Op deze pagina vindt u de integrale tekst van de beroepscode door naar onder te scrollen.

De gedrukte versie is de geldende. Door op de afbeelding hieronder te klikken kunt u die lezen en downloaden.

Wilt u de hele beroepscode downloaden en printen, klik dan op het opslaan-icoontje. Vervolgens kunt u dan een kopie op uw computer opslaan of de hele beroepscode printen.


De Beroepscode van de NVO

• Introductie

• Bestuurlijke verantwoording

• Het wat en waartoe van de beroepscode

• Positie en rol van de pedagoog en de onderwijskundige; waar richt de beroepscode zich op?

• De goede pedagoog en de veranderende context

• De beroepscode in artikelen:

• Werkingssfeer (artikel 1 – 3)
• Definities (artikel 4)
• Juridisch kader (artikel 5)
• Algemene beginselen (artikel 6 – 11)
• Het aangaan van een professionele relatie (artikel 12 – 19)
• Regels tijdens de professionele relatie (artikel 20 – 23)
• Interdisciplinaire samenwerking en assistentie (artikel 24 – 28)
• Dossier en rapportage (artikel 29 – 43)
• Uitvoeringsregeling (artikel 44 – 45)
• Toelichting klachtenprocedure
• Reglement voor het College van Toezicht en het College van Beroep van de NVO
• Het College van Toezicht
• Het College van Beroep
• De klachtprocedure bij het College van Toezicht
• De Beroepsprocedure bij het College van Beroep
• Slotbepalingen

 

Introductie

De Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) is de landelijke vereniging van academisch opgeleide pedagogen en onderwijskundigen. De leden zijn werkzaam op uiteenlopende terreinen en zijn allen direct of indirect betrokken bij opvoeding, vorming en onderwijs. De NVO is een sterk groeiende vereniging die op het moment van verschijnen van deze beroepscode meer dan 4300 leden omvat. De NVO behartigt de beroepsbelangen van haar leden in professioneel, economisch en wetenschappelijk opzicht, en is gevestigd in Utrecht.

Bestuurlijke verantwoording

 

Sinds de oorspronkelijke versie van de NVO-beroepscode in 1990 het licht zag, en de eerste herziening van de code in 1994 tot stand kwam, is er in de samenleving veel veranderd, zodat actualisering van de code noodzakelijk is om de pedagogen en onderwijskundigen in de relevante maatschappelijke context te kunnen plaatsen en hun functioneren als NVO-lid adequaat te kunnen blijven toetsen.

Omdat de beroepscode een document is dat door de leden zelf wordt vastgesteld als referentiekader voor de beroepsuitoefening is aan de actualisering ervan een inten¬sieve en uitgebreide raadpleging van de leden in een drietal ledenbijeenkomsten vooraf gegaan. Daarnaast heeft het bestuur een tweetal adviezen van de Adviesgroep Richtlijnen Inzet Deskundigen (ARID), ingesteld naar aanleiding van een bijzondere klachtzaak, over de opdrachtverlening en de professionele relatie onverkort overgenomen. Ook de colleges van Toezicht en Beroep zijn, vanuit hun ervaring met de beroepscode als toetsingsinstrument, om advies gevraagd, en hebben waardevolle opmerkingen gemaakt. Ondersteund door een klankbordgroep van NVO-leden en een regiegroep is het bestuur alles afwegende tot een voorstel voor de vernieuwde code gekomen, dat op een solide draagvlak binnen de NVO mag rekenen.

Voor de goede orde zij vermeld dat de hierna volgende paragrafen integraal deel uit maken van de NVO-beroepscode.

Dr. X.M.H. Moonen, voorzitter NVO

Utrecht, oktober 2008

Het wat en waartoe van de beroepscode

Er is voor gekozen om in deze herziening van de NVO-beroepscode het doen en laten van de professional niet tot in de kleinste details te regelen, behalve als het gaat om rechten en plichten die al in wetgeving zijn vastgelegd en om reden van transparantie in deze code zijn overgenomen. De gedachte achter die keuze is dat het handelen van pedagogen en onderwijskundigen niet tot in de details vast te leggen is, omdat dat zou betekenen dat elke nieuwe ontwikkeling een onmiddellijke herziening van de code met zich mee zou brengen. Een gevaar van een uitputtend stelsel van gedragsregels is dat dan het zicht verdwijnt op de achterliggende ethische noties. En de consequentie daarvan is dat een beroepscode dan meer werkt als een instrument in het halen van gelijk en het voorkomen van conflicten, dan als richtsnoer voor de zorg voor welzijn en belang van de cliënt, en als kader voor de beroepsgroep bij reflectie op de ethiek van het beroepsmatig handelen. De beroepscode van de NVO formuleert immers niet alleen het handelen van de professional in voor toetsing vatbare vorm, maar verwoordt ook waar het professionele handelen precies om gaat en welke waarden als nastrevenswaardig worden gezien.

Een te gedetailleerde beroepscode zou ook in strijd zijn met de discretionaire ruimte die inherent is aan ieder professioneel handelen. Het gaat er daarbij niet om dat opvattingen van anderen voor de professional en zijn handelen geen betekenis zouden hebben. Het gaat erom dat de professional uiteindelijk zelf verantwoordelijk is. Het is nu juist aan de beroepsvereniging om de discussie over beroepsethische kwesties te entameren en gaande te houden. De vrijheid van handelen van individuele pedagogen moet juist ook positief worden opgevat in de zin dat zij in staat zijn en moeten zijn tot het zelfstandig oordelen in beroepsethische kwesties. In de zin van die bekwaamheid is er geen hogere instantie dan de (verzamelde) pedagogen en onderwijskundigen zelf. Daar staat echter direct tegenover dat de pedagoog gehouden is om zich te verantwoorden voor zijn handelen, en dat hij zijn beroep uitoefent in dat voortdurende besef. Daarnaast wordt de discretionaire ruimte van de professional in die zin begrensd dat zij nimmer kan leiden tot aantasting van de lichamelijke en/of geestelijke integriteit van het kind. De professional neemt alle maatregelen die nodig zijn om eventueel lijden te voorkomen of te stoppen, en om hulpverlening op gang te brengen.

In de beroepscode van de NVO is het samenstel van richtlijnen vervat aan de hand waarvan academisch geschoolde pedagogen en onderwijskundigen, die lid zijn van de vereniging, hun professionele handelen dienen vorm te geven. De code is daarmee een neerslag van kwalitatieve en morele of ethische dimensies, die aan de beroepsuitoefening van de beroepsgroep ten grondslag liggen en voor een groot deel ook al in wetgeving zijn vastgelegd. De code bevat zowel concrete regels, aan de hand waarvan het gedrag van NVO-leden beoordeeld kan worden, als algemene uitgangspunten, waarin de geest van ‘de goede beroepsuitoefening’ is samengevat.

Het doel van de beroepscode is het garanderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Cliënten weten zich bij het aangaan van een professionele relatie met NVO-pedagogen of onderwijskundigen verzekerd van ondersteuning, of advisering, die aan eisen van kwaliteit voldoet. De beroepsgroep weet de professionele kwaliteit van de leden van de vereniging door de code gewaarborgd, en dus beschermd.

Indien cliënten zich door het handelen van NVO-leden benadeeld voelen, of anderszins ernstige kritiek hebben op de beroepsuitoefening van NVO-pedagogen of onderwijskundigen, kunnen zij het handelen laten toetsen aan de beroepscode. De code heeft daarmee de functie van ‘klachtrecht’, gericht op genoegdoening van cliënten. De code heeft daarnaast ook de functie van ‘tuchtrecht’, gericht op het waarborgen van de kwaliteit van het functioneren van de beroepsgroep. Met dat laatste doel voor ogen kunnen ook andere leden van de beroepsvereniging, en andere belanghebbenden, het gedrag van collega-leden laten toetsen.

Naast deze code kent de NVO ook protocollen en richtlijnen. Deze protocollen en richtlijnen dienen gezien te worden als een verbijzondering van de beroepscode, gericht op specifieke, in de protocollen en/of richtlijnen nader aangeduide, werkvelden of omstandigheden waar pedagogen en onderwijskundigen deskundig in zijn.


Positie en rol van de pedagoog en de onderwijskundige: waar richt de beroepscode zich op?

Pedagogen en onderwijskundigen zijn er in vele verschillende gedaanten, ze opereren op zeer verschillende werkterreinen die met elkaar gemeen hebben dat ze dat de opvoeding, en daaraan gerelateerd het onderwijs, omvatten. Ze werken ten behoeve van kinderen, mensen met een verstandelijke beperking, hun ouders, verzorgers, vertegenwoordigers en andere bij opvoeding en onderwijs betrokkenen. Ze kunnen vele verschillende rollen vervullen, zoals die van diagnosticus, therapeut, supervisor, begeleider, onderzoeker, docent, onderwijsadviseur, bestuurder en getuige-deskundige. Er is voor gekozen om die verschillende typen van beroepsuitoef¬ning niet uitputtend onderscheidend te beschrijven, maar om - zoals dat ook al bij eerder versies van de code het geval was - de pedagoog en de relaties die door de professional worden aangegaan prototypisch te beschrijven. Van lezers van de code wordt dus verwacht dat zij deze zelf op hun eigen situatie weten toe te passen.
Daar waar we tot nu toe van ‘pedagoog en onderwijskundige’ spraken, spreken we daarom van nu af ook kortweg van ‘pedagogen’. Daar waar we spreken over ‘het kind’ wordt ook de persoon met een verstandelijke beperking begrepen.


De goede pedagoog en de veranderende context

 

In de preambule van de herziene beroepscode van 1994 werd het begrip ‘een goede pedagoog’ omschreven als ‘een pedagoog die zorgvuldig handelt, vanuit professionele competentie en verantwoordelijkheid, geleid door respect voor de mens, en gericht op het belang en welzijn van de ander’. Die kernachtige omschrijving kan onverkort worden gehandhaafd. De context van de beroepsuitoefening is sindsdien in een aantal opzichten meer of minder ingrijpend veranderd. Het is van belang om hier nader in te gaan op een aantal specifieke onderwerpen die met die veranderde context verband houden.

 

1. De maatschappelijke aandacht voor kindermishandeling heeft, ook in wetgeving, een accentverschuiving te zien gegeven van het recht van ouders om op te voeden, naar het recht van kinderen om beschermd te worden. Van pedagogen mag verwacht worden dat zij zich in hun werk oriënteren op het belang van het kind. In Nederland heeft binnen de pedagogiek het denken over het belang van het kind vorm gekregen in de theorie van de pedagogische relatie. Pedagogen die assisteren bij het optimaliseren dan wel verbeteren van die relatie zijn derhalve gericht op het belang van het kind. De gerichtheid op grotere zelf-standigheid van het kind in de toekomst heeft daarin een bijzondere plek.

Er zijn twee factoren die de oriëntatie op het belang van het kind compliceren. Een eerste factor is gelegen in het feit dat pedagogen lang niet altijd direct met kinderen werken. Vaak werken zij met opvoeders en niet met kinderen, met docenten en niet met leerlingen. Een tweede factor is dat pedagogen ook gericht zijn op het belang van mensen die de leeftijd van volwassenen hebben en een verstandelijke beperking hebben. Daarbij wordt uitgegaan van gelijkwaardig burgerschap en de daaraan verbonden rechten en plichten en op de mogelijkheden van mensen ondanks hun beperking. Bij nader inzien zijn deze complicaties minder groot dan op het eerste gezicht lijkt. De relatie die de pedagoog met zijn cliënt of cliëntsysteem aangaat is in die zin te karakteriseren als een pedagogische relatie, dat zij gericht is op de zelfstandigheid van de cliënt of het cliëntsysteem en georiënteerd is op zijn/hun belang.

Het algemene uitgangspunt dat pedagogen zich oriënteren op het belang van het kind, impliceert ook dat pedagogen een taak hebben in het creëren van goede randvoorwaarden. Een voorbeeld: de Nederlandse Staat heeft zich verplicht zich te houden aan het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind. In artikel 19 van dat verdrag is opgenomen dat het kind het recht heeft om beschermd te worden tegen iedere vorm van geweld. Dat betekent dat het de taak van pedagogen is om de overheid te attenderen op die vormen van geweld die het volwassen worden belemmeren en de overheid te assisteren bij het nemen van die maatregelen, waardoor dat geweld kan worden voorkomen, dan wel de schadelijke gevolgen van het geweld kunnen worden verminderd.

 

2. De relatie tussen pedagogen en cliënten is onmiskenbaar veranderd. De veranderingen, die in de afgelopen decennia in vormgeving van de klinische of hulpverleningsrelaties zichtbaar zijn geworden, zijn ideaaltypisch te karakteriseren als de ontwikkeling van patiënt, naar cliënt, naar klant. Ooit werden deskundigen geacht alwetend te zijn, de patiënten werden geacht volledig op de deskundigen te (kunnen) vertrouwen. De relatie tussen deskundigen en patiënten was een hiërarchische relatie. Er ontstond een behoefte aan bescherming van de rechten van de patiënten in wetgeving en beroepscodes en aan het scheppen van evenwichtige verhoudingen. De verandering van terminologie, van “patiënt” naar “cliënt”, karakteriseert de gegroeide mondigheid aan de kant van de cliënt. De relatie tussen pedagogen en cliënten wordt zo een meer gelijkwaardige relatie. De fundamentele ongelijkheid, die aan een hulpverleningsrelatie nu eenmaal eigen is, blijft echter altijd een rol spelen. De pedagogen dienen zich de afhankelijkheid van cliënten van hen als deskundigen te realiseren en mogen die vanzelfsprekend niet ten nadele van het belang en de autonomie van cliënten aanwenden. Door de invoering van marktwerking in de (pedagogische) zorg wordt de relatie tussen pedagogen en cliënten ook economisch gedefinieerd. De cliënt wordt in toenemende mate klant. Daarmee lijkt een andersoortige afhankelijkheidsrelatie te ontstaan waarin de pedagogen afhankelijk zijn van (eisende) klanten. Pedagogen mogen hun handelen echter nimmer in termen van die economische afhankelijkheid legitimeren. De verzakelijking van de verhouding laat immers onverlet dat de verhouding tussen pedagoog en cliënt een vertrouwensrelatie dient te blijven. In dat noodzakelijke vertrouwen heeft ook de geheimhoudingsplicht van pedagogen een plaats. Zonder die belofte van geheimhouding kan er geen vertrouwensrelatie ontstaan.

Naast verzakelijking lijkt juridisering van de hulpverleningsrelatie een bedreiging voor de vertrouwensrelatie. Goed beschouwd is het omgekeerde het geval. Rechten als het verlenen van toestemming bij het aangaan van een professionele relatie, duidelijkheid verkrijgen over de rol van de hulpverlener, en inzage in rapportage of dossier, creëren door het verstevigen van de autonomie van de hulpvrager een evenwichtige situatie in de hulpverlening en dragen zo juist bij aan het in stand houden van de onontbeerlijke vertrouwensrelatie.

De aspecten geheimhouding en autonomie zijn in het werk van de pedagoog extra gecompli-ceerd als dat werk op kinderen betrekking heeft van wie de autonomie in psychologisch en juridisch opzicht in ontwikkeling is en gedeeld wordt met de opvoeders. Het werken in een forensische context scherpt deze complicatie nog eens extra aan, omdat daar vaak wettelijke beperkingen gesteld zijn aan het recht op autonomie en geheimhouding. Kenmerkend voor de context van het strafrecht is dat de pedagogen werken met of ten behoeve van functionarissen en instanties met hun eigen juridisch bepaalde posities en verantwoordelijkheden en met cliënten aan wier autonomie en privacy beperkingen zijn opgelegd. Om die reden ook is helderheid over de opdracht aan de pedagogen en over de daarbij horende verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor alle betrokkenen van groot gewicht.

 

3. Aan het werken van pedagogen en aan hun inhoudelijke deskundigheid worden steeds hogere eisen gesteld. In de eerste plaats zijn daar vanzelfsprekend de algemene opleidingseisen en de bijzondere opleidingseisen in het kader van registratie in specifieke (wettelijke) registers. In de tweede plaats zijn daar de eisen die van doen hebben met het bijhouden van het vak. In de derde plaats is daar het algemeen wetenschappelijk vereiste van het zoveel als mogelijk is ‘evidence based’ werken, waarbij moet worden aangetekend dat de NVO weinig bindende uitspraken doet over goedgekeurde methoden van werken. Het gaat overigens niet zozeer om ‘effectieve methoden’, maar om ‘effectieve professionals’, die niet alleen met deugdelijke methoden werken, maar die hun werk systematisch uitvoeren, voortdurend evalueren en hun eigen feedback weten te organiseren. Pedagogen kennen de beperkingen van hun specifieke deskundigheid en de grenzen van hun expertise en verschaffen alleen die diensten en gebruiken alleen die technieken waarvoor ze gekwalificeerd zijn.


4. Mede omdat het werken van pedagogen in teamverband met professionals uit andere disciplines sterk is toegenomen is verheldering van de relatie van pedagogen tot derden in de werksituatie geboden. Uitgangspunt is daarbij dat pedagogen moeten voldoen aan de eisen die de beroepscode aan de beroepsuitoefening stelt, ook als het de daarvoor noodzakelijke werkomstandigheden betreft. Pedagogen zijn daarvoor ook zelf verantwoordelijk en kunnen zich niet verschuilen achter derden, die medeverantwoordelijk zijn. Dat geldt ook voor collega’s met wie pedagogen in multidisciplinair verband werken. Voor pedagogen, in dienstverband van welke aard dan ook, is het van belang om van de werkgever adequate werkomstandigheden te eisen. Daarnaast zijn zij gehouden bij de daartoe bevoegde instanties melding te maken van die werkomstandigheden die niet aan de minimale voorwaarden van behoorlijke beroepsuitoefening voldoen.
 

5. De veranderingen in de verhouding van pedagogen tot de overheid en tot relevante marktpartijen nopen tot een aanscherpen van de verantwoordelijkheid van NVO-pedagogen, en de NVO als geheel. Pedagogen dragen de individuele verantwoordelijkheid om een proactieve houding aan te nemen wanneer zij gedragingen waarnemen, die op gespannen voet staat met de beginselen in de code. Die taak komt ook de beroepsvereniging als geheel toe in het algemene maatschappelijke belang van opvoeding, en de verantwoordelijkheid van de pedagoog daarin. Dit houdt onder meer in dat de pedagoog, als andere dan inhoudelijke op het belang van kind en opvoeding gerichte overwegingen een rol spelen, vanuit de aard van zijn professie gehouden is om de inhoudelijke overwegingen en belangen te laten prevaleren.


De beroepscode in artikelen

 

Werkingssfeer

 

ARTIKEL 1
Deze beroepscode heeft met ingang van 28 oktober 2008 voor alle leden van de NVO, de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen, volledig bindende kracht en vervangt daarmee de beroepscode van 1994.

 

 ARTIKEL 2
1. De pedagoog dient in de uitoefening van zijn beroep te handelen naar de inhoud en geest van de beroepscode.
2. Overal waar in deze beroepscode gesproken wordt van pedagoog, wordt eveneens bedoeld psycholoog, onderwijskundige, andragoloog, en eventuele andere leden van de NVO.


ARTIKEL 3
Elke belanghebbende heeft het recht tegen een lid van de NVO een klacht in te dienen bij het College van Toezicht als bedoeld in artikel 44 van de beroepscode, op grond van het niet naleven van de beroepscode.
 

Definities

 

ARTIKEL 4
Ongeacht de juridische vorm waarin de dienstverlening van de pedagoog gestalte heeft gekregen, moet worden verstaan onder:
1. Beroepsmatig handelen: alle handelingen die worden verricht wanneer wordt opgetreden in de hoedanigheid van pedagoog.
2. Een professionele relatie: een relatie die beroepshalve is aangegaan met een cliënt naar aanleiding van een hulpvraag gericht op onderzoek, behandeling, advisering of begeleiding.
3. De cliënt: de persoon of rechtspersoon op wie het handelen in een professionele relatie rechtstreeks is gericht.
4. Het cliëntsysteem: de groep personen in hun onderling functioneren op wie het handelen in een professionele relatie rechtstreeks is gericht.
5. De overige betrokkene(n): personen die noch opdrachtgever noch cliënt zijn van de pedagoog, maar wel een betrekking hebben met de cliënt welke voor de professionele relatie van belang is.
6. De opdracht: de doelstelling, vraagstelling, indicatie van werkzaamheden, bevoegdheden, rechten en verplichtingen en financiële afwikkeling, met betrekking tot enig beroepsmatig handelen.
7. De opdrachtgever: de persoon of de rechtspersoon die opdracht geeft tot enig beroepsmatig handelen.
8. De externe opdrachtgever: persoon of rechtspersoon, niet zijnde cliënt of cliëntsysteem, die opdracht heeft gegeven tot enig beroepsmatig handelen.
9. Wettelijk vertegenwoordiger:
- ouder(s) van de minderjarige cliënt of diens voogd;
- de door de rechter benoemde curator of mentor van de meerderjarige cliënt.


Juridisch kader

 

ARTIKEL 5
Naar analogie van de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) zijn op het beroepsmatig handelen van de pedagoog de volgende bepalingen van toepassing:
1. Heeft een cliënt de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaar bereikt, dan komt de pedagoog de uit de beroepscode voortvloeiende verplichtingen na jegens deze cliënt alsmede jegens diens wettelijke vertegenwoordigers. Als de wettelijk vertegenwoordigers toestemming weigeren voor het aangaan van een professionele relatie, kan deze toch worden uitgevoerd indien de weigering ernstig nadeel oplevert voor de cliënt, dan wel de cliënt na weigering van de toestemming de professionele relatie weloverwogen blijft wensen. Indien deze cliënt niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, dan komt de pedagoog de uit de beroepscode voortvloeiende verplichtingen na jegens diens wettelijke vertegenwoordigers.
2. Heeft de cliënt de leeftijd van zestien jaar bereikt dan komt de pedagoog de uit deze beroepscode voortvloeiende verplichtingen na jegens deze cliënt. Indien deze niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is dan komt de pedagoog de uit de beroepscode voortvloeiende verplichtingen na jegens diens wettelijke vertegenwoordigers.
3. Is de cliënt minderjarig, en behoort deze niet tot de categorie als bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel, dan komt de pedagoog de uit de beroepscode voortvloeiende verplichtingen na jegens zijn wettelijke vertegenwoordigers. Deze cliënt heeft echter wel het recht zijn mening kenbaar te maken. De pedagoog moet aan die mening van deze cliënt passend belang hechten, in overeenstemming met diens leeftijd en ontwikkelingsniveau.
4. Indien een meerderjarige cliënt niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, dan komt de pedagoog de uit de beroepscode voortvloeiende verplichtingen na jegens diens wettelijke vertegenwoordigers of de persoon die daartoe door de cliënt schriftelijk is gemachtigd in zijn plaats op te treden. Ontbreekt een zodanig schriftelijk gemachtigde persoon, of treedt deze niet op, dan worden de verplichtingen nagekomen jegens de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, jegens een ouder, kind, broer of zus van de cliënt, tenzij deze persoon dat niet wenst. Deze cliënt heeft echter wel het recht zijn mening kenbaar te maken. De pedagoog moet aan die mening van deze cliënt passend belang hechten, in overeenstemming met diens leeftijd en ontwikkelingsniveau.
5. De pedagoog komt zijn verplichtingen na jegens de in de voorgaande leden bedoelde (wettelijke) vertegenwoordigers van de cliënt, tenzij die nakoming niet verenigbaar is met de zorg van een goed pedagoog, met inachtneming van het gestelde in art. 10.

 

Algemene beginselen

 

ARTIKEL 6 Deskundigheid
1. De pedagoog houdt zijn professionele deskundigheid op peil, gebruikt aanvaarde methoden en volgt relevante bij- en nascholing.
2. De pedagoog oefent zijn beroep uit voor zover hij daartoe door opleiding, ervaring dan wel registratie is gekwalificeerd.

 

ARTIKEL 7 Zorgvuldigheid
1. De pedagoog handelt met respect voor zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en gelijkwaardigheid van de cliënt.
2. De pedagoog ziet er op toe dat in het kader van zijn professionele handelen personen in gelijke gevallen gelijke behandeling krijgen.
3. De pedagoog erkent het recht van de cliënt andere deskundigen te consulteren.
4. In zijn handelen en nalaten is de pedagoog zorgvuldig jegens een ieder.

 

ARTIKEL 8 Vertrouwelijkheid
1. De pedagoog is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem uit hoofde van de professionele relatie met de cliënt ter kennis komt.
2. Indien de pedagoog in teamverband werkt, geldt de geheimhoudingsplicht voor alle teamleden. De pedagoog moet zich ervan vergewissen dat deze geheimhoudingsplicht voor alle teamleden van toepassing is, zodat hij zich kan houden aan de bepalingen van de beroepscode.
3. Indien het in het belang van de cliënt is, dat informatie wordt gedeeld met andere personen of instanties, zet de pedagoog zich in om deze informatie door de cliënt zelf te laten doorgeven, dan wel vraagt de pedagoog de cliënt expliciet om toestemming voor het doorgeven van bepaalde informatie aan bepaalde personen of instanties.
4. De geheimhouding geldt niet voor zover er een wettelijk meldrecht is. Dit is bijvoorbeeld het geval ten aanzien van kindermishandeling. De pedagoog heeft de mogelijkheid om, na een eigen afweging, zonder toestemming van de cliënt een vermoeden van kindermishandeling te melden, op basis van art 53 lid 3 van de Wet op de Jeugdzorg.
5. De geheimhoudingsplicht geldt evenmin, wanneer er een dwingend wettelijk voorschrift is, voor zover dit noodzakelijk is voor het kunnen voldoen aan dit wettelijk voorschrift.
6. Buiten de genoemde situaties in de leden 3, 4 en 5 kan de pedagoog zich gesteld zien voor een conflict van plichten. Dit is het geval indien hij verplicht is tot geheimhouding, maar tegelijkertijd (moreel of beroepsmatig) verplicht is om informatie te verschaffen aan andere instanties om gevaar voor anderen af te wenden. Voor het doorbreken van de geheimhoudingsplicht buiten de genoemde situaties in lid 3, 4 en 5 moet de pedagoog zorgvuldig te werk gaan. Dit houdt onder meer in dat eerst wordt getracht toestemming van de cliënt te verkrijgen, en dat de pedagoog nagaat of het gevaar kan worden afgewend zonder doorbreking van de geheimhouding. Vervolgens moet de pedagoog aantoonbaar een afweging gemaakt hebben tussen de conflicterende plichten.
7. Indien de pedagoog voorziet dat hij de cliënt geen volledige geheimhouding kan garanderen, dan dient hij de cliënt hiervan zo mogelijk voor het aangaan van de professionele relatie dan wel zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is op de hoogte te stellen.

 

ARTIKEL 9 Collegialiteit
De relatie met collega’s van gelijke of andere disciplines wordt gekenmerkt door bereidheid tot uitwisseling van kennis en tot samenwerking en tot verantwoording van de eigen werkzaamheden.

 

ARTIKEL 10 Verantwoording
De pedagoog moet van zijn beroepsmatig handelen verantwoording kunnen afleggen. Daartoe houdt hij van zijn professionele werkzaamheden zodanig aantekening dat zijn handelen, en nalaten, toetsbaar is.

 

ARTIKEL 11 Professionele en maatschappelijke verantwoordelijkheid
1. De pedagoog onthoudt zich van gedragingen die het vertrouwen in het vakgebied, de beroepsgroep of individuele collega’s kunnen schaden.
2. De pedagoog die in het kader van zijn beroepsmatig handelen weet heeft van handelwijzen of een situatie die bedreigend of schadelijk te achten zijn voor het belang of het welzijn van een kind doet, ongeacht of hij zelf rechtstreeks met dat kind bemoeienis heeft, datgene wat ter afwending van deze bedreiging wenselijk is en past bij de omstandigheden en zijn professionele verantwoordelijkheid.

 

Het aangaan van een professionele relatie

 

ARTIKEL 12
Voor het aangaan van een professionele relatie is toestemming van de cliënt vereist. Indien ingevolge het gestelde in artikel 5 toestemming nodig is van (wettelijke) vertegenwoordigers vergewist de pedagoog zich er van dat toestemming is verkregen van alle (wettelijke) vertegenwoordigers.

 

ARTIKEL 13
De pedagoog beslist op grond van zijn deskundigheid en mogelijkheden of hij een professio-nele relatie aan zal gaan. Indien nodig verwijst de pedagoog de cliënt of opdrachtgever naar andere deskundigen door.

 

ARTIKEL 14
De pedagoog weigert een professionele relatie aan te gaan, of voort te zetten, wanneer hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de uitvoering hem in conflict zal brengen met de beroepscode.

 

ARTIKEL 15
De pedagoog moet aan de cliënt met wie hij de professionele relatie wil aangaan, op een voor de cliënt begrijpelijke wijze informatie verstrekken over de aard en het doel van en de werkwijze tijdens de professionele relatie. Als sprake is van een (wettelijke) vertegenwoordiger dan geldt deze verplichting jegens hem.
Deze informatie betreft tenminste:
• de aard van de professionele relatie (onderzoek, behandeling, begeleiding, advisering) inclusief de positie van de cliënt en de pedagoog in dit proces;
• de doelstelling van de professionele relatie;
• de werkwijze tijdens de professionele relatie: de methoden en middelen die gehanteerd worden en de typen gegevens die over de cliënt verzameld worden;
• mogelijke (neven)effecten van de professionele relatie;
• de rechten van de cliënt waaronder het recht op inzage in het dossier;
• de gebondenheid van de pedagoog aan de NVO-beroepscode;
• de wijze waarop de professionele relatie wordt beëindigd, onverlet de mogelijkheid van verlenging.

 

ARTIKEL 16
Voordat de pedagoog een professionele relatie aangaat, wordt de opdrachtgever, bij voorkeur schriftelijk, meegedeeld wat de hoogte van het verschuldigde honorarium en andere voorwaarden zijn waaronder de opdracht aanvaard wordt, tenzij de peda¬goog het honorarium ontvangt op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde.

 

ARTIKEL 17
De pedagoog bevordert een zodanige situatie, dat de cliënt of opdrachtgever de beslissing tot het aangaan van de professionele relatie verantwoord en in vrijheid kan nemen.

 

ARTIKEL 18
In afwijking van artikel 12 is toestemming voor het aangaan van een professionele relatie niet nodig als de professionele relatie tot stand komt als gevolg van een opdracht door een externe opdrachtgever ter uitvoering van een wettelijke verplich¬ting.


ARTIKEL 19
1. De pedagoog die op verzoek van een externe opdrachtgever een professionele relatie aangaat met een cliënt, draagt er zorg voor dat de opdracht duidelijk omschreven is.
• De opdracht dient schriftelijk geformuleerd te zijn en schriftelijk voor akkoord verklaard te worden door opdrachtgever, cliënt en pedagoog.
• De omschrijving van de opdracht geeft aan wat het doel ervan is, de vraagstelling en bevat een indicatie van de werkzaamheden, de bevoegdheden, de rechten en verplichtingen, de daarmee gemoeide tijdsinvestering en de financiële afwikkeling.
• Indien opdrachtgever of pedagoog in de loop van de uitvoering van de opdracht bijstelling of uitbreiding van de opdracht wenselijk vinden, dan is daarvoor een nieuwe schriftelijke overeenstemming vereist van alle partijen.
• Indien toestemming van de cliënt voor het aangaan van de professionele relatie niet vereist is, omdat de opdrachtgever rapporteert ter uitvoering van een wettelijke verplichting dient de vastgestelde, dan wel gewijzigde opdracht aan de cliënt ter kennis te worden gebracht.
• De pedagoog aanvaardt geen nieuwe opdracht die niet te verenigen is met een reeds eerder aanvaarde opdracht, ook als er geen sprake is van dezelfde cliënt. Bij motivering van zo’n weigering neemt de pedagoog vertrouwelijkheid in acht.
• De pedagoog vermijdt het vermengen van verschillende professionele rollen.
2. De pedagoog onderkent de moeilijkheden die kunnen ontstaan doordat cliënt, opdrachtgever en personen die deel uitmaken van een cliëntsysteem, onverenigbare belangen kunnen hebben. In een zo vroeg mogelijk stadium expliciteert hij zijn positiekeuze daarbij aan alle betrokkenen.


Regels tijdens de professionele relatie

 

ARTIKEL 20
De pedagoog hanteert gedurende de professionele relatie geen methoden die de cliënt aantasten in zijn/haar waardigheid of verder in de persoonlijke levenssfeer van betrokkene doordringen dan nodig is voor het gestelde doel.

 

ARTIKEL 21
De pedagoog mag, zelfs als de cliënt dat verlangt of daartoe uitnodigt, niet ingaan op seksuele en/of agressieve toenaderingen. Evenmin mag de pedagoog dergelijke toenaderingen uitlokken of zelf ondernemen.

 

ARTIKEL 22
Ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht is de pedagoog gerechtigd aan degenen van wie beroepsmatige medewerking bij de uitvoering van de professionele relatie noodzakelijk is, de nodige gegevens te verstrekken, met inachtneming van artikel 8.

 

ARTIKEL 23
Een professionele relatie dient beëindigd te worden met een evaluatie van de uitvoering van de opdracht.


Interdisciplinaire samenwerking en assistentie

 

ARTIKEL 24
In de samenwerking met andere professionals is de pedagoog verantwoordelijk voor de naleving van de beroepscode wat betreft de eigen inbreng en deelname aan de samen-werking.

 

ARTIKEL 25
De pedagoog verleent geen medewerking aan en maakt geen gebruik van werkzaamheden van anderen die met de beroepscode in strijd zijn.

 

ARTIKEL 26
Indien de pedagoog ter uitvoering van enig beroepsmatig handelen handelingen laat uitvoeren door anderen, blijft de pedagoog verantwoordelijk voor de naleving van de beroepscode.

ARTIKEL 27


Ter zake van de naleving van de code draagt de pedagoog eindverantwoordelijkheid voor assistenten en stagiaires die onder zijn leiding staan.


ARTIKEL 28
De pedagoog verleent hulp en steun aan collega’s, studenten en supervisanten om ertoe bij te dragen dat zij het beroep professioneel kunnen uitoefenen. Hij onthoudt zich van gedragingen die hen daarin kunnen schaden.


Dossier en rapportage

 

ARTIKEL 29
1. Onder dossier moet worden verstaan: een verzameling van gegevens, schriftelijk, elektronisch en/of audio en/of visueel, verkregen door de pedagoog, die bewaard worden vanwege hun relevantie voor de kwaliteit en/of continuïteit van de professionele relatie.
2. Persoonlijke werkaantekeningen van de pedagoog, ruwe testgegevens dan wel audio of visuele gegevens die aanstonds tot schriftelijk verslag worden verwerkt behoren niet tot het dossier. Persoonlijke werkaantekeningen worden gescheiden van het dossier bewaard en na voltooiing van de opdracht vernietigd.

 

ARTIKEL 30
De pedagoog bewaart het dossier onder eigen verantwoordelijkheid. Een pedagoog in dienstverband of met een ambtelijke aanstelling mag deze verantwoordelijkheid voor wat betreft een centraal databestand gedelegeerd achten aan de werkgever, onverlet het bepaalde in artikel 31.

 

ARTIKEL 31
De pedagoog vergewist zich ervan, alvorens gegevens van welke aard dan ook en in welke vorm dan ook over cliënten in een al dan niet geautomatiseerd databestand worden opgeslagen, dat de toegang tot dat databestand, zowel technisch als bij reglement, zodanig is afgeschermd tegen misbruik, dat de bepalingen van de beroepscode kunnen worden nageleefd.

 

ARTIKEL 32
1. De pedagoog bewaart na beëindiging van de professionele relatie het op naam gesteld dossier van de cliënt in verband met het doel waarvoor het dossier is aangelegd, te weten de kwaliteit en/of continuïteit van de professio¬nele relatie.
2. De pedagoog bewaart het dossier tot minimaal één jaar en maximaal 5 jaar of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed pedagoog of uit wettelijke voorschriften voortvloeit.

 

ARTIKEL 33
1. De cliënt heeft recht op inzage in en afschrift van het eigen dossier, tenzij door inzage de privacy van anderen onevenredig wordt geschaad.
2. De niet met het gezag belaste ouder van een minderjarige cliënt heeft geen recht op volledige inzage, doch wel een recht op informatie conform artikel 377 c Boek 1 BW.
3. Wanneer inzage in het dossier door een vertegenwoordiger van de cliënt voor die cliënt of derden ernstig nadeel oplevert, mag de pedagoog inzage onthouden. In dat geval heeft een door de cliënt aan te wijzen derde, zijnde een aan de beroepscode onderworpen pedagoog, recht op inzage in het dossier voor het geven van een ‘second opinion’ over de gegrondheid van de weigering van de inzage.

 

ARTIKEL 34
Bij inzage in het dossier moet de pedagoog aanbieden uitleg te geven.

 

ARTIKEL 35
De cliënt heeft recht op verbetering, aanvulling of verwijdering van gegevens die zijn opgeno-men in het dossier, indien de opgenomen gegevens aantoonbaar onjuist of onvolledig zijn, of gezien de doelstelling van het dossier niet ter zake doen. Het verzoek tot correctie, aanvulling en verwijdering van gegevens moet schriftelijk worden ingediend.

ARTIKEL 36


1. Indien schriftelijk gerapporteerd wordt, dient de pedagoog zich te beperken tot het verstrekken van die gegevens, die voor de beantwoording van de vraagstelling en de doelstelling van belang zijn, zulks in duidelijke termen. Uit de rapportage moet duidelijk blijken wat de beperkingen zijn van de uitspraken en de gronden waarop de uitspraken berusten.
2. Schriftelijke rapportage is onderdeel van het dossier, zodat de artikelen 32 tot en met 35 hierop eveneens van toepassing zijn.

 

ARTIKEL 37
1. Als de pedagoog schriftelijk rapporteert aan een externe opdrachtgever, biedt de pedagoog de cliënt de gelegenheid tot inzage in het rapport voordat het rapport wordt uitgebracht en verschaft hij de cliënt een afschrift.
2. Het recht op inzage geldt niet voor delen van het rapport die (mede) betrekking hebben op anderen (van een cliëntsysteem), indien het weigeren van inzage noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van die anderen.
3. De cliënt heeft het recht op verbetering van op hem betrekking hebbende feitelijke gegevens, indien hij aannemelijk kan maken dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn, gelet op de doelstelling van het onderzoek niet ter zake dienend of onrechtmatig zijn verkregen.

 

ARTIKEL 38
1. Als regel heeft de cliënt het recht om de rapportage aan de externe opdrachtgever te blokkeren.
2. Het blokkeringsrecht geldt niet als het rapport mede betrekking heeft op anderen (van een cliëntsysteem) en het doel van de rapportage of de belangen van die anderen zich daartegen verzetten.
3. Er bestaat geen blokkeringsrecht als de externe opdrachtgever op grond van een wettelijke regeling een bevoegdheid heeft om rapportage te eisen. In dat geval wijst de pedagoog de cliënt op de mogelijkheid eventuele bezwaren tegen de rapportage in te brengen en gelijktijdig met de rapportage naar de opdrachtgever te sturen.
4. Als de cliënt geen onverkort recht heeft om de rapportage te blokkeren, dan is de pedagoog verplicht om hem voorafgaande aan de professionele relatie schriftelijk daarop te wijzen.

 

ARTIKEL 39
1. De pedagoog verstrekt slechts op naam gestelde cliëntgegevens aan de opdrachtgever, overige betrokkenen of derden voor zover dit geschiedt met toestemming van de cliënt, of zulks wordt vereist ingevolge een wettelijke bepaling, onverlet de eigen professionele verantwoordelijkheid.
2. Voor het vragen van informatie met betrekking tot een professionele relatie aan de opdrachtgever, overige betrokkenen of derden vraagt de pedagoog toestemming van de cliënt.

 

ARTIKEL 40
De pedagoog zal bij verwijzing van de cliënt na toestemming van de cliënt, op verzoek, alle relevante informatie ter vertrouwelijke kennisname doen toekomen aan degene naar wie verwezen wordt en is gehouden overleg te plegen met degene naar wie verwezen wordt.

 

ARTIKEL 41
Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, statistiek en wetenschappelijke publicaties of publicaties bestemd voor onderwijsdoeleinden mag de pedagoog desgevraagd aan een derde gegevens verstrekken, voor zover de persoonlijke levenssfeer van de cliënt daardoor niet wordt geschaad en onverlet de eigen verantwoordelijkheid ingevolge artikel 11. lid 1.

 

ARTIKEL 42
Voor het maken van beeld- en geluidsregistraties is voorafgaande toestemming van de cliënt nodig. Indien beeld- en geluidsregistraties gebruikt worden voor onderwijs en voorlichting is schriftelijke toestemming van de cliënt vereist.

 

ARTIKEL 43
In het kader van supervisie en intervisie mag de pedagoog geanonimiseerde cliëntgegevens verstrekken aan en bespreken met de participanten. De pedagoog draagt zorg voor de vernietiging van deze gegevens na afloop van de bespreking.

 

Uitvoeringsregeling

 

ARTIKEL 44
Ten behoeve van handhaving van deze beroepscode kent de NVO een College van Toezicht en een College van Beroep.

 

ARTIKEL 45
Samenstelling en werkwijze van de beide Colleges zijn geregeld in het bij de beroepscode behorende Reglement voor het College van Toezicht en het College van Beroep van de NVO.

 

Aldus vastgesteld door de Algemene Ledenvergadering van de NVO op 28 oktober 2008