijk verslag van de toelichting van de andere partij. Zij worden hierna eenmaal in de gelegenheid gesteld hierop te reageren binnen vier weken na de dag van toezending van dit verslag.
  4. Appellant en verweerder zijn bevoegd zich ter zitting door een derde te laten bijstaan of zich te laten vertegenwoordigen.
  5. Indien appellant en/of verweerder gebruik wensen te maken van de in lid 4 van dit artikel genoemde mogelijkheid dienen zij dit schriftelijk en uiterlijk tot twee weken voor de zittingsdag aan het College mee te delen onder vermelding van naam en hoedanigheid van genoemde derde.
  6. Indien een van beide partijen een derde inschakelt en de andere partij verneemt dat later dan de genoemde termijn van twee weken, dan is deze gerechtigd alsnog ook zelf een derde in te schakelen.
  7. Wanneer een der partijen vanwege dringende omstandigheden niet op de zitting aanwezig kan zijn en dit niet tijdig aan het College kenbaar kan maken, bepaalt het College of de zitting verdaagd wordt.
  8. Van de zitting wordt ten behoeve van het College een verslag gemaakt, dat op verzoek aan partijen wordt verstrekt.

 

5.2.7 Getuigen en deskundigen

  1. Ambtshalve of op verzoek van klager of verweerder kan het College van Beroep inlichtingen inwinnen bij en zich laten adviseren door getuigen en deskundigen.
  2. Getuigen en deskundigen zullen zich kunnen verschonen van deze plicht als er sprake is van bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad of een persoonlijke relatie met verweerder of klager, of van geheimhoudingsplicht uit hoofde van hun beroep of betrekking.
  3. Voor zover de in lid 1 en 2 genoemde personen niet tijdens een hoorzitting spreken, worden partijen schriftelijk op de hoogte gebracht door wie welke inlichtingen zijn verstrekt.


5.2.8 Openbaarheid en geheimhouding

  1. De zittingen van het College van Beroep zijn als regel niet openbaar, tenzij het College anders beslist.
  2. De leden van het College en de ambtelijk secretaris zijn gehouden tot geheimhouding van de door hen behandelde zaken.
  3. De stukken en eventueel ander materiaal op de behandeling betrekking hebbende, zijn geheim en uitsluitend ter inzage van de leden van het College en de ambtelijk secretaris, voor zover in dit reglement niet anders is bepaald.
  4. Na afloop van de behandeling van een beroep worden de kopieën van de betreffende stukken zoals die aan de leden van het College zijn verstrekt door de ambtelijk secretaris van het College vernietigd.

 5.3 Maatregelen

Het College van Beroep kan in beroep:

  1. de uitspraak van het College van Toezicht bevestigen. Het College kan hierbij de gronden waarop deze uitspraak steunt aanvullen dan wel verbeteren.
  2. de uitspraak van het College van Toezicht wijzigen dan wel vernietigen en doen wat het College van Toezicht had kunnen doen op grond van artikel 2.3.
  3. Disciplinaire maatregelen zijn van kracht 1 dag na de verzenddatum van de uitspraak aan appellant en verweerder.
  4. Bij een uitspraak, houdende oplegging van één van de in artikel 2.3 lid 1, sub c, d en e genoemde maatregelen, stelt het College van Beroep het bestuur op de hoogte van de betreffende uitspraak met de gronden waarop zij berust en van de identiteit van het betreffende lid waar de maatregel op van toepassing is.

 

5.4 De uitspraak

  1. Het College van Beroep doet schriftelijk uitspraak binnen acht weken na de afsluitende behandeling van het beroep en uiterlijk binnen 7 maanden na ontvangst van de klacht.
  2. Deze termijnen kunnen, mits met redenen omkleed, verlengd worden. Van deze redenen wordt schriftelijk mededeling gedaan aan partijen vóór afloop van de in lid 1. genoemde 7 maanden.
  3. De uitspraak van het College wordt gedaan met meerderheid van stemmen en is met redenen omkleed. Bij het staken van stemmen beslist de voorzitter.
  4. De ambtelijk secretaris van het College zendt binnen twee weken na de uitspraak per aangetekend schrijven afschrift van een uitspraak van het College aan:
    a. de appellant;
    b. de verweerder.
  5. Het College zendt eveneens een geanonimiseerd afschrift van de uitspraak aan het bestuur van de vereniging.

 6. Slotbepalingen

6.1 Publicaties

De uitspraken van het College van Toezicht en van het College van Beroep kunnen, wanneer zij onherroepelijk zijn, ter beoordeling door en onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de vereniging, geanonimiseerd worden gepubliceerd in de media die de vereniging ter beschikking staan.


6.2 Afwijken van het reglement

Als uitvoering van dit reglement in een bepaald geval onredelijk zou zijn of als handhaving van dit reglement om andere redenen ongewenst is kan het behandelend College besluiten af te wijken van het reglement. Het College beslist eveneens in gevallen waarin het reglement niet voorziet. Het College stelt het bestuur van de vereniging schriftelijk en met redenen omkleed op de hoogte van dit besluit.

6.3 Jaarverslag

  1. De ambtelijk secretarissen van beide Colleges zenden uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar een verslag van de activiteiten van het College gedurende het afgelopen kalenderjaar naar de secretaris van het bestuur van de vereniging.
  2. Dit jaarverslag omvat in ieder geval:
    a. de samenstelling van het College;
    b. het aantal bijeenkomsten van het College;
    c. het aantal door het College behandelde zaken;
    d. een korte omschrijving van elk van de behandelde zaken.
  3. In dit jaarverslag worden geen namen van klagers, verweerders, betrokken personen of instellingen opgenomen.

 Aldus vastgesteld door de ledenvergadering van de NVO op 14 juni 1990 en in werking getreden op 14 juni 1990.
Gewijzigd door de ledenvergadering op 16 juni 1994 en in werking getreden op 17 juni 1994.
Gewijzigd door de Ledenraad op 1 juni 1995 en in werking getreden op 2 juni 1995;
Gewijzigd door de Ledenraad op 29 mei 2001 en in werking getreden op 30 mei 2001.
Gewijzigd door het bestuur van de NVO op 10 maart 2009 en in werking getreden 11 maart 2009