Beroepscode NVO |
|
Actueel: Regionale bijeenkomsten over de Beroepscode
De Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) is de landelijke vereniging van academisch opgeleide pedagogen en onderwijskundigen. De leden zijn werkzaam op uiteenlopende terreinen en zijn allen direct of indirect betrokken bij opvoeding, vorming en onderwijs. De NVO is een sterk groeiende vereniging die op het moment van verschijnen van deze beroepscode meer dan 4300 leden omvat. De NVO behartigt de beroepsbelangen van haar leden in professioneel, economisch en wetenschappelijk opzicht, en is gevestigd in Utrecht.
Sinds de oorspronkelijke versie van de NVO-beroepscode in 1990 het licht zag, en de eerste herziening van de code in 1994 tot stand kwam, is er in de samenleving veel veranderd, zodat actualisering van de code noodzakelijk is om de pedagogen en onderwijskundigen in de relevante maatschappelijke context te kunnen plaatsen en hun functioneren als NVO-lid adequaat te kunnen blijven toetsen. Omdat de beroepscode een document is dat door de leden zelf wordt vastgesteld als referentiekader voor de beroepsuitoefening is aan de actualisering ervan een intensieve en uitgebreide raadpleging van de leden in een drietal ledenbijeenkomsten vooraf gegaan. Daarnaast heeft het bestuur een tweetal adviezen van de Adviesgroep Richtlijnen Inzet Deskundigen (ARID), ingesteld naar aanleiding van een bijzondere klachtzaak, over de opdrachtverlening en de professionele relatie onverkort overgenomen. Ook de colleges van Toezicht en Beroep zijn, vanuit hun ervaring met de beroepscode als toetsingsinstrument, om advies gevraagd, en hebben waardevolle opmerkingen gemaakt. Ondersteund door een klankbordgroep van NVO-leden en een regiegroep is het bestuur alles afwegende tot een voorstel voor de vernieuwde code gekomen, dat op een solide draagvlak binnen de NVO mag rekenen. Voor de goede orde zij vermeld dat de hierna volgende paragrafen integraal deel uit maken van de NVO-beroepscode. Dr. X.M.H. Moonen, voorzitter NVO Utrecht, oktober 2008
Er is voor gekozen om in deze herziening van de NVO-beroepscode het doen en laten van de professional niet tot in de kleinste details te regelen, behalve als het gaat om rechten en plichten die al in wetgeving zijn vastgelegd en om reden van transparantie in deze code zijn overgenomen. De gedachte achter die keuze is dat het handelen van pedagogen en onderwijskundigen niet tot in de details vast te leggen is, omdat dat zou betekenen dat elke nieuwe ontwikkeling een onmiddellijke herziening van de code met zich mee zou brengen. Een gevaar van een uitputtend stelsel van gedragsregels is dat dan het zicht verdwijnt op de achterliggende ethische noties. En de consequentie daarvan is dat een beroepscode dan meer werkt als een instrument in het halen van gelijk en het voorkomen van conflicten, dan als richtsnoer voor de zorg voor welzijn en belang van de cliënt, en als kader voor de beroepsgroep bij reflectie op de ethiek van het beroepsmatig handelen. De beroepscode van de NVO formuleert immers niet alleen het handelen van de professional in voor toetsing vatbare vorm, maar verwoordt ook waar het professionele handelen precies om gaat en welke waarden als nastrevenswaardig worden gezien. Een te gedetailleerde beroepscode zou ook in strijd zijn met de discretionaire ruimte die inherent is aan ieder professioneel handelen. Het gaat er daarbij niet om dat opvattingen van anderen voor de professional en zijn handelen geen betekenis zouden hebben. Het gaat erom dat de professional uiteindelijk zelf verantwoordelijk is. Het is nu juist aan de beroepsvereniging om de discussie over beroepsethische kwesties te entameren en gaande te houden. De vrijheid van handelen van individuele pedagogen moet juist ook positief worden opgevat in de zin dat zij in staat zijn en moeten zijn tot het zelfstandig oordelen in beroepsethische kwesties. In de zin van die bekwaamheid is er geen hogere instantie dan de (verzamelde) pedagogen en onderwijskundigen zelf. Daar staat echter direct tegenover dat de pedagoog gehouden is om zich te verantwoorden voor zijn handelen, en dat hij zijn beroep uitoefent in dat voortdurende besef. Daarnaast wordt de discretionaire ruimte van de professional in die zin begrensd dat zij nimmer kan leiden tot aantasting van de lichamelijke en/of geestelijke integriteit van het kind. De professional neemt alle maatregelen die nodig zijn om eventueel lijden te voorkomen of te stoppen, en om hulpverlening op gang te brengen. In de beroepscode van de NVO is het samenstel van richtlijnen vervat aan de hand waarvan academisch geschoolde pedagogen en onderwijskundigen, die lid zijn van de vereniging, hun professionele handelen dienen vorm te geven. De code is daarmee een neerslag van kwalitatieve en morele of ethische dimensies, die aan de beroepsuitoefening van de beroepsgroep ten grondslag liggen en voor een groot deel ook al in wetgeving zijn vastgelegd. De code bevat zowel concrete regels, aan de hand waarvan het gedrag van NVO-leden beoordeeld kan worden, als algemene uitgangspunten, waarin de geest van ‘de goede beroepsuitoefening’ is samengevat. Het doel van de beroepscode is het garanderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Cliënten weten zich bij het aangaan van een professionele relatie met NVO-pedagogen of onderwijskundigen verzekerd van ondersteuning, of advisering, die aan eisen van kwaliteit voldoet. De beroepsgroep weet de professionele kwaliteit van de leden van de vereniging door de code gewaarborgd, en dus beschermd. Indien cliënten zich door het handelen van NVO-leden benadeeld voelen, of anderszins ernstige kritiek hebben op de beroepsuitoefening van NVO-pedagogen of onderwijskundigen, kunnen zij het handelen laten toetsen aan de beroepscode. De code heeft daarmee de functie van ‘klachtrecht’, gericht op genoegdoening van cliënten. De code heeft daarnaast ook de functie van ‘tuchtrecht’, gericht op het waarborgen van de kwaliteit van het functioneren van de beroepsgroep. Met dat laatste doel voor ogen kunnen ook andere leden van de beroepsvereniging, en andere belanghebbenden, het gedrag van collega-leden laten toetsen. Naast deze code kent de NVO ook protocollen en richtlijnen. Deze protocollen en richtlijnen dienen gezien te worden als een verbijzondering van de beroepscode, gericht op specifieke, in de protocollen en/of richtlijnen nader aangeduide, werkvelden of omstandigheden waar pedagogen en onderwijskundigen deskundig in zijn.
Pedagogen en onderwijskundigen zijn er in vele verschillende gedaanten, ze opereren op zeer verschillende werkterreinen die met elkaar gemeen hebben dat ze de opvoeding, en daaraan gerelateerd het onderwijs, omvatten. Ze werken ten behoeve van kinderen, mensen met een verstandelijke beperking, hun ouders, verzorgers, vertegenwoordigers en andere bij opvoeding en onderwijs betrokkenen. Ze kunnen vele verschillende rollen vervullen, zoals die van diagnosticus, therapeut, supervisor, begeleider, onderzoeker, docent, onderwijsadviseur, bestuurder en getuige-deskundige. Er is voor gekozen om die verschillende typen van beroepsuitoefening niet uitputtend onderscheidend te beschrijven, maar om - zoals dat ook al bij eerder versies van de code het geval was - de pedagoog en de relaties die door de professional worden aangegaan prototypisch te beschrijven. Van lezers van de code wordt dus verwacht dat zij deze zelf op hun eigen situatie weten toe te passen. Daar waar we tot nu toe van ‘pedagoog en onderwijskundige’ spraken, spreken we daarom van nu af ook kortweg van ‘pedagogen’. Daar waar we spreken over ‘het kind’ wordt ook de persoon met een verstandelijke beperking begrepen.
In de preambule van de herziene beroepscode van 1994 werd het begrip ‘een goede pedagoog’ omschreven als ‘een pedagoog die zorgvuldig handelt, vanuit professionele competentie en verantwoordelijkheid, geleid door respect voor de mens, en gericht op het belang en welzijn van de ander’. Die kernachtige omschrijving kan onverkort worden gehandhaafd. De context van de beroepsuitoefening is sindsdien in een aantal opzichten meer of minder ingrijpend veranderd. Het is van belang om hier nader in te gaan op een aantal specifieke onderwerpen die met die veranderde context verband houden. 1. De maatschappelijke aandacht voor kindermishandeling heeft, ook in wetgeving, een accentverschuiving te zien gegeven van het recht van ouders om op te voeden, naar het recht van kinderen om beschermd te worden. Van pedagogen mag verwacht worden dat zij zich in hun werk oriënterenop het belang van het kind. In Nederland heeft binnen de pedagogiek het denken over het belang van het kind vorm gekregen in de theorie van de pedagogische relatie. Pedagogen die assisteren bij het optimaliseren dan wel verbeteren van die relatie zijn derhalve gericht op het belang van het kind. De gerichtheid op grotere zelfstandigheid van het kind in de toekomst heeft daarin een bijzondere plek. Er zijn twee factoren die de oriëntatie op het belang van het kind compliceren. Een eerste factor is gelegen in het feit dat pedagogen lang niet altijd direct met kinderen werken. Vaak werken zij met opvoeders en niet met kinderen, met docentenen niet met leerlingen. Een tweede factor is dat pedagogen ook gericht zijn op het belang van mensen die de leeftijd van volwassenen hebben en een verstandelijke beperking hebben. Daarbij wordt uitgegaan van gelijkwaardig burgerschap en de daaraan verbonden rechten en plichten en op de mogelijkheden van mensen ondanks hun beperking. Bij nader inzien zijn deze complicaties minder groot dan op het eerste gezicht lijkt. De relatie die de pedagoog met zijn cliënt of cliëntsysteem aangaat is in die zin te karakteriseren als een pedagogische relatie, dat zij gericht is op de zelfstandigheid van de cliënt of het cliëntsysteem en georiënteerd is op zijn/hun belang. Het algemene uitgangspunt dat pedagogen zich oriënteren op het belang van het kind, impliceert ook dat pedagogen een taak hebben in het creëren van goede randvoorwaarden. Een voorbeeld: de Nederlandse Staat heeft zich verplicht zich te houden aan het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind. In artikel 19 van dat verdrag is opgenomen dat het kind het recht heeft om beschermd te worden tegen iedere vorm van geweld. Dat betekent dat het de taak van pedagogen is om de overheid te attenderen op die vormen vangeweld die het volwassen worden belemmeren en de overheid te assisteren bij het nemen van die maatregelen, waardoor dat geweld kan worden voorkomen, dan wel de schadelijke gevolgen van hetgeweld kunnen wordenverminderd. 2. De relatie tussen pedagogen en cliënten is onmiskenbaar veranderd. De veranderingen, die in de afgelopen decennia in vormgeving van de klinische of hulpverleningsrelaties zichtbaar zijn geworden, zijn ideaaltypisch te karakteriseren als de ontwikkeling van patiënt, naar cliënt, naar klant. Ooit werden deskundigen geacht alwetend te zijn, de patiënten werden geacht volledig op de deskundigen te (kunnen) vertrouwen. De relatie tussen deskundigen en patiënten was een hiërarchische relatie. Er ontstond een behoefte aan bescherming van de rechten van de patiënten in wetgeving en beroepscodes en aan het scheppen van evenwichtige verhoudingen. De verandering van terminologie, van “patiënt” naar “cliënt”, karakteriseert de gegroeide mondigheid aan de kant van de cliënt. De relatie tussen pedagogen en cliënten wordt zo een meer gelijkwaardige relatie. De fundamentele ongelijkheid, die aan een hulpverleningsrelatie nu eenmaal eigen is, blijft echter altijd een rol spelen. De pedagogen dienen zich de afhankelijkheid van cliënten van hen als deskundigen te realiseren en mogen die vanzelfsprekend niet ten nadele van het belang en de autonomie van cliënten aanwenden. Door de invoering van marktwerking in de (pedagogische) zorg wordt de relatie tussen pedagogen en cliënten ook economisch gedefinieerd. De cliënt wordt in toenemende mate klant. Daarmee lijkt een andersoortige afhankelijkheidsrelatie te ontstaan waarin de pedagogen afhankelijk zijn van (eisende) klanten. Pedagogen mogen hun handelen echter nimmer in termen van die economische afhankelijkheid legitimeren. De verzakelijking van de verhouding laat immers onverlet dat de verhouding tussen pedagoog en cliënt een vertrouwensrelatie dient te blijven. In dat noodzakelijke vertrouwen heeft ook de geheimhoudingsplicht van pedagogen een plaats. Zonder die belofte van geheimhouding kan er geen vertrouwensrelatie ontstaan. Naast verzakelijking lijkt juridisering van de hulpverleningsrelatie een bedreiging voor de vertrouwensrelatie. Goed beschouwd is het omgekeerde het geval. Rechten als het verlenen van toestemming bij het aangaan van een professionele relatie, duidelijkheid verkrijgen over de rol van de hulpverlener, en inzage in rapportage of dossier, creëren door het verstevigen van de autonomie van de hulpvrager een evenwichtige situatie in de hulpverlening en dragen zo juist bij aan het in stand houden van de onontbeerlijke vertrouwensrelatie. De aspecten geheimhouding en autonomie zijn in het werk van de pedagoog extra gecompliceerd als dat werk op kinderen betrekking heeft van wie de autonomie in psychologisch en juridisch opzicht in ontwikkeling is en gedeeld wordt met de opvoeders. Het werken in een forensische context scherpt deze complicatie nog eens extra aan, omdat daar vaak wettelijke beperkingen gesteld zijn aan het recht op autonomie en geheimhouding. Kenmerkend voor de context van het strafrecht is dat de pedagogen werken met of ten behoeve van functionarissen en instanties met hun eigen juridisch bepaalde posities en verantwoordelijkheden en met cliënten aan wier autonomie en privacy beperkingen zijn opgelegd. Om die reden ook is helderheid over de opdracht aan de pedagogen en over de daarbij horende verantwoordelijkheden en bevoegdheden voor alle betrokkenen van groot gewicht. 3. Aan het werken van pedagogen en aan hun inhoudelijke deskundigheid worden steeds hogere eisen gesteld. In de eerste plaats zijn daar vanzelfsprekend de algemene opleidingseisen en de bijzondere opleidingseisen in het kader van registratie in specifieke (wettelijke) registers. In de tweede plaats zijn daar de eisen die van doen hebben met het bijhouden van het vak. In de derde plaats is daar het algemeen wetenschappelijk vereiste van het zoveel als mogelijk is ‘evidence based’ werken, waarbij moet worden aangetekend dat de NVO weinig bindende uitspraken doet over goedgekeurde methoden van werken. Het gaat overigens niet zozeer om ‘effectieve methoden’, maar om ‘effectieve professionals’, die niet alleen met deugdelijke methoden werken, maar die hun werk systematisch uitvoeren, voortdurend evalueren en hun eigen feedback weten te organiseren. Pedagogen kennen de beperkingen van hun specifieke deskundigheid en de grenzen van hun expertise en verschaffen alleen die diensten en gebruiken alleen die technieken waarvoor ze gekwalificeerd zijn. 4. Mede omdat het werken van pedagogen in teamverband met professionals uit andere disciplines sterk is toegenomen is verheldering van de relatie van pedagogen tot derden in de werksituatie geboden. Uitgangspunt is daarbij dat pedagogen moeten voldoen aan de eisen die de beroepscode aan de beroepsuitoefening stelt, ook als het de daarvoor noodzakelijke werkomstandigheden betreft. Pedagogen zijn daarvoor ook zelf verantwoordelijk en kunnen zich niet verschuilen achter derden, die medeverantwoordelijk zijn. Dat geldt ook voor collega’s met wie pedagogen in multidisciplinair verband werken. Voor pedagogen, in dienstverband van welke aard dan ook, is het van belang om van de werkgever adequate werkomstandigheden te eisen. Daarnaast zijn zij gehouden bij de daartoe bevoegde instanties melding te maken van die werkomstandigheden die niet aan de minimale voorwaarden van behoorlijke beroepsuitoefening voldoen. 5. De veranderingen in de verhouding van pedagogen tot de overheid en tot relevante marktpartijen nopen tot een aanscherpen van de verantwoordelijkheid van NVO-pedagogen, en de NVO als geheel. Pedagogen dragen de individuele verantwoordelijkheid om een proactieve houding aan te nemen wanneer zij gedragingen waarnemen, die op gespannen voet staat met de beginselen in de code. Die taak komt ook de beroepsvereniging als geheel toe in het algemene maatschappelijke belang van opvoeding, en de verantwoordelijkheid van de pedagoog daarin. Dit houdt onder meer in dat de pedagoog, als andere dan inhoudelijke op het belang van kind en opvoeding gerichte overwegingen een rol spelen, vanuit de aard van zijn professie gehouden is om de inhoudelijke overwegingen en belangen te laten prevaleren.
Werkingssfeer ARTIKEL 1 Deze beroepscode heeft met ingang van 28 oktober 2008 voor alle leden van de NVO, de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen, volledig bindende kracht en vervangt daarmee de beroepscode van 1994. ARTIKEL 2
ARTIKEL 3 Elke belanghebbende heeft het recht tegen een lid van de NVO een klacht in te dienen bij het College van Toezicht als bedoeld in artikel 44 van de beroepscode, op grond van het niet naleven van de beroepscode. Definities ARTIKEL 4 Ongeacht de juridische vorm waarin de dienstverlening van de pedagoog gestalte heeft gekregen, moet worden verstaan onder:
- de door de rechter benoemde curator of mentor van de meerderjarige cliënt. Juridisch kader ARTIKEL 5 Naar analogie van de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) zijn op het beroepsmatig handelen van de pedagoog de volgende bepalingen van toepassing:
Algemene beginselen ARTIKEL 6 Deskundigheid
ARTIKEL 7 Zorgvuldigheid
ARTIKEL 8 Vertrouwelijkheid
ARTIKEL 9 Collegialiteit De relatie met collega’s van gelijke of andere disciplines wordt gekenmerkt door bereidheid tot uitwisseling van kennis en tot samenwerking en tot verantwoording van de eigen werkzaamheden. ARTIKEL 10 Verantwoording De pedagoog moet van zijn beroepsmatig handelen verantwoording kunnen afleggen. Daartoe houdt hij van zijn professionele werkzaamheden zodanig aantekening dat zijn handelen, en nalaten, toetsbaar is. ARTIKEL 11 Professionele en maatschappelijke verantwoordelijkheid
Het aangaan van een professionele relatie ARTIKEL 12 Voor het aangaan van een professionele relatie is toestemming van de cliënt vereist. Indien ingevolge het gestelde in artikel 5 toestemming nodig is van (wettelijke) vertegenwoordigers vergewist de pedagoog zich er van dat toestemming is verkregen van alle (wettelijke) vertegenwoordigers. ARTIKEL 13 De pedagoog beslist op grond van zijn deskundigheid en mogelijkheden of hij een professionele relatie aan zal gaan. Indien nodig verwijst de pedagoog de cliënt of opdrachtgever naar andere deskundigen door. ARTIKEL 14 De pedagoog weigert een professionele relatie aan te gaan, of voort te zetten, wanneer hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de uitvoering hem in conflict zal brengen met de beroepscode. ARTIKEL 15 De pedagoog moet aan de cliënt met wie hij de professionele relatie wil aangaan, op een voor de cliënt begrijpelijke wijze informatie verstrekken over de aard en het doel van en de werkwijze tijdens de professionele relatie. Als sprake is van een (wettelijke) vertegenwoordiger dan geldt deze verplichting jegens hem. Deze informatie betreft tenminste:
ARTIKEL 16 Voordat de pedagoog een professionele relatie aangaat, wordt de opdrachtgever, bij voorkeur schriftelijk, meegedeeld wat de hoogte van het verschuldigde honorarium en andere voorwaarden zijn waaronder de opdracht aanvaard wordt, tenzij de pedagoog het honorarium ontvangt op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde. ARTIKEL 17 De pedagoog bevordert een zodanige situatie, dat de cliënt of opdrachtgever de beslissing tot het aangaan van de professionele relatie verantwoord en in vrijheid kan nemen. ARTIKEL 18 In afwijking van artikel 12 is toestemming voor het aangaan van een professionele relatie niet nodig als de professionele relatie tot stand komt als gevolg van een opdracht door een externe opdrachtgever ter uitvoering van een wettelijke verplichting. ARTIKEL 19
Regels tijdens de professionele relatie ARTIKEL 20 De pedagoog hanteert gedurende de professionele relatie geen methoden die de cliënt aantasten in zijn/haar waardigheid of verder in de persoonlijke levenssfeer van betrokkene doordringen dan nodig is voor het gestelde doel. ARTIKEL 21 De pedagoog mag, zelfs als de cliënt dat verlangt of daartoe uitnodigt, niet ingaan op seksuele en/of agressieve toenaderingen. Evenmin mag de pedagoog dergelijke toenaderingen uitlokken of zelf ondernemen. ARTIKEL 22 Ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht is de pedagoog gerechtigd aan degenen van wie beroepsmatige medewerking bij de uitvoering van de professionele relatie noodzakelijk is, de nodige gegevens te verstrekken, met inachtneming van artikel 8. ARTIKEL 23 Een professionele relatie dient beëindigd te worden met een evaluatie van de uitvoering van de opdracht. Interdisciplinaire samenwerking en assistentie ARTIKEL 24 In de samenwerking met andere professionals is de pedagoog verantwoordelijk voor de naleving van de beroepscode wat betreft de eigen inbreng en deelname aan de samenwerking. ARTIKEL 25 De pedagoog verleent geen medewerking aan en maakt geen gebruik van werkzaamheden van anderen die met de beroepscode in strijd zijn. ARTIKEL 26 Indien de pedagoog ter uitvoering van enig beroepsmatig handelen handelingen laat uitvoeren door anderen, blijft de pedagoog verantwoordelijk voor de naleving van de beroepscode. ARTIKEL 27 Ter zake van de naleving van de code draagt de pedagoog eindverantwoordelijkheid voor assistenten en stagiaires die onder zijn leiding staan. ARTIKEL 28 De pedagoog verleent hulp en steun aan collega’s, studenten en supervisanten om ertoe bij te dragen dat zij het beroep professioneel kunnen uitoefenen. Hij onthoudt zich van gedragingen die hen daarin kunnen schaden. Dossier en rapportage ARTIKEL 29
ARTIKEL 30 De pedagoog bewaart het dossier onder eigen verantwoordelijkheid. Een pedagoog in dienstverband of met een ambtelijke aanstelling mag deze verantwoordelijkheid voor wat betreft een centraal databestand gedelegeerd achten aan de werkgever, onverlet het bepaalde in artikel 31. ARTIKEL 31 De pedagoog vergewist zich ervan, alvorens gegevens van welke aard dan ook en in welke vorm dan ook over cliënten in een al dan niet geautomatiseerd databestand worden opgeslagen, dat de toegang tot dat databestand, zowel technisch als bij reglement, zodanig is afgeschermd tegen misbruik, dat de bepalingen van de beroepscode kunnen worden nageleefd. ARTIKEL 32
ARTIKEL 33
ARTIKEL 34 Bij inzage in het dossier moet de pedagoog aanbieden uitleg te geven. ARTIKEL 35 De cliënt heeft recht op verbetering, aanvulling of verwijdering van gegevens die zijn opgenomen in het dossier, indien de opgenomen gegevens aantoonbaar onjuist of onvolledig zijn, of gezien de doelstelling van het dossier niet ter zake doen. Het verzoek tot correctie, aanvulling en verwijdering van gegevens moet schriftelijk worden ingediend. ARTIKEL 36
ARTIKEL 37
ARTIKEL 38
ARTIKEL 39
ARTIKEL 40 De pedagoog zal bij verwijzing van de cliënt na toestemming van de cliënt, op verzoek, alle relevante informatie ter vertrouwelijke kennisname doen toekomen aan degene naar wie verwezen wordt en is gehouden overleg te plegen met degene naar wie verwezen wordt. ARTIKEL 41 Ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, statistiek en wetenschappelijke publicaties of publicaties bestemd voor onderwijsdoeleinden mag de pedagoog desgevraagd aan een derde gegevens verstrekken, voor zover de persoonlijke levenssfeer van de cliënt daardoor niet wordt geschaad en onverlet de eigen verantwoordelijkheid ingevolge artikel 11. lid 1. ARTIKEL 42 Voor het maken van beeld- en geluidsregistraties is voorafgaande toestemming van de cliënt nodig. Indien beeld- en geluidsregistraties gebruikt worden voor onderwijs en voorlichting is schriftelijke toestemming van de cliënt vereist. ARTIKEL 43 In het kader van supervisie en intervisie mag de pedagoog geanonimiseerde cliëntgegevens verstrekken aan en bespreken met de participanten. De pedagoog draagt zorg voor de vernietiging van deze gegevens na afloop van de bespreking. Uitvoeringsregeling ARTIKEL 44 Ten behoeve van handhaving van deze beroepscode kent de NVO een College van Toezicht en een College van Beroep. ARTIKEL 45 Samenstelling en werkwijze van de beide Colleges zijn geregeld in het bij de beroepscode behorende Reglement voor het College van Toezicht en het College van Beroep van de NVO. Aldus vastgesteld door de Algemene Ledenvergadering van de NVO op 28 oktober 2008 |