|
>Advertentietarieven NVO-Bulletin en website, voorwaarden en planning. Leden kunnen de volledige NVO-Bulletins vanaf 2006 downloaden via de ledensite. De juridisch-ethische artikelen zijn daar ook afzonderlijk na te lezen in een webversie. -Door problemen met het Content Management System worden een aantal afbeeldingen in sommige browers niet getoond.-
Nr. 3 2010 OPVOEDEN IN DE MULTI-ETNISCHE STAD
Prof. dr. Trees Pels is onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut en bijzonder hoogleraar ‘Opvoeden in de multi-etnische stad’ aan de VU. Ze doet al decennia lang onderzoek naar de opvoeding in migrantengezinnen en de professionele steun daarbij. Dekloof tussen die gezinnen en opvoedingsprofessionals is nog altijd groot. Dat maakt haar soms ongeduldig. Maar zeis blij met het programma ‘Diversiteit in het Jeugdbeleid’ van minister Rouvoet. ‘Voor heteerst wordt er vanuit de overheid in die termen naar hetjeugdbeleid gekeken.’
Ze is altijd geïnteresseerd geweest in de blik van anderen op de wereld. Misschien dat ze zich daarom al zo lang verdiept in migrantengezinnen. Ze weet het niet precies. Maar dat ze bevlogen raakte, is zeker. Opgeleid als klinisch psycholoog aan de universiteit van Amsterdam, kwam ze op haar 24-ste voor het eerst in contact met Turkse en Marokkaanse gezinnen. ‘Ik begon net te werken en ontdekte dat mijn beeld van de wereld niet het enige was, dat ik een mono-cultureel mensbeeld had. In die gezinnen leerde ik kijken door de ogen van een ander, met heel andere normen en waarden, andere doelen bij de opvoeding van kinderen.’ Het is een blik die bij veel van de professionele opvoeders ontbreekt. ‘Zeker bij de oudere generatie, die niet in een multi-etnische omgeving is gesocialiseerd en is opgeleid in een witte context.’ En dat verklaart voor een deel de kloof tussen professionals en gezinnen. Voor een deel. ‘Het is een gelaagde problematiek’, zegt ze.
Allochtone ouders schakelen niet snel professionele hulp in Uit veel van haar onderzoek blijkt dat jeugdzorg migrantengezinnen te laat bereikt en niet effectief is. Zodat allochtone jongeren relatief minder terechtkomen bij de vrijwillige hulpverlening en zijn oververtegenwoordigd bij de zwaardere hulpverlening en in het justitiële circuit. Allochtone ouders schakelen niet snel professionele hulp in. Hoe komt dat? Trees Pels: ‘Zij gaan, net als alle ouders, allereerst te rade bij hun directe vriendenkring. Als ze het daar niet mee redden, gaan ze eventueel daarbuiten kijken. Het probleem is dat die binnencirkel, net als bij autochtonen, veelal mono-etnisch is. En doorgaans wat lager opgeleid. Dus daar is ook weinig kennis over alle mogelijkheden om met deskundigen in contact te komen. Er is weinig sociaal kapitaal.’
Het hangt af van de individuele professional Naast die onbekendheid is er ook sprake van wantrouwen. Trees Pels: ‘In dat netwerk zingen allerlei verhalen rond. Deels negatieve verhalen en clichés: ze nemen je kinderen van je af! Het zijn vaak geen eigen ervaringen, maar verhalen van horenzeggen. Die kunnen wel bang maken. En er is de angst dat de eigen ideeën over hun problemen of die van hun kinderen niet herkend of erkend worden. Dat ze niet serieus worden genomen.’ En die angst is deels terecht. Deels niet. ‘Het is langzamerhand een aardig bejaard probleem’, zegt ze. ‘De afgelopen decennia is er heel wat gebeurd aan interculturalisatie in de pedagogische wereld. Allerlei professionals hebben zich in die materie verdiept en doen hun best om dichter bij de mensen te staan. Aan de andere kant zijn er ook veel professionals die dat niet doen en daar ook niet op worden aangesproken. Bij veel instellingen is diversiteitsbeleid niet verankerd, geen onderdeel van de algehele aanpak. Dus blijft het afhangen van de individuele professional. Als die verdwijnt, verdwijnt de expertise. Dat gebrek aan verankering is echt een groot probleem.’
Het beklijft niet Het zou haar een lief ding waard zijn als de overheid pedagogische instellingen harder zou aanspreken op hun bereik en toegankelijkheid voor iedereen. ‘Zodat die professional – die aan de basis welwillend en sensitief bezig is – niet zo alleen staat. Dat is nu vaak wel het geval. Vanuit de stad, de provincie en de centrale overheid komen het geld, de regels, de procedures en prestatieafspraken. Als er op dat niveau geen eisen worden gesteld, geen sancties zijn en diversiteit niet gefaciliteerd wordt, kom je er als instelling makkelijker onderuit.’ ‘Zolang diversiteit in het jeugdbeleid niet is verankerd, kun je goede praktijken onderzoeken tot je een ons weegt’, verzucht Trees Pels. ‘We weten inmiddels wel hoe je allochtone gezinnen kunt bereiken. Bijvoorbeeld via intermediairs. Zoals buurtmoeders en contactfunctionarissen uit allerlei etnische groepen die een brug vormen tussen gezinnen en pedagogische instellingen en scholen. Dat werkt prima. Alleen worden die vaak betaald uit tijdelijke subsidiepotjes. En zobeklijft het niet.’
Meetladder diversiteit interventies Uit onderzoek van Trees Pels blijkt dat aangepaste interventies en methodieken meer bereik en effect sorteren onder migrantengezinnen dan de bestaande, die meestal zijn gebaseerd op de westerse middenklasse. Tot haar vreugde is daar de laatste tijd meer aandacht voor. ‘Vanuit het Verwey-Jonker Instituut hebben we vorig jaar een studie afgerond: Meetladder Diversiteit Interventies. Daarbij zijn we systematisch nagegaan waar je allemaal op moet letten om te beoordelen of een methodiek diversiteitgevoelig is. Dus: geschikt voor een bredere categorie dan de witte middenklasse. Ook het Nederlands Jeugd Instituut heeft recent onderzoek gedaan naar de diversiteitgevoeligheid van erkende interventies voor jeugd en gezin. En: welke interventies er in Nederland zijn die meer bottom-up zijn ontstaan. Die interventies zijn vaak niet evidence based en ook niet systematisch beschreven, maar hebben wel een groot bereik en slaan aan bij moeilijker bereikbare groepen.’
Balans tussen de methodieken Het is zaak een balans te vinden tussen die twee soorten methodieken, vindt Trees Pels. En om samen te werken met organisaties van migranten die met eigen initiatieven komen om het gat in de opvoedmarkt te dichten. Als voorbeeld noemt ze de Marokkaanse vrouwenorganisatie Al Amal in Utrecht die jaren geleden al startte met opvoedingsondersteuning aan de eigen kring. Ze was er ooit uitgenodigd voor een bijeenkomst over het gebrek aan communicatie tussen moeders en puberdochters over relaties en seksualiteit. ‘De zaal zat vol met vrouwen, van vier generaties. Kom daar maar eens om bij een Centrum voor Jeugd en Gezin! Inmiddels zijn ze uitgegroeid tot een semiprofessionele organisatie en geven ze ook opvoedingsondersteuning aan multiproblem gezinnen. Organisaties als Al Amal zitten dicht bij de bron, daar komen de vragen binnen en worden antwoorden bedacht. Zij kunnen een brug vormen naar het reguliere aanbod, net als intermediairs. Hoe de schakeling tussen dergelijk initiatief van onderop en het reguliere aanbod vorm moet krijgen zijn we nu aan het onderzoeken.’
Bij de overgang naar het voorgezet onderwijs gaat veel mis Subsidie voor onderzoek naar meer diversiteit in het jeugdbeleid komt, via ZonMW, van de ministeries voor Jeugd en Gezin en voor Wonen, Wijken en Integratie van VROM. Een onderdeel van het programma Diversiteit in het Jeugdbeleid is de oprichting van drie Academische Werkplaatsen. In Brabant, Rotterdam en Amsterdam. Trees Pels is vanuit haar leerstoel aan de VU, en namens het Verwey-Jonker Instituut betrokken bij de Academische Werkplaats in haar woonplaats Amsterdam. ‘Wij noemen het niet Academische Werkplaats, maar Kenniswerkplaats Tienplus. Die kenniswerkplaats beoogt te werken aan de kloof tussen de behoefte aan opvoedingsondersteuning en het aanbod. En dan specifiek voor de leeftijd tienplus. Daar hebben we voor gekozen omdat er vooral bij de overgang van het basis- naar het voortgezet onderwijs veel misgaat. Eigenlijk valt de hele jeugdketen dan uit elkaar. Voor allochtonen is dat extra risicovol omdat bij hen de afstand tot allerlei voorzieningen toch al zo groot is.’
Samenwerking met CJG In de kenniswerkplaats werken, naast de genoemde kennisinstituten, de stad Amsterdam, drie stadsdelen, Hogeschool INHolland en de academische werkplaats GGD-AMC samen. Trees Pels is er heel blij mee. ‘Het mooie van zo’n werkplaats is dat kennis zo dichter bij praktijk en beleid staat en daar dienstbaar aan is. Wat je onderzoekt, is sneller bruikbaar. En wat er in de praktijk mee gebeurt, kun je sneller analyseren en verbeteren.’ Na een jaar voorbereiding is de Kenniswerkplaats Tienplus vorig jaar december van start gegaan. Er is een aantal deelprojecten, waarin onder andere nauw met het Centrum voor Jeugd en Gezin (in Amsterdam: Ouder en Kind Centrum) wordt samengewerkt. ‘In Amsterdam is er consensus om het Ouder Kind Centrum te verbinden aan het onderwijs, zonder de taken van de school zelf te verzwaren. We zijn al bezig op een paar scholen voor voortgezet onderwijs. Zij hebben vaak hun handen vol aan problematische kinderen. En ze zien het als een belangrijke uitdaging om vooral allochtone ouders dichter bij de school te halen. Sommige scholen organiseren daarvoor ouderochtenden, andere scholen worden al moe bij het idee. Door het Ouder Kind Centrum aan de school te verbinden, hoeven scholen dat niet meer allemaal zelf te doen. Ze kunnen hun pedagogische verantwoordelijkheid delen met een andere partner, die laagdrempelige ondersteuning biedt. Misschien kan zo ook het preventieve vangnet verbeterd worden.’
Lastige vragen voor dewitte professional In een ander project onderzoekt de kenniswerkplaats de inhoud van opvoedingsondersteuning. Moet die niet worden aangevuld? Trees Pels: ‘Uit allerlei onderzoeken van mij en collega’s komt steeds weer naar voren dat er vragen over de opvoeding zijn waar je als witte professional niet zo makkelijk op ingaat. Zoals: hoe voed je je kind op als moslim in Nederland? Hoe leer je het omgaan met de constante stroom aan negatieve berichten en beeldvorming? Zeker voor Marokkaanse ouders is deze stigmatisering een taakverzwaring in de opvoeding. Maar ook andere groepen hebben daar last van. We willen kijken hoe je ouders, maar ook bijvoorbeeld leerkrachten, daar pedagogisch in kunt ondersteunen. Daarnaast bekijken we de laagdrempelige opvoedingsondersteuning van Triple P, die in Amsterdam stadsbreed wordt ingevoerd. Samen met de uitvoerders gaan we na hoe dit programma nog verbeterd kan worden om optimaal op de situatie en vragen van ouders aan te sluiten.’ Via de samenwerkingspartner INHolland werpt de kenniswerkplaats ook een blik op de professionalisering. ‘Uit inventarisaties blijkt dat er mondjesmaat aandacht is voor diversiteit in opleidingen’, zegt Trees Pels. ‘INHolland neemt een kijkje in eigen keuken en maakt werk van diversiteit. Dat gebeurt onder andere door studenten onder begeleiding te laten participeren in onze onderzoeken in het veld.’
Afstemming pedagogisch aanbod Een van de belangrijkste onderdelen vindt Trees Pels het project dat een visie wil ontwikkelen op de schakeling tussen zelforganisaties van migranten en het reguliere aanbod aan opvoedingsondersteuning. ‘Vanuit het Verwey-Jonker Instituut hebben we al eerder onderzoek gedaan naar het grensvlak tussen het institutionele pedagogische aanbod aan gezinnen en de civil society, het vrijwilligersaanbod. Gemeenten worstelen erg met de vraag hoe je die twee aan elkaar kunt passen. Dat moet wel gebeuren, anders houd je twee gescheiden circuits. En missen reguliere instellingen de kans op een beter bereik aan de onderkant en de kans om te leren van de innovatie van onderop.’ Volgens Trees Pels moet het reguliere aanbod aan opvoedingsondersteuning permanent in beweging blijven. ‘De problematiek en de beleving daarvan, laat allerlei verschuivingen zien en dus nieuwe vragen waar het professionele aanbod aan moet voldoen. Zo komen er steeds meer gemengde huwelijken die onherroepelijk nieuwe opvoedingsvragen oproepen. Ook gemengde huwelijken met iemand uit het land van herkomst, die helemaal opnieuw moet beginnen met een partner die hier is gesocialiseerd.’ Ook zo’n kwestie die sterk in beweging is, is de rol van vaders als opvoeders. ‘Net als bij autochtonen zie ik bij Marokkaanse gezinnen nieuwe taakverdelingen. Voorheen waren de taken gescheiden; moeders zorgden voor zorg en troost, vaders waren de autoriteit in de familie, de morele leidsman en onderhielden de contacten met instellingen. Inmiddels treden meer moeders naar buiten en blijven meer vaders een dag thuis om voor hun kinderen te zorgen. De vraag van vaders naar opvoedcursussen neemt toe. Vaders claimen een deel van de opvoeding en moeders moeten dat afstaan. Het is van belang dat instellingen in hun aanbod op deze ontwikkelingen inspelen.’
Misschien toch etnische registratie Wat vindt ze als pleitbezorger van verankering van diversiteit in het jeugdbeleid van registratie op etniciteit? Moeten de Centra voor Jeugd en Gezin daar maar eens mee beginnen? ‘Het probleem van bereik en toegankelijk van algemene instellingen speelt al minstens 25 jaar. Langzamerhand word ik een beetje ongeduldig en ben ik tot de conclusie gekomen dat we het goed moeten overwegen. Als je het aan de vrije markt overlaat, komt er weinig van terecht of gaat het veel te langzaam. Zeker sinds er begin deze eeuw moeilijker gedacht wordt over cultuurverschillen, is diversiteitsbeleid minder vanzelfsprekend geworden. Er is meer weerstand tegen het idee dat onze instellingen zich zouden moeten aanpassen aan migranten en hun nakomelingen.’ Indertijd was ze heel blij dat minister Rouvoet de Centra voor Jeugd en Gezin in het leven riep. ‘Eindelijk een breed, laagdrempelig instituut waar ook allochtone ouders terechtkunnen voor opvoedingsondersteuning. Maar dat dit gaat lukken is niet vanzelfsprekend, en daarom vind ik dat de Centra voor Jeugd en Gezin zich inderdaad moeten verantwoorden: bereiken ze een evenredig aantal allochtone gezinnen gezien de regio die ze moeten bedienen? Bereiken ze dezelfde mate van tevredenheid bij allochtone als bij autochtone klanten? Vinden allochtone ouders dat er goede en passende opvoedingsondersteuning wordt geboden? Ik ben voor een sterkere vorm van het aanspreken van instellingen daarop. Misschien moet dat via etnische registratie. Ik zie niet direct hoe het anders zou moeten.’
Annemiek Haalboom
Het onderzoek ‘Verschillen in de etnische achtergrond van forensische en reguliere jeugd-ggz-cliënten’ van Albert Boon, Anna de Haan en Sjouk de Boer, gepubliceerd in het eerste nummer van Kind en Adolescent van dit jaar, kreeg veel belangstelling in de mainstream media. In het volgende NVO-Bulletin aandacht voordit onderzoek en een gesprek met de opsteller(s).— RB
Nr.2 2010 GESPREKGEBREK
Gesprekgebrek, een echte bekkebreker. We zouden dit woord niet in de mond nemen als we het niet waren tegengekomen op de Wetenschapsagenda van de Radboud Universiteit Nijmegen. Met deze tongue-twister wordt Pragmatic Language Impairment (PLI) aangeduid voor minder polyglotte Hollanders. Orthopedagoge Mieke Pauline Ketelaars deed er onderzoek naar en schreef er haar proefschrift* over. Ze onderzocht verschillen in hetvermogen van taalgebruik in context tussen kinderen. Zevroeg zich af of je pragmatische taalproblemen alop jonge leeftijd kunt signaleren, en of er een relatie is met gedragsproblemen.
Die relatie tussen gedragsproblemen en PLI vond ze inderdaad, en dat haalde natuurlijk vooral de media. Aha! Een nieuwe stoornis. ‘Drukke kleuters hebben moeite met gesprek’, kopte – immer genuanceerd berichtgever over opvoedingszaken – Trouw1. De genoemde wetenschapsagenda zette met gevoel voor PR: ‘Duizenden kinderen met “gesprekgebrek” moeten en kunnen geholpen worden’ boven een zeer toegankelijke samenvatting2. Of PLI een nieuwe stoornis is of onderdeel vormt van een breder taalprobleem, blijft een punt van discussie. Mieke Ketelaars heeft in ieder geval geen nieuwe toets ontwikkeld om kleuters te helpen, zoals het bericht in Trouw meldde. Uit de resultaten van haar onderzoek komt naar voren dat de CCC, een bestaande vragenlijst over pragmatische vaardigheden, goed ingezet kan worden in het reguliere onderwijs. Deze Children’s Communication Checklist was oorspronkelijk alleen bedoeld voor klinische populaties. ‘Uit ons onderzoek blijkt echter dat deze ook ingezet kan worden in het reguliere onderwijs, waarbij de betrouwbaarheid en validiteit voldoende is’, zegt Mieke Ketelaars. Ze bepleit om kinderen op jonge leeftijd te screenen op pragmatische taalproblemen.
Pragmatische competentie Pragmatische (taal)competentie is het vermogen om taal adequaat te gebruiken in een context en in verschillende situaties met inachtneming van de ongeschreven regels die in de communicatie gelden. Tijdens het opgroeien leren kinderen niet alleen meer woorden en zinnen; ze leren ook hoe, en in welke situaties ze taal het beste kunnen gebruiken. Ze maken zich verschillende functies van taal eigen en subtiele verschillen zoals die tot uiting komen in grapjes, in sarcasme, toespelingen, figuurlijke betekenis enzovoort. Maar ze leren ook hoe ze met verschillende gesprekspartners in verschillend gezelschap en diverse situaties om moeten gaan en hoe ze verschillende toehoorders en gesprekspartners moeten aanspreken. Andere aspecten van pragmatische competentie zijn onder andere het beurt geven en nemen, en de woordkeuze in een gesprek.Voor dit fascinerend complexe geheel bestaan geen uitgeschreven regels, zoals voor grammatica. De meeste kinderen leren toch hoe ze zich van taal in een bepaalde context moeten bedienen. Maar voor sommigen is dat minder vanzelfsprekend. Wanneer kinderen problemen hebben met de toepassing van taal in context, is er sprake van PLI, een gesprekgebrek. Anders dan kinderen met een specifieke taalbeperking Specific Language Impairment (SLI) laten kinderen met PLI een relatief intact taalvermogen zien, maar ze vertonen duidelijk communicatieve beperkingen.
In haar proefschrift geeft Mieke Ketelaars het voorbeeld van Dennis (8) en Frank (9) die uitgelegd krijgen dat degene die het hoogst gooit mag beginnen. Dennis gooit de dobbelsteen tegen het plafond en roept: ‘Ik mag beginnen!’ Dennis heeft klaarblijkelijk de figuurLijke betekenis in deze context van het hoogst gooien niet begrepen.
Waarom een onderzoek naar pragmatische taalproblemen? Mieke Ketelaars: ‘In tegenstelling tot problemen in de structurele taalvaardigheden, zoals uitspraak, woordenschat en grammatica, is er nog maar weinig bekend over pragmatische taalproblemen; waar ze precies uit bestaan en hoe vaak ze voorkomen. Wel weten we dat pragmatische taalproblemen negatieve effecten hebben op de ontwikkeling van sociale en academische vaardigheden.’ Deze combinatie heeft ertoe geleid dat Kentalis, een instelling voor kinderen met een communicatieve beperking, een onderzoeksproject heeft opgesteld en gefinancierd. In het onderzoek lees ik dat er wel aandacht is besteed aan te verwachten genderverschillen in de communicatie, maar ik zie geen verwijzing naar cultuurverschillen. Mieke: ‘Om het risico van de grote invloed van cultuurverschillen uit te sluiten, hebben we ons onderzoek gericht op een populatie van kinderen met een uitsluitend autochtone (taal)oorsprong.’
Rond zeven procent van de onderzochte kinderen vertoont een gesprekgebrek Het eerste deel van het onderzoek bestond uit een screeningsonderzoek rond de vragen: Is het mogelijk om pragmatische taalproblemen op jonge leeftijd te signaleren? Is er een relatie tussen pragmatische taalproblemen en gedragsproblemen?
Aan dit onderzoek werd door 1400 kinderen van ongeveer 50 verschillende scholen in Nederland meegedaan. Leerkrachten van kinderen in groep 1 vulden voor elk van de kinderen twee vragenlijsten in. Mieke Ketelaars: ‘Met behulp van die vragenlijsten wilden we in kaart brengen of het mogelijk is om pragmatische taalproblemen op jonge leeftijd op te sporen, en of pragmatische taalproblemen en gedragsproblemen met elkaar samenhangen.’ Na deze initiële screening zijn 81 zich normaal ontwikkelende kinderen en 84 kinderen met pragmatische taalproblemen gedurende drie jaren gevolgd. ‘Van de kinderen voor wie de vragenlijst is ingevuld bleek uiteindelijk zo’n zeven procent pragmatische taalproblemen te hebben, een behoorlijke groep dus. Deze problemen werden in lang niet alle gevallen opgemerkt door de leerkracht. In ongeveer een derde van de gevallen gaf deze aan dat er geen probleem was, terwijl de score op de vragenlijst wel degelijk een probleem vaststelde.’
Moeite met benoemen plaatjes Het tweede deel van het onderzoek richtte zich op verdieping van kennis over de symptomen van pragmatische taalproblemen. Daarbij ging het om semantische vaardigheden, vertelvaardigheid, en de ontwikkeling van deze vertelvaardigheid door de jaren heen. ‘In een deelonderzoek hebben we gekeken naar de vaardigheid van kinderen in het benoemen van plaatjes. De kinderen kregen een plaatje te zien en moesten deze vervolgens niet alleen benoemen, maar ook voorzien van een definitie. Over het algemeen bleek dat kinderen met pragmatische taalproblemen minder plaatjes goed konden benoemen. Ze maakten vooral meer niet-gerelateerde benoemingsfouten. Zo kwam het voor dat een kind met pragmatische taalproblemen een microfoon benoemde als douche, en een pijl als gras. Bij het definiëren van het object in het plaatje bleek dat de kinderen met pragmatische taalproblemen moeite hadden om een goede definitie te geven als ze het plaatje wel konden benoemen.’
Navertellen van verhaaltjes lastig voor kinderen met PLI In een ander deelonderzoek moesten kinderen een verhaaltje navertellen dat ging over een ondeugende bus die er stiekem vandoor gaat. (Zie kader p.4) Mieke Ketelaars: ‘Kijken naar hoe een kind een verhaal vertelt, zegt een hoop over hoe die kinderen sociaal met taal omgaan. Kinderen met pragmatische taalproblemen bleken over het algemeen minder goed in staat om het verhaal na te vertellen. Zo vertelden ze kortere verhaaltjes, met een kortere zinslengte. Ook was hun zinsbouw eenvoudiger. Interessant was ook dat de kinderen met pragmatische taalproblemen meer irrelevante informatie gaven in hun verhaal. Hun uitingen waren voor een luisteraar niet begrijpelijk, of ze voegden informatie toe die erg ver van het verhaal afstond. Juist de informatie van het verhaal die wél belangrijk was, werd minder verteld. Zo noemden ze vaak niet dat de bus er überhaupt vandoor ging.’ Wanneer zich normaal ontwikkelende kinderen een goed sociaal inzicht vertoonden, waren ze ook beter in het vertellen van verhaaltjes. ‘Bij kinderen met pragmatische taalproblemen zagen we deze relatie niet terug. Bij hen bleken vertelvaardigheden in belangrijke mate samen te hangen met hoe goed ze zich konden concentreren en met hun planningsvaardigheden, vaardigheden die met een overkoepelende term executief functioneren worden genoemd.’
Hoop op vroegtijdige onderkenning ADHD, ASS of andere taalstoornissen Als belangrijkste conclusie van het onderzoek kwam naar voren dat het mogelijk blijkt om pragmatische taalproblemen al op jonge leeftijd op te sporen. Belangrijk is ook dat pragmatische taalproblemen pervasief van aard zijn, de problemen doen zich op meer gebieden voor. Daarnaast kan worden geconcludeerd dat pragmatische taalproblemen persistent zijn, ze zijn blijvend en de achterstand kan niet zomaar worden ingehaald. Er lijkt dus sprake van een achterstand. Maar er zijn ook aanwijzingen dat we hier te maken hebben met een stoornis met een kwalitatief afwijkende ontwikkeling. Veel kinderen met PLI zijn inmiddels op zevenjarige leeftijd gediagnosticeerd met een stoornis als ADHD, een autisme spectrum stoornis of een taalstoornis. Mieke Ketelaars: ‘Het feit dat we deze kinderen op vier- en vijfjarige leeftijd al konden opsporen, geeft dus hoop voor vroegtijdige onderkenning.’
Mieke Ketelaars & Rinke Bok Mieke Pauline Ketelaars (Wageningen 1980) studeerde eerder pedagogiek in Leiden. Bij het ter perse gaan van dit NVO-Bulletin had ze één zoon van twee jaar.
Noten 1. >Trouw 2. >Wetenschapsagenda
* Mieke Pauline Ketelaars: ‘The Nature of Pragmatic Language Impairment’. Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor aan de Radboud Universiteit Nijmegen
Bij het onderzoek gebruikten Mieke Ketelaars e.a. een Nederlandse bewerking van The Renfrew Bus Story Test. Hier het oorspronkelijke verhaal en daarnaast hoe een meisje van zes met een ernstig gesprekgebrek het navertelde.
Modelverhaal – Er was eens een heel ondeugende bus. – Op een dag wilde de buschauffeur met hem gaan rijden. – Maar hij was kapot. – Dus moest de buschauffeur hem eerst repareren. – En terwijl de buschauffeur daarmee bezig was, besloot die bus er vandoor te gaan. – Hij schoot over de weg. – Eerst reed hij naast een trein. – Ze trokken gekke bekken naar elkaar. – En deden wie het hardste kon rijden. – Toen moest de bus weer alleen verder, omdat de trein een tunnel intufte. – De bus reed snel de stad in, waar hij een politieagent tegenkwam, die op zijn fluitje blies en schreeuwde: stop bus! – Maar die ondeugende bus trok zich daar niets van aan. – Hij scheurde de stad uit, het veld in. – Hij zei: Ik heb er genoeg van om op de weg te rijden. – Dus sprong hij over een hek. – Hij kwam in een weiland terecht waar een koe stond. – Boe loeide de koe: Ik kan mijn ogen niet geloven! – De bus racete gewoon verder, naar beneden, de heuvel af. – Opeens zag hij onder aan de heuvel een meertje. – En hij probeerde meteen te stoppen. – Maar Oh! Hij wist niet hoe zijn remmen werkten. – Dus viel hij met een Plons! in het water en bleef in de modder steken. – Eindelijk vond de buschauffeur zijn bus terug. – En hij belde meteen een takelwagen om zijn bus uit de modder te trekken. – De takelwagen zette de bus weer op de weg terug. – De buschauffeur was reuze blij zijn bus weer te zien. – En de bus beloofde dat hij er nooit meer alleen vandoor zou gaan.
Naverteld – (Waar gaat het verhaaltje over) – Over de bus – Er gebeurde <…##> (= pauze van twee seconden) – De bus gaat naar beneden voor de yyy yyy yyy. (= onverstaanbaar) – {En} daarna wordt de bus kapot – [kind: Hee, daar is de busje stuk he?] – Hier breken ze uit – {En} hier <…# hier> gaat de meneer <gaat> heel rennen naar de bus – {En} toen is de trein naar beneden – [kind: Ik ken het verhaaltje niet] – Toen was de trein aangesloten – {En} dan kwam een wolk erin – Toen breken ze de tunnel – [kjs: toen?] – Toen gingen ze bij de tunnel <de dur, te dur> te durven – Toen ging de politie. – Toen was de politie blijven staan – {En} hij fluit er doorheen – {En} hij hoorde het met zijn ogen – {En}hij springt er {overheen} <…###> over t gat – Koe: ik ontdek mijn oren – Hek overheen – Toen <toen> was de mo-dder – Kon niet door onze ogen kijken – Was toen <toen> yyy modder – In de grond was een meertje – {En} toen ging ze plons in het water – {En} toen <toen> gingen ze heel hard rennen bij zijn busje – {En} toen <toen> stakken ze deruit – Toen <toen eh eh…##> gingen ze weer verder rijden
Nr.1 2010
HET BESTE VAN DE JEUGD Het zou gaan over ‘Het beste van de jeugd’, het academisch proefschrift van Stijn Sieckelinck. Een wijsgerig pedagogisch onderzoek over de rol en de waarde van idealen bij jongeren. Alleen de titel al is verademend positief in deze verwilderde tijd. Het werd geen boekbespreking, maar een gesprek over het verlangen naar diepgang en een meer sociale pedagogiek. Maarook over de unieke rol enkansen van de pedagoog en tot slot ook over het vertrouwen in de door negatieve publiciteit gebrandmerkte jeugd in Nederland. …> 2 Je stapte zo’n vijf jaar geleden op Amsterdam Centraal met een rugzak vol boeken uit de trein uit Leuven. Volmet boeken, maar het waren er niet genoeg, schrijf je ergens.
Stijn Sieckelink: ‘De opleiding (Sociale pedagogiek met een thesis in de wijsgerige pedagogiek) die ik heb genoten in Leuven, en waarvan ik ook letterlijk heb genoten, bleek wel heel specifiek toen ik in Amsterdam aankwam. En zoiets heb je niet door als je wordt ingewijd in bepaalde paradigma’s van de pedagogiek. De afdeling waar ik in Amsterdam terecht kwam, was meer op de analytische school gericht. Dat is een heel andere dan de continentale. In die analytische, vaak Angelsaksische, traditie gaat het er vooral om de werkelijkheid uit elkaar te halen in zo klein mogelijke deeltjes, en proberen na te gaan wat woorden en fenomenen betekenen. De continentale traditie richt zich veel meer op de fenomenologie, het proberen dingen in een samenhang te beschrijven, op cultuuranalyse. Die tweespalt vind je ook terug in mijn boek, hoor ik van mensen.’
Bestaat er in Nederland een equivalent van de opleiding in Leuven?
‘Je kunt het wel bij elkaar sprokkelen. De sociale pedagogiek is helemaal uitgekleed. Dat is hoogst betreurenswaardig. Juist het bedrijven van de pedagogiek is een heel sociaal beroep. Een equivalent? Eigenlijk niet. Als je nu ziet dat pedagogen in hun opleiding nauwelijks meer een vak als sociologie krijgen. En als ze filosofie krijgen is dat vaak een ‘light’ versie. Ik denk dat het heel belangrijk is om de pedagogiek neer te zetten als een sociale wetenschap die meer is dan het aanleren hoe je met jonge kinderen werkt en hoe je stoornissen opspoort. De laatste ontwikkelingen wijzen in de richting van de pedagogiek als een vorm van psychologie. De theoretische pedagogiek is al lang in de prullenbak verdwenen. Dat is pijnlijk, vind ik.’
Stoornissenobsessie Ik heb vaak mijn verwondering geuit over de sterke mate waarin pedagogen zich op het individu richten. Over de geringe aandacht die uitgaat naar de samenhang met de samenleving.
‘Dat is veel meer het geval in Nederland dan in België. Terwijl dat niet zo geweest is. Juist de grote Nederlandse pedagogen als Langeveld, ontwikkelden toch een leer. En dat ging niet alleen maar om dat individu. Het ging juist om hoe je dat individu in de samenleving brengt en hoe je die op elkaar betrekt. Het is niet overdreven als ik zeg dat de stoornissenobsessie de body is geworden van de pedagogiek. Dat is veel te beperkt om een vak op te baseren. Daar gaat ook een mensbeeld aan vooraf, wat niet meer wordt geëxpliciteerd. Een collectieve stoornis bestaat niet. Een stoornis is per definitie een individualiserende categorie. De druk om concreet en objectief aantoonbaar resultaat zal daar een rol in spelen. Er is een tegengeluid nodig. Dan moet je het wel slim aanpakken om subsidies voor onderzoek binnen te halen. Je zult moeten aangeven dat het niet zo simpel is om concrete aanbevelingen te doen in sociale kwesties. Dat is veel moeilijker dan individuutjes opmeten. Er is echt nood aan een pedagogiek die sociaal is, zonder dat die simplistisch sociaal is. Zonder dat die een gemankeerd komunitarisme predikt van het soort: “Fatsoen moet je doen”. Ermoet goed worden nagedacht over een nieuwe sociale pedagogiek.’
De jeugd als probleem Als je het jeugdbeleidsplan van Vlaanderen naast dat van Nederland legt, zie je dat er heel andere keuzes zijn gemaakt. In Nederland heeft de minister vooral interesse voor de jeugd wanneer die problemen heeft of veroorzaakt. Het eerste wat de minister in België opschrijft, is dat de jeugd altijd aandacht verdient van beleidsmakers, altijd moet worden ondersteund in het spel, in de vrijetijdsbeleving. Dat is een heel andere insteek. Jeugd wordt in Nederland verbonden met het ministerie van welzijn, met gezondheid en met hulpverlening. In België is het jeugdbeleid verbonden met media, met cultuur, met sport. Met jeugdbewegingen, en die zijn er daar veel. Wanneer kun je spreken over een evenwichtig jeugdbeleid? Veel geld dat in gemeenten oorspronkelijk werd geïnvesteerd in jongerenwerk, is nu doorgesluisd naar veiligheid. Met straatcoaches en dergelijke ga je de symptomen te lijf. Het is allemaal bedoeld om te zorgen dat jongeren de buurt niet tot last zijn. Misschien nodig, maar het is natuurlijk wel een korte-termijnoplossing. Door een pedagogische bril gezien kun je daarmee niet volstaan. Het is een uitkleding van heel de sociale pedagogische praktijk.´
Verwend en verwaarloosd ‘Op het moment dat we zeggen dat de jeugd grenzeloos is, niet meer te vertrouwen, en alleen maar uit is op korte-termijn-gewin, oordelen we al snel dat ze verwend is. Tegelijkertijd zijn ze de voorbije jaren ook sterk verwaarloosd. Niet in materieel opzicht. Maar inmiddels is voldoende aangetoond dat mensen van materie alleen niet gelukkiger worden, of hun leven zinvoller gaan vinden. Het wegvallen van de instituties zoals de kerk en de zuilen, heeft een enorme leegte gecreëerd bij de jongeren van vandaag. Die instituties zorgden ervoor dat mensen collectief idealen overdroegen. Die leegte moet je niet onderschatten. Dan moet je niet met simpele oplossingen aankomen, en de ministers moeten niet gaan roepen dat iedereen zijn eigen stoepje moet gaan vegen. De kernvraag is: Welke structuren zetten we op? Niet alleen structuren in de hoofden van jongeren. Daar gaat – naast idealen – mijn boek ook over. Je moet laten zie hoe het helpt als je ergens voor gaat, en hoe je tegenover dingen staat. Daardoor krijg je structuur in je beslissingsvermogen. Maar het gaat ook om structuren in de werkelijkheid. Een plek bieden waar jongeren kunnen werken, waar ze iets kunnen betekenen voor anderen. Ja, dan bedoel ik echt een fysieke plek: jeugdgroepen, sportclubs enzovoort. Daar ga je op een toffe manier met elkaar om zonder dat er een expliciet doel achter zit. Het is niet met het doel om je te fatsoeneren. Heel basaal. Je zou denken dat we dat toch al allemaal hebben geprobeerd. Maar misschien is het wel zo basaal dat we gewoon vergeten zijn hoe belangrijk voor jongeren de ruimte kan zijn tussen de school en het gezin. Als je die structuren hebt, gebeurt het bijna automatisch en moet je het niet gaan dirigeren vanuit de overheid. In Vlaanderen heb je een grote jeugdbewegingstructuur. Honderdduizenden jongeren zijn daar lid van bewegingen, waar ze zich gemakkelijk bepaalde waarden eigen maken. Zonder dat je een simplistisch moralistisch discours van bovenaf hoeft te prediken.’
Pedagogiek laat zich de kaas van het brood eten Je noemde net ‘de grenzeloze jeugd’. Een verwijzing, neem ik aan, naar het onderzoek van Motivaction*, ‘De grenzeloze generatie’. Dat onderzoek schetst een erg negatief beeld. Citaat uit de samenvatting: ‘De jongeren (…) zijn gericht op uiterlijk, merken, netwerken en kicks. Ze zijn niet spaarzaam, weinig betrokken, niet milieubewust en niet geduldig.’ Dat onderzoek kreeg later kritiek, onder andere van jou. Maar het kreeg ook veel weerklank, in de media, in de politiek, in dehele samenleving.
‘Interessant is dat iedereen zich bezig gaat houden met jongeren. Dat was tien jaar geleden niet het geval. De publieke discussie is intussen enorm verhard. Ik schrik van de oordelen die je hoort over wat je met jongeren zou moeten doen als ze niet binnen de lijntjes kleuren. De hele discussie dreigt gekaapt te worden door mensen die geen pedagogiek hebben gestudeerd en maar wat roepen, omdat ze denken dat ze een deskundig oordeel hebben omdat ze arts zijn, of politicus, of opinieleider. Diekaas laten we ons als pedagogen van ons brood eten. Dat is ook wat me drijft, denk ik. Ikmerk de laatste jaren dat iedereen maar wat roept, zonder dat er echt onderzoek is verricht naar de dingen die er echt toe doen. Overlast op straat, kinderen die worden verwaarloosd. Waar komt dat nu precies vandaan, en hoe kun je daar als samenleving iets op de lange termijn aan doen? Een goed doordacht plan op basis van een diepgaande analyse ontbreekt. Telkens wordt er voor ad-hoc-oplossingen gekozen, die vervolgens nauwelijks worden geëvalueerd. Je moet een door en door pedagogisch jeugdbeleid zien uit te tekenen.’
Pedagoog moet geen veredelde kantoorklerk worden Je zegt dus dat er op een veel diepere manier nagedacht moet worden over wat we moeten gaan doen. We kiezen nu voor de aanpak van de politieagent in plaats van die van de pedagoog. Het Motivaction onderzoek is een opinieonderzoek. Het beschrijft hoe mensen over de mentaliteit van de jeugd denken. Dat is niet noodzakelijkerwijs een juiste beschrijving van de reële situatie. Het onderschrijft overigens wel jouw mening dat de jeugd verwaarloosd is. Maar is het ook deels niet gewoon een cultuurpessimistische visie? Ik denk dan aan de welhaast doodgeciteerde door Plato aan Socrates toegeschreven klaagzang over de jeugd die alleen aan zichzelf denkt, van luxe houdt en niet van inspanning.
‘Het is van alle tijden. Maar niet van alle tijden is dat we denken dat we het wel even op kunnen lossen met psychologische trucjes, en bijvoorbeeld met hersenonderzoek. Dat laatste is booming, maar het kan natuurlijk maar een klein deel van de werkelijkheid belichten. Met name als het gaat over hoe we dingen de andere kant op kunnen sturen, zeggen zulke onderzoeken helemaal niks. En dat is waar de pedagoog komt kijken. Die moet niet verworden tot een veredelde kantoorklerk. Niet altijd denken: ‘het is niet onderzocht, daar kan ik niets over zeggen’. Je moet in debatten waar iedereen van alles roept wat niet gefundeerd is, je tegenstem durven laten klinken. Je kunt altijd verwijzen naar het verleden. Je kunt altijd zeggen dat deze discussie sinds Plato al duizend keer is gevoerd. Je hebt als pedagoog een enorme voorsprong in dat soort discussies. Tenminste, als je een beetje breed bent opgeleid. Helaas leiden we ze niet meer zo breed op.’
Idealen als functie Toch nog even naar je boek: Het hebben van idealen is goed voor de jeugd. Ze leveren een positieve bijdrage aan de persoonsvorming, ze geven richting en structuur aan het leven. Kun je het krijgen van idealen stimuleren? Mág je je bemoeien met idealen bij jongeren?
‘Ik denk zeker dat je je met idealen mag bemoeien, maar je moet de idealen die jezelf als ouder en als opvoeder hebt niet zomaar installeren bij de kinderen. Het is ook een illusie dat je dat zou kunnen. Dat is vaak ook waarop die discussie over idealen is stukgelopen. Daarom moet ik in mijn boek ook in de drie eerste hoofdstukken uitleggen waarom idealen op zich niet kwaad zijn in de opvoeding. Nog steeds associëren mensen het woord idealen met iets wat je aan anderen oplegt. Ik laat zien dat een ideaal iets is wat een persoon juist zelf heel sterk onderschrijft. Natuurlijk zijn er negatieve voorbeelden als schoonheidsidealen en prestatie-idealen waar kinderen echt onder kunnen leiden. Maar er zijn veel meer beelden over wat goed is en wat je wilt met je leven, waar je de term idealen op kunt plakken. Ik denk dat die een heel belangrijke functie hebben in de opvoeding. Niet zozeer de inhoud van die idealen, maar de functie. Idealen bieden structuur. Je hoeft je niet steeds af te vragen waar je voor moet kiezen. Ineen tijd waarin de grote waarheden niet meer zo gemakkelijk op te sporen zijn, helpen ze je om een standpunt in te nemen.’
Praktisch idealisme Er kunnen verschillende idealen door elkaar spelen en naast elkaar bestaan. Het hoeft niet te gaan om een hoger doel. Je mag je er prettig bij voelen. Zoals bij het praktisch idealisme?
‘Daarin zie je de fragmentatie van het ene grote ideaal waar het we het in de vorige eeuw over hadden. Dat was gericht op de Zaak, de Strijd. Het was bijna verdacht als je er plezier aan beleefde. In het praktisch idealisme gaat het veel meer over de beleving van dat ideaal. Ik denk dat je hier wel van een vorm van idealisme kunt spreken omdat het er om gaat iets te bereiken wat in de gegeven werkelijkheid ontbreekt. Er is heel veel scepsis over en die beschrijf ik ook. We kunnen onze wenkbrauwen optrekken bij initiatieven als Live Aid, Dance for Live enzovoort. “Wat hebben ze nu weer verzonnen om de jeugd het gevoel te geven dat ze iets goeds doen?” Uiteindelijk gaat het er om dat het jongeren leert om ergens iets voor te geven en ergens voor te staan. Dat is de crux van mijn boek. Je moet niet bij voorbaat, omdat het geen jaren zestig idealisme is, zeggen dat het bagger is. Jongeren hebben gezien hoe de levenslang geachte idealen van hun ouders versleten raakten. Het is niet zo dat jongeren de gemakkelijkste keuze hebben gemaakt. Ze hebben gezien wat er niet klopte aan het idealisme van eerdere generaties en er ze hebben geprobeerd er een eigen vorm aan te geven. Daarbij probeert ieder een kleine zaak te beheren en verder te brengen naast die van anderen, zonder dat daarbij het hele leven overhoop wordt gehaald. Ik vind dat je daar niet smalend over moet doen. Dat is een creatieve, eigen keuze. Het hoort bij het beste van de jeugd.’
Rinke Bok
Stijn Sieckelinck is sinds kort eindredacteur van het geheel vernieuwde tijdschrift Pedagogiek in Praktijk, een uitgave van SWP.
Een handelseditie van zijn proefschrift Het beste van de jeugd. Een wijsgerig-pedagogisch perspectief opjongeren en hun idealen, is uitgegeven door uitgeverij Klement te Kampen. ISBN978-90-8687-027-1
*Lampert, Martijn, Spangenberg, Frits, (30-11-2009) De grenzeloze generatie. Amsterdam, Motivaction. www.motivaction.nl
Nr. 6 2009 VAN STORMACHTIG TOT WINDSTIL In de jaaroverzichten van 2009 zal de affaire rond het zeilmeisje zeker terugkomen. Haar plan om als 13-jarige een solozeiltocht rond de wereld te maken, leverde een orkaan van reacties op. Ditonderwerp over opvoeding en ouderlijk gezag haalde wereldwijd de voorpagina’s en actualiteitenrubrieken. Hoe kon het plan van een meisje wereldnieuws worden, en hoe doorstonden pedagogen die aan hetwoord kwamen de storm?
Bas Levering is een van de pedagogen die het meest aan het woord komen in de media. Hij was op 10 augustus een van de eersten die vanuit zijn woonkamer in Montfoort commentaar leverde op de zaak rond L.D. in het TV programma Editie NL. Er zouden nog vele interviews volgen, waaronder een reeks met BBC World Service. In zijn wekelijkse column in het AD Groene Hart1, schreef hij hierover: ‘Sinds het AD bijna vier weken geleden met het verhaal van L.2 naar buitenkwam, heb ik het er flink druk mee gehad. De televisie en de vaderlandse pers komen wel vaker langs om commentaar te vragen bij kleinere of grotere pedagogische kwesties, maar nu zat ik voor het eerst in drie BBC-programma’s om te debatteren met een Londense psychologe, jongeren in een Londense studio, en een solozeilster die in een wedstrijd langs de kust van Cornwall scheerde. Hoe kan het dat deze kwestie ook internationaal zoveel ophef veroorzaakt? (…) Nu de rechter uitspraak heeft gedaan, weten we eigenlijk nog niets. Je kunt zeggen dat het een verstandige uitspraak is, omdat nu alle voors en tegens echt zorgvuldig kunnen worden afgewogen. Je kunt ook zeggen dat zij de kool en de geit spaart en een gezonde tiener belast met psychologisch onderzoek. Zelf heb ik me al heel snel laten overtuigen door de ervaringen van volwassen zeezeilers, die het allemaal zelf hebben meegemaakt. Ik heb me verbaasd over de kortzichtigheid van de grote groep mensen die serieuze bezorgdheid afdoet als betutteling. Alsof L., als ze haar droom niet onmiddellijk verwezenlijken kan, wordt veroordeeld tot het levenslang ronddobberen op de Reeuwijkse Plassen.’
De werkelijkheid is weer eens erger dan wij kunnen verzinnen Wat is volgens Bas Levering de betekenis van deze zaak voor pedagogen? ‘Het bizarre van deze zaak was dat ik deze casus niet zonder meer als pedagogisch dilemma in het onderwijs had kunnen voorleggen. Dan hadden collega’s geroepen: “Bas, dat is niet realistisch, daar is iedereen op tegen, als je nu van die 13 eerst eens 15 of 16 maakt.” De werkelijkheid is weer eens erger dan wij kunnen verzinnen. De betekenis voor pedagogen van deze zaak is dat we er weer eens achter gekomen zijn dat wel heel veel mensen heel ver van de pedagogische realiteit of komen te staan. In een aanvankelijke peiling riep meer dan veertig procent “Betutteling!” Ze moet toch haar droom kunnen realiseren. Als pedagogen moeten we ons bedenken dat de zaak voor de gewone krantenlezer en televisiekijker uiteindelijk niet meer is dan de zoveelste mediahype. Ik heb hier en daar al ingezonden brieven gelezen met het verzoek of het gezeur over die L. niet eens afgelopen kon zijn.’
Micha de winter: in het oog van de orkaan Een Google search op ‘Micha de Winter en L.D.’ leverde tijdens het hoogtepunt ca. 452.000 hits op. Hij was ‘niet weg te slaan’ van de tv, zoals dat heet. Maar was het een onverdeeld genoegen? ‘Tijdens een congres in Vilnius kreeg ik plotseling een journalist van de Volkskrant aan de lijn, die mij vroeg of ik het verhaal van LD kende. Mij werd gevraagd te reageren. Daar kwamen weer een boel reacties op en dan word je gevraagd wat je dáár weer van vindt. Ik heb natuurlijk vaker met de media te maken gehad, maar in dit geval had ik het gevoel dat ik in een wilde spiraalvlucht terecht dreigde te komen. In het oog van de orkaan. Ik heb ook ervaren dat er heel véél media zijn. Tot nu toe had ik te maken met de Nederlandse media. Dat zijn er al veel, maar nu werd het internationaal. Vandaar ook het idiote aantal hits op Google, dat je noemde. Het is een hele snelle keten van actie en reactie. De tv op de geschreven pers, misschien ook wel omgekeerd, maar meestal is het toch op een bericht in een van de kwaliteitskranten. Dan word je de volgende ochtend gebeld: Netwerk, 1 Vandaag, Goedemorgen Nederland enzovoort. Het betekende wel dat ik al mijn werk opzij moest leggen.’
Veel en heftig ‘Wat mij vooral is bijgebleven is de héftigheid van het debat. Pro en contra. Ik had nog nooit hatemail gekregen, maar nu kreeg ik enkele tientallen scheldkanonnades over me heen. Ik had stelling genomen. Heel zorgvuldig denk ik zelf. Dat riep blijkbaar heel veel op. Al tijdens de uitzending van het NOS journaal, mijn eerste mediaoptreden in deze zaak, hoorde ik op mijn laptop de mails achterelkaar binnenpiepen. De eerste herinner ik me nog: “Vuile klootzak, je kunt wel zien dat je zelf veel tekort gekomen bent in je jeugd.” Maar ik kreeg ook heel positieve reacties. Het verbaast mij wel, want ik heb de afgelopen tien, vijftien jaar vaak mijn mond open gedaan over van alles en nog wat. Toen ik gebeld werd door The New York Times zei ik tegen die journalist dat ik toch mijn hele leven al interessante onderzoekjes doe, maar dat ik nog nooit gebeld werd door de NYT. Ja, maar dit is very special, antwoordde hij. Het zit hem blijkbaar in een explosieve mix van zaken.’
Culminatie van het debat over opvoeding ‘Ik heb me afgevraagd hoe het komt dat dit onderwerpje, dit meisje met haar ouders, zoveel oproept. De afgelopen jaren is er heel veel over ouders en opvoeding gepraat. De teneur is eigenlijk altijd: Ouders zijn te slap. Ouders voeden niet streng genoeg op. Niemand zegt dat hardop, maar het gaat meestal over ouders uit lagere sociaal economische groepen en over allochtone ouders. De politiek valt er overheen: Er moet strenger worden opgevoed, met meer nadruk op normen en waarden. Uit recent onderzoek komt naar voren dat ouders zelf ook vinden dat er strenger moet worden opgevoed. Niet hun eigen kinderen overigens, maar die van de buren. Ik denk dat dit geval een culminatie is van dat debat over grenzen stellen.’
Gewoon nee Als er mensen hadden gevraagd: Wat zou je doen als het jouw dochter was? Zou het overgrote deel dan niet gezegd hebben: Geen denken aan? ‘Van vele kanten kreeg ik te horen: Wat wij zo fijn vonden, was dat je gewoon ‘nee’ zei. Dat deed ik wel met een paar argumenten erbij. Vanaf het eerste interview heb ik duidelijk gemaakt dat ik als pedagoog en wetenschapper natuurlijk niets uit onderzoek weet over zeilende meisjes van 13. Ik weet wél wat over de risico’s en de beschermende factoren in de ontwikkeling van kinderen in die leeftijdsgroep. Daaruit zou je wetenschappelijke argumenten kunnen halen die voor of tegen pleiten. Maar je kunt vanuit dat perspectief niets over dat ene individuele meisje zeggen. Wel kun je stellen dat kinderen van 13 minder goed in staat zijn om op langere termijn de gevolgen van hun keuzes te overzien, dan kinderen van 18. Dat dit voor L. niet zou opgaan, leek mij op basis van statische gegevens op voorhand niet waarschijnlijk, heb ik steeds gezegd. Dan is er het normatieve aspect: Wat is een goede ouder? Wie is er verantwoordelijk als het mis gaat? De vader riep dat het L’s eigen keus was. Flauwekul, heb ik gezegd. Jíj bent de vader en jij bent verantwoordelijk. Als ik het naar mij toe trek, en het was mijn dochter geweest, zou ik gezegd hebben: Nee, nu nog even niet. Klaar.’
Peter Vasterman: de storm bouwt zich op Peter Vasterman is mediasocioloog bij de afdeling Mediastudies van de Universiteit van Amsterdam en auteur van ‘Mediahype’.3 Hij deed voor ons een scan via Lexus Nexus naar het aantal artikelen over L.D. Dat bleken er 1350 te zijn. In de volle stationsrestauratie van Utrecht CS draait hij zijn Apple notebook naar mij toe. ‘Ook al halen we er zo‘n tien procent foutmarge af, dan kom je toch op zo‘n 1200 artikelen. En dat is veel, zeker gezien het korte tijdsverloop. Zoals ik het nu nalees, heeft het AD de zaak op de kaart gezet. De andere kranten komen allemaal pas een week later. Ze hebben het eerste artikel hierover geschreven en in een hoofdredactioneel commentaar spraken ze hun afkeuring uit. Ze zijn onmiddellijk gaan bellen met de politie, met de staatssecretaris, met de leerplichtambtenaar en waarschijnlijk ook met het bureau Jeugdzorg en daar doen ze dan verslag van. Die eerste week zien we de opbouw van de kwestie.’ Peter toont een voorpagina van het AD. 'De internationale aandacht begint pas twee weken later rond de zitting van de kinderrechter. Dat het zo snel explodeerde en internationaal aansprak is heel bijzonder. Dat gebeurt niet vaak met Nederlands nieuws. Alleen met Fortuyn en met Van Gogh was er veel internationale aandacht.’
Nieuws als mythe Hoe kun je die enorme aandacht verklaren? Zelf denk ik dat veel mensen ideeën hebben over opvoeden en daar graag hun oordeel over willen uitspreken. Dat kon men in dit geval politiek vrij correct doen. Eindelijk ging het eens niet over Marokkaanse jongeren, maar over een fris Hollands meisje. Daarnaast ging het over vrijheid, ondernemingslust, zeilen op de zeven zeeën (een internationale component). Voldoende ingrediënten voor een Hollandsche sage. Peter Vasterman: ‘Ik denk inderdaad dat er ingrediënten in zaten die het voor de media heel aantrekkelijk maakten om er iets mee te doen. Het bevatte allerlei universele elementen. In theorieën over nieuws als mythe wordt ervan uit gegaan dat in ons nieuws een diepere laag zit die met de mythen in onze cultuur is verbonden. Het gaat dan altijd over schema’s van goed en kwaad, de mythe van de eenzame held die het monster gaat bestrijden, de overstroming en de ark van Noë, de grote reis enzovoort. Er wordt wel gesproken over de “seven basic plots”.5 Die mythes leveren een verhaalstructuur voor de journalistieke verhalen, en zorgen ervoor dat mensen het gemakkelijk kunnen volgen. Daaraan moest ik wel veel denken bij dit verhaal van het zeilmeisje. Eindeloos hebben we kunnen lezen dat het er om ging dat ze haar droom wilde realiseren.’
Een bijzondere hype ‘Voor een journalist is het belangrijk dat het verhaal zich verder kan ontwikkelen. Er komen uitspraken van autoriteiten en instanties, van een kinderrechter. Als je zo’n focuspunt hebt, kun je daar naartoe werken.’
Je bedoelt ook dat het in een beperkte tijd moet spelen, er moet een eind aan zitten. Jaap van Ginneken noemde ooit dat het snelle smelten van de ijskappen heel erg belangrijk is, maar dat het niet dagelijks in de krant staat, omdat het toch een te langdurig proces is. ‘Ja, voor berichtgeving is het heel belangrijk dat er een zeker ritme is. Dat biedt een zekere suspense. Hoe zal dit aflopen? Het helpt ook als er een agenda is. Dan kun je een journalist live voor de rechtbank verslag laten doen. Verder kwamen er “schandaal”-aspecten naar voren zoals de moeder die tegenstander bleek te zijn van de reis en die gescheiden is en geen contact meer heeft van de vader van Laura, etcetera. Je maakt zo’n verhaal pas effectief dood als je er een onderzoekscommissie op zet die pas over langere tijd een uitspraak doet. Maar volgens mij speelde ook mee dat het heel makkelijk was om hier een oordeel over te hebben. Je hoeft daarvoor niet veel van de kwestie af te weten, je hoeft je niet in te lezen, en je hebt onmiddellijk een oordeel. Toen ik op teletekst las dat een meisje van dertien alleen rond de wereld zou gaan zeilen, dacht ik ook meteen: Wat een idioot plan. Maar het was een bijzondere hype, en ik zal mij er zeker nog verder in verdiepen.’
De storm rond het zeilmeisje mag een hype zijn geweest, maar dat betekent niet dat het nergens over ging. Als een ding duidelijk is geworden, is dat de interesse voor het werkveld van de pedagoog springlevend is. In uitingen enpubliekspeilingen leek het alsof de samenleving in tweeën was verdeeld. Het zou best eens zo kunnen zijn dat die tweedeling vooral terug te voeren is op een wat suggestieve vraagstelling. En op de overigens lovenswaardige werkwijze van journalisten die liefst een voor- en een tegenstander aan het woord willen laten. Er zou wel eens wat meer eensgezindheid kunnen bestaan over de verantwoordelijkheid van ouders dan soms lijkt. En dat is niet saai, maar hoopgevend.
Rinke Bok
1. ‘Veroordeeld tot ronddobberen op de Reeuwijkse plassen’ Bas Levering in AD Groene Hart 2. Alhoewel de naam van ‘het zeilmeisje’ breeduit in de media werd genoemd, aanvankelijk zelfs in het rapport van de rechtbank, kiezen we er toch voor om haar alleen met initialen aan te duiden of te omschrijven.—RB 3. Peter Vasterman publiceert regelmatig overhypes en doet media-analyses op www.vasterman.nl 4. AD/Algemeen Dagblad van 8 augustus en meteen ook in de zeven regionale AD-kranten 5. ‘The Seven Basic Plots: Why We Tell Stories.’ Christopher Booker. New York: Continuum, 2005
Met de foto op de omslag ging L. al de hele wereld rond. Het is er een uit een serie die Arie Kievit (winnaar Zilveren Camera 2008) maakte voor het AD.
’HET HAD GZ-PSYCHOLOOG/PEDAGOOG MOETEN HETEN’ Ted Raedts was tot voor kort vicevoorzitter van de NVO enze zit in het bestuur van de Federatie Gezondheidszorgpsychologen. Zewas al ontwikkelingspsycholoog toen ze aan de universiteit van Nijmegen afstudeerde als orthopedagoog. Daar werkte ze een tijd op het Ambulatorium, in een kinderhuis en voor kinderen met gedrags- enleerproblemen. Inmiddels heeft Ted Raedts (65) een eigen praktijk als psychotherapeut en orthopedagoog, aan huis in het Brabantse Deurne. En keurt ze samen met haar man, een zenuwarts, voor het CBR de rijvaardigheid van autisten, verslaafden en mensen met psychiatrische problemen. Ze kent dus als geen ander het werk van NVO-pedagogen en Gz-psychologen. Waar zitten de verschillen en hoe verhoudt de opleiding tot Gz-psycholoog zich tot die tot Orthopedagoog-Generalist?
Opleiding in de praktijk Op de middelbare school zat ze al in de leerlingenraad en later zat ze in het bestuur van haar hockeyclub. Nu is ze actief in tien verenigingen, onder meer als voorzitter van het landelijk Convenant Autisme en het Speciaal Onderwijs Eindhoven. Meedenken, mee verantwoordelijkheid dragen zit gewoon in haar karakter. ‘Je kunt het ook zien als bemoeizucht’, lacht ze. Sinds de start van de postacademische opleiding tot Gz-psycholoog, elf jaar geleden, zit ze in het bestuur van de Federatie van Gz-psychologen. Ze is nog steeds blij dat die opleiding er gekomen is. Ted Raedts: ‘Destijds merkte ik meteen dat mensen die de Gz-opleiding hadden gedaan, ook echt meer wisten. Ze waren er kwalitatief op vooruit gegaan. Dat komt omdat de opleiding vooral in de praktijk plaatsvindt, plus een theoretische verdieping heeft. Theorie en praktijk sluiten goed op elkaar aan.’ In de fulltime variant is het een dag per week theorie en vier dagen per week werken bij een instelling, onder leiding van een supervisor. ‘Die is verantwoordelijk en tekent de rapportages af. Het is leren onder toezicht, zonder dat je zelf al echt verantwoordelijk bent. Zo heb je de mogelijkheid om te oefenen en te reflecteren op jezelf. Dat vind ik belangrijk. Want je weet nog weinig van de praktijk als je van de universiteit afkomt.’
Gz-opleiding Eindhoven Er zijn zes regionale opleidingsinstellingen in het land. In de begintijd was Ted Raedts betrokken bij de opleiding voor Gz-psycholoog in Eindhoven. ‘Daar hadden we met zes instellingen een soort consortium opgericht’, legt ze uit. ‘Met de GGZ, een revalidatiecentrum, een groot academisch ziekenhuis, een psychologenpraktijk, een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking en Sint Marie, een instelling voor jongeren met autisme, spraak-, taal- en gehoorproblemen, waar ik toen werkte. Dus dat bood cursisten een prachtige mogelijkheid om tijdens hun opleiding een kijkje te nemen in de keuken bij die verschillende instellingen. Zelf vind ik dat heel belangrijk: het verruimt je ervaring, je netwerk en je blik op diverse organisatievormen. Inmiddels zijn er in Eindhoven acht instellingen betrokken bij de Gz-opleiding en het draait als een tierelier.’
Protocollen Ze merkt dat Gz-psychologen hebben geleerd om met duidelijke doelstellingen te werken, klantgericht zijn en goed volgens protocollen kunnen werken. Aan dat protocollair werken ziet ze zowel positieve als negatieve kanten. Ted Raedts: ‘Vroeger had je ellenlange behandelingen en deed iedereen het op z’n eigen manier. Nu er meer in protocollen is vastgelegd, zijn behandelingen meer transparant, adequaat en qua duur wat korter. De opleiding bestaat nu ruim tien jaar en ik zie inmiddels ook een groot nadeel. Door alleen volgens het protocol te werken, dreigt het eigenstandige denken verloren te gaan. Na een paar jaar wordt het toch een soort routine. En uit angst voor juridisering hebben mensen ook de neiging om zich te verschuilen achter de protocollen. Want dan heb je het toch goed gedaan… Maar hulpverleners moeten hun drive en enthousiasme behouden, blijven uitgaan van de vragen die mensen hebben en hun eigen verantwoordelijkheid dragen voor hetgeen ze aanbieden, anders worden het robots.’
Verschil met de opleiding Orthopedagoog-Generalist Net als de eigen NVO-opleiding tot Orthopedagoog-Generalist, duurt de opleiding tot Gz-psycholoog twee jaar. Een verschil is volgens Ted Raedts dat de eerste wat meer een opleiding is waar je theoretische kennis aangeboden krijgt en waar je de mogelijkheid krijgt om casuïstiek uit de praktijk voor te leggen. Bij de opleiding voor Gz-psycholoog is er volgens haar een directer verband tussen kennis en praktijk. ‘Verder gaat de OG-opleiding natuurlijk meer over het orthopedagogische denken en handelen. Als orthopedagoog kijk je toch meer naar het kind en zijn context. Ik merk het bij de rijvaardigheidskeuringen die we doen. Daar komt ook wel eens een psycholoog, maar die kijkt nauwelijks naar de context van bijvoorbeeld een jongen die vroeger altijd erg agressief was. Ik ben ook benieuwd naar de reacties die dat opriep, thuis en op school. Hoe kijkt hij er nu op terug dat hij drie keer van school is gestuurd? Dat hij op straat hing en daar mensen provoceerde? Een psycholoog vraagt dat niet zo snel, ik doe dat automatisch.’
De opleiding tot Gz-psycholoog staat open voor psychologen en pedagogen. Wat is de verhouding tussen die twee? Ted Raedts: ‘Er zijn veel meer psychologen die de opleiding volgen dan pedagogen. Gewoon omdat er meer psychologen afstuderen dan pedagogen. Maar ook omdat er aanvankelijk bij pedagogen een soort huiver was om zich te laten registreren als Gz-psycholoog en om die opleiding te volgen. Pedagogen zijn toch meer handelingsgericht ingesteld en vinden zo’n kwalificatie vaak maar veel gedoe. Sommigen zijn ook wat ouder omdat ze al een HBO-opleiding hebben afgerond en daarna een universitaire studie hebben gedaan. Maar inmiddels is bij steeds meer pedagogen het besef wel doorgedrongen dat kwalificaties belangrijk zijn, al was het alleen maar omdat de zorgverzekeraar er om vraagt.’ Dat geldt overigens even sterk voor de OG-opleiding als voor de Gz-opleiding.
Dekt de naam Gz-psycholoog delading wel? De NVO profileert zich met haar eigen opleiding tot Orthopedagoog-Generalist, maar is ook betrokken bij de opleiding tot Gz-psycholoog. Samen met het NIP denkt de NVO mee over de inhoud van de opleiding en is ze medeverantwoordelijk voor de organisatiestructuur.
Is het voor buitenstaanders wel duidelijk dat een Gz-psycholoog ook een pedagoog kan zijn? Dekt de naam delading wel? Ted Raedts: ‘Het had natuurlijk gewoon Gz-psycholoog/pedagoog moeten heten. Met die naamgeving was het inderdaad duidelijker geweest voor buitenstaanders. Maar die slag hebben we als NVO gemist. Dat komt ook omdat de psychologen een grotere organisatie hebben en door de overheid erkend en gekend zijn. Wij hebben zowel bij de overheid als bij de zorgverzekeraars nog veel werk moeten verrichten voor erkenning van de beroepsgroep. Daarom is het Gz-psycholoog geworden, maar laat duidelijk zijn dat ook pedagogen behoren tot het domein van de individuele gezondheidszorg. Wij zijn er in het begin niet alert genoeg op geweest hoe de naamgeving ons in de weg zou kunnen zitten.’ Terecht zit in de Gz-opleiding wel degelijk een pedagogische component, stelt ze. ‘Niet voor niets is er ook een groot aantal orthopedagogen van verschillende universiteiten, zoals Nijmegen en Leiden, dat er lesgeeft. En in de praktijk komen de cursisten ook veel pedagogen tegen. Daarom had de term pedagoog ook in de naamgeving verankerd moeten zijn. Dat had niet alleen de lading meer gedekt, maar was ook meer een afspiegeling van de realiteit geweest.’
De NVO heeft 4500 leden, waarvan er 925 ook Gz-psycholoog zijn en 53 in opleiding voor Gz-psycholoog. Watheeft de NVO hun te bieden? ‘Met name veel inhoud en daar moet de NVO vooral op blijven focussen. Het pedagogisch denken en handelen blijft van belang. Bij de Gz-psychologen gaan wel eens stemmen op om een eigen vereniging op te richten, los van het NIP en de NVO. Zelf ben ik helemaal enthousiast over wat de NVO biedt. De lezingen, de kennisnetwerkgroepen, het juridisch advies en de mogelijkheden om collega’s te ontmoeten. Dus dat moeten ze echt blijven doen binnen het bredere verband van de beroepsgroep. De Gz-psychologen van pedagogische afkomst moeten ook binnen de NVO mogelijkheden krijgen om hun kwaliteit te verbeteren.’
Ted Raedts zat zo’n tien jaar in het bestuur van de NVO, de laatste jaren als vicevoorzitter. Waarom deed ze dat en hoe kijkt ze terug op die tijd? ‘Ik was al heel lang lid en wilde, zoals het mijn leven lang al gaat, ook verantwoordelijkheid dragen en niet meer aan de zijlijn staan. In die tijd begon de NVO zich meer naar buiten te profileren en naar de vragen van de leden te kijken. Dat sprak mij erg aan.’ Er waren destijds ook gesprekken met het NIP over een fusie, herinnert ze zich. ‘Waren we niet te klein om alleen door te gaan? Het NIP vond het niet nodig om met ons te fuseren, maar ik was toen voor samengaan met hun Kinder- en Jeugdsectie om zo sterker te staan. Nu, ouder en verstandiger geworden, denk ik er anders over. Ik ben bang dat het orthopedagogische accent dan verloren zou zijn gegaan, terwijl de NVO daarin juist aan belang gewonnen heeft. Inmiddels hebben we een eigen identiteit opgebouwd, ook professioneel. Deze identiteit moet je altijd in een fusie blijven borgen. Het heeft voor alle partijen een meerwaarde.’
Ze is blij dat er voor haar vertrek zoveel nieuwe, enthousiaste en deels jonge mensen in het bestuur van de NVO zijn gekomen. Ted Raedts: ‘Daar moet je jong mee beginnen. Je ziet dan van dichtbij hoe beleidsontwikkelingen in z’n werk gaan en hoe moeilijk het is om sommige zaken voor elkaar te krijgen. De NVO moet vooral geen formele organisatie worden, maar die vereniging blijven met een open houding en sfeer. Daardoor heb ik mij er altijd erg thuis gevoeld.’
Annemiek Haalboom
HULP MOET HELPEN
Hij doet al jaren onderzoek naar jongeren die zowel thuis alsop school zijn vastgelopen. Leidraad in dat onderzoek is de effectiviteit vande hulp aan deze jongeren. Prof. dr. Evert Scholte is sinds twee jaar bijzonder hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit Leiden, met speciale aandacht voor de integratie van jeugdzorg en speciaal onderwijs. Twee werelden die, tot zijn spijt, makkelijk langs elkaar heen werken. In zijn oratie haalde hij de casus ‘Nico’ aan, over een hyperactief jongetje op het speciaal onderwijs dat thuis de Raad voor de Kinderbescherming op de stoep krijgt. Door meer samenwerking, had dat niet zover hoeven komen.
Evert Scholte komt via wat omzwervingen op zijn vakgebied pedagogiek terecht. Om antwoord te vinden op de vraag ‘waarom is een mens zoals ie is?’, twijfelt hij na de middelbare school tussen een studie scheikunde – zit het in de biochemie? – en psychologie – of toch in de psyche? Zijn ouders, eigenaars van een kapsalon in het Gelderse dorp Dieren, zien meer toekomst in scheikunde. ‘Dus dat ging ik doen’, glimlacht hij, ‘tot mijn kandidaats. Toen ging ik op zoek naar de zin van het leven en filosofie studeren. Daar heb ik in ieder geval geleerd dat we het eigenlijk allemáál niet weten. Erg mooi. Het relativeert de beweringen van mensen die net doen alsof ze het wél weten.’ Tijdens zijn studie filosofie in Amsterdam komt hij er achter dat de opvoeding een belangrijke rol speelt bij de vorming van een mens. ‘Dus werd het daarna opvoedkunde en dat is het gebleven.’ Pedagogiek was ‘nogal obscuur’ indertijd, herinnert hij zich. ‘Je moest allerlei ideologische boekjes lezen van Marx en aanverwanten. Daar had ik niet zoveel mee. Ik dacht toen al meer antwoorden te vinden via empirisch onderzoek.’ Na zijn afstuderen in de algemene pedagogiek gaat hij werken als onderzoeker bij de afdeling orthopedagogiek in Amsterdam. Hij werkt er samen met professor Van der Ploeg en blijft dat tot op de dag van vandaag doen. Van der Ploeg neemt Scholte begin jaren tachtig ook mee naar de universiteit van Leiden.
Lijst met jeugdzorginterventies Sinds twee jaar is hij bijzonder hoogleraar orthopedagogiek in Leiden. De leerstoel is ingesteld door stichting Horizon in Rotterdam die geïntegreerde hulpverlening biedt aan jeugdigen met ernstige, meervoudige problemen. Dus zowel op school als thuis. Horizon wil via wetenschappelijk onderzoek graag te weten komen wat er nu precies aan de hand is met die jongeren en of de hulp die zij bieden wel effect heeft. En aangezien zijn motto al jarenlang is dat ‘hulp moet helpen’, kwamen ze bij Evert Scholte terecht. ‘Effectiviteit is echt een tendens van deze tijd’, zegt hij. ‘Zo wil de overheid in de toekomst alleen nog maar behandelingsprogramma’s voor jeugdigen betalen die bewezen effectief zijn. Begrijpelijk en logisch, want je wilt dat je geld goed besteed wordt. Maar ik vind dat ze doorslaan door in dit verband een lijst aan te laten leggen van alle jeugdzorginterventies door het Nederlands Jeugd Instituut. De ene na de andere instelling vraagt daar nu een soort erkenning aan dat hun programma werkt. Ik zit zelf in een commissie om die programma’s te beoordelen en zie dan weer een ADHD-programma van meneer X en vervolgens eentje van mevrouw Y voorbij komen. Zo krijg je een gigantische lijst van allerlei programma’s die allemaal op elkaar lijken.’
Toepassing Volgens Evert Scholte zijn het echter niet de programma’s zélf die werken, maar de algemene bruikbare basisprincipes waarop ze gebaseerd zijn. Het lijkt hem dan ook efficiënter om het gebruik van die principes aan te moedigen, in plaats van een wirwar aan hulpprogramma’s te honoreren die allemaal claimen uniek en effectief te zijn. Dit zou bijvoorbeeld betekenen dat ook residentiële centra – zoals Horizon – die een pedagogisch klimaat hebben gecreëerd volgens de principes van bewezen effectieve gedragsbeïnvloeding, gehonoreerd worden. Een ander probleem ziet hij in de toepassing van de jeugdhulpprogramma’s. Die kunnen nog zo bewezen effectief zijn, maar als ze niet volgens de regels worden toegepast zal niemand er in de praktijk veel aan hebben. Zo deed hij samen met Van der Ploeg een paar jaar geleden onderzoek naar een aantal residentiële behandelingsprogramma’s gebaseerd op het sociale competentiemodel. Scholte: ‘Uit andere onderzoeken bleek dit een zeer effectief model tezijn om het gedrag bij te sturen van kinderen die delinquent zijn of die probleemgedrag zoals ongehoorzaamheid vertonen. Maar bij de instellingen in Nederland die wij onderzochten, bleek het bij sommige heel goed te werken en bij andere – die zeiden precies hetzelfde te doen – helemaal niet. Dan kun je alleen maar concluderen dat die instellingen het model niet goed hebben toegepast.’
Evaluatieonderzoek Hij pleit dan ook voor gedegen periodiek evaluatieonderzoek. ‘Instellingen moeten om de zoveel tijd kijken of hun hulp inderdaad werkt bij kinderen, of er vooruitgang in zit. Zo nee, dan moeten ze zich achter de oren krabben en kijken wat ze niet goed doen. Dat is niet alleen van belang voor cliënten en hulpverleners, maar ook voor beleidsmakers en overheden. Door de uitkomsten van die evaluatieonderzoeken te bundelen, krijgen zij inzicht in de effectiviteit van instellingen en zorgsectoren als geheel.’ Overigens is het niet zo dat programma’s die in de NJI-database zitten per definitie geld krijgen, relativeert Scholte. ‘Al zal het daar in de praktijk wel op neerkomen. Het zijn de gemeentes die geld geven aan jeugdzorg, maar de personen die het moeten beoordelen zijn niet altijd pedagogisch onderlegd. Dus nemen ze, om houvast te hebben, toch alleen de programma’s die door het NJI erkend zijn. Het is de vraag of die gedecentraliseerde regie van de jeugdzorg zo ideaal is, en of je het toch niet beter centraal kunt regisseren.’
Jeugdzorg helpt 40% Wat valt er te zeggen over de effectiviteit van de jeugdzorg en het speciaal onderwijs in het algemeen, op basis van gebundeld follow-up onderzoek? ‘Om te beginnen gebeurt dergelijk onderzoek heel weinig’, zegt Scholte. ‘Zowel in de jeugdzorg als in het speciaal onderwijs. Samen met Van der Ploeg heb ik wel eerder onderzoek gedaan naar de jeugdzorg in Nederland en daaruit blijkt dat die wel degelijk effect heeft.’ Uit hun onderzoek naar de resultaten van de ambulante en residentiële jeugdzorg blijkt dat gedragsproblemen bij een derde tot de helft van de kinderen afnemen. Op de vraag of dat veel of weinig is, schiet hij in de lach. ‘Dat is lastig te zeggen. Waar moet je het mee vergelijken? Als je het vergelijkt met mensen die een hartaanval hebben gehad en worden behandeld, dan is 40% best veel. Je zult het door de jaren heen moeten blijven onderzoeken. Als blijkt dat het stabiel blijft, is dat kennelijk wat je kunt bereiken met jeugdzorg. Als het groeit, zit er kennelijk progressie in en worden misschien de behandelingen beter. Ik vind 40% aardig wat en het komt overeen met wat men vindt in andere landen.’
Resultaten speciaal onderwijs Naar de resultaten van speciaal onderwijs voor kinderen met gedragsproblemen (cluster 4) is nauwelijks onderzoek gedaan. Uit een follow-up studie van Evert Scholte en anderen, afgesloten in 2007, komt wel naar voren dat leerlingen op een Pedologische Instituutsschool in Leiden een behoorlijke groei doormaken. Ook bleken de leerachterstanden en sociaal emotionele problemen niet volledig te verdwijnen. Maar dat is ook niet te verwachten, volgens Scholte. Op cluster 4 scholen zitten immers vooral kinderen met autisme en ADHD, handicaps waarbij je vaak tevreden moet zijn met het hanteerbaar maken van de klachten en het optimaliseren van de cognitieve talenten van de kinderen. Ter illustratie haalt Evert Scholte een telefoontje aan dat hij onlangs kreeg van de radio: ‘Meneer, nu hebben ze gevonden dat van de kinderen op speciaal onderwijsscholen wel 55% de Wajong ingaat! Ze verbaasden zich erover dat het speciaal onderwijs blijkbaar een grote kans geeft om als jongere al arbeidsongeschikt te raken. Maar zo moet je niet redeneren. Ik denk: blijkbaar houdt het speciaal onderwijs 45% van de kinderen uit de Wajong. Dat is heel wat als je bedenkt dat het kinderen zijn met ontwikkelingsstoornissen. Want welke baas wil nu een kind in dienst hebben dat z’n hoofd niet bij z’n werk kan houden?’ Om de effectiviteit van speciaal onderwijs te bepalen is echter meer onderzoek nodig, vindt Evert Scholte. Daar zouden naast cluster 4 scholen ook gewone scholen aan mee moeten doen. En om de toegevoegde waarde van jeugdzorg te bepalen, zou er ook verschil gemaakt moeten worden tussen leerlingen die wel en die geen jeugdzorg krijgen.
Rugzakjekinderen hebben lichtere problemen Samen met de promovenda Regina Stoutjesdijk is hij net begonnen met een groot follow-up onderzoek onder kinderen op het speciaal onderwijs bij stichting Horizon in Rotterdam. Ze kijken naar een paar honderd kinderen die speciaal onderwijs krijgen en een paar honderd kinderen die met een ‘rugzakje’, met extra ondersteuning, op een gewone school zitten. ‘Wat we nu al hebben gevonden is dat de kinderen met een rugzakje veel lichtere problemen hebben dan kinderen op het speciaal onderwijs. De rugzakkinderen hebben gewoon minder ernstige leerproblemen en vooral ontwikkelingsachterstanden als PDD-NOS. Dat is een autismevariant die, populair gezegd, is op te vatten als een minder storende problematiek. Terwijl de kinderen op het speciaal onderwijs de echt moeilijke kinderen zijn. Dus de roep om het speciaal onderwijs af te schaffen en dat alle kinderen naar een gewone school moeten omdat ze daar beter af zijn, is waarschijnlijk niet terecht.’
Casus 'Nico' Stichting Horizon is een residentiële instelling waar kinderen met meervoudige problemen wonen en naar school gaan. Dat maakt het contact tussen jeugdzorg en speciaal onderwijs een stuk eenvoudiger. Elders in het land verloopt die samenwerking niet altijd even soepel. Als voorbeeld haalde Evert Scholte in zijn oratie de casus ‘Nico’ aan. Nico is een zesjarige, hyperactieve jongen op een cluster 4 school. Als hij daar verschijnt met een blauw oor en een dikke wang, meldt de school hem aan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Bij een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat Nico samen met zijn moeder en haar vriend op een chaotisch ingerichte flat woont en moeder het leven en de opvoeding moeilijk aankan. Wegens een vertrouwensbreuk gaat Nico niet meer naar school. Die beweert dat Nico wordt mishandeld. Moeder en vriend ontkennen dat. Wel wordt Nico door moeders vriend af en toe af en toe flink aanpakt als hij druk en lastig is. Een effectieve opvoedkundige aanpak, vindt moeder, want ‘dan is Nico tenminste stil.’ Terwijl het meer voor de hand had gelegen om moeder te leren haar leven te structureren en beide opvoeders te instrueren hoe zij het drukke gedrag van Nico kunnen reguleren staat nu de Raad voor de Kinderbescherming bij het gezin op de stoep.
Scholen moeten ook naar het gezin kijken Volgens Evert Scholte was dit waarschijnlijk voorkomen als er bij het speciaal onderwijs niet alleen aandacht was geweest voor Nico’s probleemgedrag op school, maar ook was gelet op de situatie thuis. In samenspraak met jeugdzorg zou de opvoeders dan geadviseerd zijn om een training in het opvoeden van kinderen met ADHD te volgen. ‘Dan was de speciale onderwijszorg een stuk effectiever geweest’, zegt Scholte. ‘Maar in het speciaal onderwijs werken toch vooral onderwijzers. En die zijn niet zo bezig met wat er in gezinnen gebeurt en hebben daardoor minder oog voor de moeite die sommige ouders kunnen hebben met de opvoeding. Dan kun je zaken krijgen als Nico. Ik zou ervoor willen pleiten dat scholen niet alleen kijken naar de ontwikkelingsstoornis van een kind, maar ook standaard en systematisch naar het gezin. Dat gebeurt wel steeds meer, maar vaak is de diagnostiek toch gericht op de school: wat moet ik als leraar met dit lastige kind in de klas?’
Derde wiel aan de wagen Hij ziet wel steeds meer samenwerking tussen jeugdzorg en speciaal onderwijs, maar het blijven twee aparte circuits. ‘Ook maatschappelijk zijn het twee gescheiden werelden’ zegt hij. ‘Met andere procedures. Dat werkt in de hand dat ze langs elkaar heen werken. Dat ze fysiek gescheiden zijn, maakt het contact ook niet makkelijker. Minister Rouvoet had die twee mooi samen kunnen brengen in zijn Centra voor Jeugd en Gezin. Een goede gedachte, maar in de uitwerking maakt hij er weer een apart centrum van. Zo worden die Centra een derde wiel aan de wagen. Een gemiste kans.’
Annemiek Haalboom
NIET ALLEEN PAPPEN EN NATHOUDEN
Ze wist niet dat ze aan het begin stond van een wetenschappelijke carrièretoen ze in 1985 begon als vervangend docent orthopedagogiek bijde universiteit van Groningen. Met haar man en drie kinderen was ze, najaren werken in het buitenland, net terug in Nederland. De kinderen moesten zich aanpassen en als universitair docent kon ze werken binnen hun schooltijden. Toch is prof. dr. Carla Vlaskamp inmiddels al jaren hoogleraar orthopedagogiek. Gespecialiseerd in kinderen met zeer ernstige verstandelijke en meervoudige beperkingen. Om hun leven aangenamer te maken, ontwikkelde ze een op de persoon afgestemd opvoedingsprogramma. Het wordt nu in de meeste instellingen toegepast en is bekendals ‘het programma Vlaskamp’.
Carla Vlaskamp (59) maakte voor het eerst kennis met deze groep zwaar gehandicapten tijdens haar studie fysiotherapie. Ze liep stage in het Zonnehuis in Zuidhorn. Een verpleeghuis voor ouderen waar ook een groepje van tien jongvolwassenen met een verstandelijke en motorische beperking was geplaatst. ‘Tot mijn verbijstering kwam ik voor een groep te staan die niet of nauwelijks kon praten. Sommigen konden hun armen bewegen, anderen konden staan. Overdag lagen ze in bed of zaten ze in een rolstoel. Die moest ik in een groepje gymnastiek geven. Dat vond ik raar. Na twee keer dacht ik: dit heeft geen nut, ik moet iets anders verzinnen. Iets waar ze plezier in hebben en wat goed is voor hun lijf.’ Ze organiseerde een wekelijks zwemuurtje in het zwembad in Groningen. Voor het vervoer en de begeleiding maakte ze dankbaar gebruik van de contacten van haar vader. ‘Ik kom uit een middenstandsgezin. Mijn vader had een warenhuis met het betere serviesgoed en speelgoed in Sneek. Wijwoonden boven de winkel. Later begon hij in het pand ernaast een HEMA. Via hem kwam ik in contact met een commerciële club in Groningen, mensen die wel iets wilden doen voor gehandicapten.’ Later nam ze, samen met een vriendin, mensen uit het Zonnehuis een paar keer mee uit naar Groningen. ‘Hup met de rolstoel de goederenwagon van detrein in. We gingen hoedjes passen bij V&D. Ik vond het ontzettend leuke mensen en ik vond het echt erg dat er verder niks voor hen gebeurde.’
Van fysiotherapie naar orthopedagogiek Het was één van de redenen om orthopedagogiek te gaan studeren. ‘Ik herinner me, in datzelfde Zonnehuis, een vrouw met jonge kinderen. Ze had letsel waar ze wel van zou herstellen, maar ze maakte zich ernstig zorgen over haar kinderen en of haar man wel bij haar zou blijven. Ik was 19 jaar en had geen idee wat ik tegen haar moest zeggen. Maar ik dacht wel: zij heeft meer behoefte aan een goed gesprek. Bij fysiotherapie kregen we lessen psychologie, maar die gingen over onderwerpen als Plato in de grot. Ik vond dat ik er iets bij moest leren. Zo begon ik in mijn laatste jaar fysiotherapie met orthopedagogiek.’ Carla Vlaskamp trouwde met een arts, in opleiding voor tropenarts. Ze gingen samen regelmatig naar het buitenland. Naar Tanzania, Curaçao en tot slot – met drie kinderen – naar Lesotho. ‘Een onafhankelijk koninkrijk, omgeven door de republiek Zuid Afrika waar toen nog apartheid was. Daar zijn we overigens maar twee keer geweest. We kregen beperkte toegang en werden zo goed in de gaten gehouden dat ze bij de grensovergang zelfs de naam van mijn lagere school wisten. Voordeel was dat er veel ontwikkelingsorganisaties zaten. Ik werkte ondermeer voor het Save The Children Fund dat verschillende projecten had, zoals een school voor blinden en voor kinderen met een motorische beperking. Nadeel was dat er ook veel ANC zat; er was veel geweld vanuit Zuid Afrika. Het Zuid Afrikaanse leger viel regelmatig binnen, zo hebben ze ook onze achterburen vermoord.’
Signalen herkennen en begrijpen Terug in Nederland gaat ze als universitair docent orthopedagogiek aan de slag. Met collega Ruud van Wijk gaat ze in op een vraag van de Boldershof in Druten, een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking waar ook twee groepen kinderen woonden. ‘In die tijd lagen die kinderen nog de hele dag in bed’, legt ze uit. ‘Daar wilden ze hen graag uithalen, maar ze wisten niet wat ze dan met hen moesten doen.’ In 1989 kregen ze groen licht om onderzoek te gaan doen op de Boldershof. Het was de start van de ontwikkeling van Vlaskamps opvoedingsprogramma. ‘We gebruikten een methodologie uit Amerika, de theory driven evaluations. Het ontwikkelde programma heeft naast een methodisch, ook een duidelijk theoretisch kader. Zo kunnen voor kinderen individuele programma’s worden opgesteld en geëvalueerd. Wij hadden het idee dat er veel meer in die kinderen zat dan je zo op het eerste oog zag. Dat zij ons duidelijk konden maken wat ze wilden en hoe ze dat wilden. En dat daarvoor de omgeving de signalen van de kinderen moet herkennen en begrijpen. Dat lukt alleen als er een relatie is tussen kind en begeleider. Die moet ontdekken wie het kind is.’ Ze herinnert zich nog veel kinderen uit die tijd. Bijvoorbeeld Marieke, een meisje met huilbuien waar de hele groep onrustig van werd. Soms begon ze ’s ochtends al te huilen en wist het personeel dat er de rest van de dag geen land met haar te bezeilen was. Uit wanhoop sloten ze haar soms op in de badkamer. Carla Vlaskamp ging met het personeel praten over de mogelijke oorzaken van het huilgedrag. Op welke dagen huilde Marieke en wat was er dan gebeurd? Uiteindelijk bleek ze last te hebben van een ochtendhumeur. Als ze te abrupt werd gewekt, kreeg ze last van spasmen, kwam ze niet goed in de rolstoel en had ze echt fysieke pijn. Toen Marieke op een andere manier werd gewekt – zachtjes, rustig en ze pas in de rolstoel werd gezet als haar spieren waren ontspannen – bleek ze een leuk en vrolijk meisje. ‘De hele groep knapte er ontzettend van op’, zegt Carla Vlaskamp. ‘Niet alleen de andere kinderen, maar ook de groepsleiding. Die merkte: het is belangrijk wat we doen. Het is niet alleen pappen en nathouden, maar er is ontwikkeling bij de kinderen. Dat maakte hun werk een stuk leuker.’
De glimlach van een kind Vier jaar later promoveerde ze op haar opvoedingsprogramma. Het kreeg veel aandacht in Nederland en België en het werd het bekendste programma in de zorg voor kinderen (en volwassenen) met zeer ernstige verstandelijke en meervoudige beperkingen. Het programma heeft als startpunt te ontdekken wie kinderen zijn en wat ze wel of niet leuk vinden. ‘Dat gebeurt door informatie te verzamelen bij alle personen die bij een kind betrokken zijn, ook de ouders. De taak van een orthopedagoog is om uit al die losse informatie een samenhangend beeld te maken en een eerste aanzet te geven voor een betere benadering van een kind. Of die echt beter is, wordt afgemeten aan de reacties van een kind: als ik het zo doe, zie ik een glimlach of minder lichamelijke onrust. Op die manier krijg je steeds meer kennis over een kind en wordt het een individu met eigen kenmerken waar je rekening mee kunt houden.’ En dat is belangrijk, zeker in de zorg waar veel groepsmatig gebeurt, zegt Vlaskamp. ‘Dan krijg je minder gekke dingen zoals: om twaalf uur zitten we met z’n allen om tafel en krijgt iedereen omstebeurt eten. Als je kinderen kent, kun je degene met eetproblemen als laatste nemen en alle aandacht geven. En degene die al rechtop zit als ie hoort of ruikt dat het eten er aankomt als eerste helpen. Ik ken ook groepen waar één begeleider iedereen individueel eten geeft terwijl de ander zich met de rest bezighoudt. En een groep van acht die splitst in twee tafels van vier zodat het meer op een gezinssituatie lijkt.’ Bij veel organisaties is een vast patroon waar je vanaf moet durven stappen, vindt ze. ‘Misschien wil een kind wel om half negen een activiteit omdat ie dan alert is. En niet om half tien omdat ie dan moe is. Dus haal zo’n kind vroeg uit bed en laat een ander uitslapen. Het lijkt ingewikkeld, maar in de praktijk heb je veel minder gezeur. Kinderen gaan niet meer uit hun dak of zichzelf beschadigen.’
Dagactiviteiten De afgelopen jaren ontwikkelde ze ook een programma voor de dagactiviteiten waar veel elementen van het opvoedprogramma inzitten. ‘Dat heb ik gedaan omdat in veel gevallen dagactiviteitencentra en woonvoorzieningen niet goed met elkaar samenwerken. Er is een lijst vragen bij gemaakt, een soort bewustwordingslijst om rekening te houden met de mogelijkheden en voorkeuren van kinderen. Moet ik een voorwerp heel lang in het blikveld houden of juist niet? Doet de kleur ertoe? Moet ik links of rechts van iemand gaan zitten? Dielijst is een groot succes.’ Bij haar onderzoek naar de dagactiviteitencentra ontdekte Carla Vlaskamp dat het aanbod nog steeds vrij eenzijdig is – ‘er zijn veel snoezelachtige activiteiten’ – en passief – ‘mensen zitten in een stoel en luisteren naar muziek’. Bovendien werkt men weinig flexibel. ‘Voor sommige mensen is het niet gewenst dat ze al om negen uur met het busje naar de dagactiviteit moeten. Die worden te vroeg uit bed gehaald omdat ze daar nu eenmaal om negen uur moeten zijn. Daar zou men flexibeler in moeten zijn’
Momenteel doet Carla Vlaskamp onderzoek naar onder meer alertheid, slaappatronen en pijnbeleving en ze isook betrokken naar het onderzoek naar Multi sensory storytelling (zie ook pagina 8). Daarnaast richt ze zich op gedragsproblemen zoals automutilatie, de positie van ouders en naar motorische activering. ‘Met dat laatste kom ik een beetje terug op mijn oude stiel.’
Annemiek Haalboom
’EEN GODDELIJK BEROEP’
Frivole lezers zouden bij deze titel kunnen denken aaneen té-gekke job, een zálig beroep. Tegen de verwatering van die laatste kwalificatie zouden behoudende katholieken bezwaar kunnen maken. De orthodox-protestantse leerkrachten die Dr.Bram de Muynck in zijn boek aan het woord laat, zouden waarschijnlijk geschokt zijn bij die verwijzing naar het Opperwezen als hedonistisch superlatief. De ondertitel ‘Spiritualiteit in de beroepspraktijk van leraren in het orthodox-protestantse basisonderwijs’ en de omvang van bijna 500 gebonden pagina’s gezet in een 8 punts Times Roman, maakt duidelijk dat het hier niet om een luchtig werkje gaat. Spiritualiteit is volgens orthopedagoog, lector en supervisor De Muynck onmisbaar in de praktijk van onderwijs en opvoeding. Hijverrichtte er een studie naar inorthodox-protestantse hoek. Maar gelden de uitkomsten ook voor niet religieus gedreven werkers in het pedagogische werkveld? Een gesprek over spiritualiteit als drijfveer in dit Calvijnjaar waarin religie een Rouvoet tussen de voordeur lijktte zetten.
Toegegeven: Ik had een ernstig kijkende man in een wat morsig ogend pak verwacht. En een wat zeurderige of al te blije EO-stem. Maar aan de telefoon verdwenen mijn vooroordelen al. Bram de Muynck, (47, vader van drie kinderen) is een forse man met een vrolijk shirt onder zijn colbertje en levendige ogen achter een modieuze zwarte bril. Eerder een ingenieur dan een pedagoog. ‘Ik ben van origine orthopedagoog en ik heb van huis uit compassie met situaties waarin iets mis is. Zo ben ik gesocialiseerd. Ook al ben ik op dit moment minder intensief met de orthopedagogische praktijk bezig, ik voel me zeer betrokken op de beroepsgroep. Ik zie een heel directe verbinding met wat ik noem beroepsspiritualiteit. Dat heb ik onderscheiden van religieuze spiritualiteit. De beroepsspiritualiteit heeft vooral te maken met de bezieling die je voelt in je beroep en voor de doelgroep waarvoor je werkt.’
Inspiratie moet van binnenuit komen Je zegt dat die beroepsspiritualiteit de religieuze spiritualiteit overlapt. Gaat die religieuze spiritualiteit er in jouw optiek niet aan vooraf? ‘Ja, ik ga ervan uit dat iedereen op de een of ander manier een levensbeschouwing heeft, een laag van zingeving waar hij zijn overtuigingen door voedt. In de orthopedagogiek zie ik een sterke tendens naar een vertechnisering van het beroep. Dat blijkt ook uit de diagnostiek die op basisscholen plaatsvindt. Het leerlingvolgsysteem in het basisonderwijs is tot in detail uitgewerkt. Het biedt de suggestie dat je grip hebt op de kinderen. In het gebruik van zo’n systeem ben je op een heel indirecte manier in contact met kinderen, die afbreuk doet aan de beroepsspiritualiteit. Als je leerkrachten vraagt waar het om gaat, waar ze plezier in hebben, dan zijn dat de kinderen. Iets dergelijks heb je ook in de beroepsgroep van orthopedagogen. Zij gaan voor kinderen waar iets mee aan de hand is. Een van mijn onderzoeksresultaten is dat de bezieling voor het vak gevoed wordt in de uitvoering van het vak zelf. Dat lijkt een open deur, maar het is toch heel belangrijk. In hedendaagse coachingmodellen moeten er inspiratiebronnen van buiten het vak komen om inspiratie te geven ín het vak. Dat is niet wat er moet gebeuren. Je moet die inspiratie in het beroep zelf zoeken. Voor ons is dat het contact met het kind, met de ouders, met de groepsleider zelf. Systemen als zo’n leerlingvolgsysteem of het Elektronisch Kind Dossier kunnen handige hulpmiddelen zijn, maar ze leiden af van waar het in je passie om gaat.’
Kun je een goede leraar of een goede opvoeder zijn zonder passie? ‘Nee, ik vind van niet. Ik heb me vaak afgevraagd of wat ik zeg over beroepsopvoeders ook voor ouders geldt. Bij ouders is er van nature een sterke betrokkenheid op kinderen (als het goed is). Dat is bij professionele opvoeders natuurlijk niet per definitie zo. Toch denk ik dat het zonder die passie niet goed kan.’
Evidence based versus bible based Je geeft een onthullende inkijk in het orthodox reformatorische gedachtegoed. Mij viel op hoe open een aantal respondenten spreekt over zichzelf en over wat hen drijft. ‘Verschillende keren schrokken ze van hun eigen openheid. Ze gaven een heel groot vertrouwen, dat was ontroerend. Ik heb een heel volgende interviewstrategie ingezet, met veel open vragen. Geen gestructureerde strategie waarin je een aantal vragen hebt die je afvuurt. Dat kan trouwens veiliger voor mensen zijn. Maar dan kom je niet bij de laag waar je zijn wilt.’
Je uit reserve bij de drang naar de meer technische benadering van het vak. In je kritiek sta je niet alleen. Mischa de Winter had het ooit over het ‘evidence beest’. Maar zijn argumentatie is een andere, vermoed ik. Ik heb de indruk dat het bij een aantal van je respondenten ‘bible based’ versus ‘evidence based’ is. ‘Een aantal van de orthodox protestantse leerkrachten die de doelgroep voor mijn studie vormden, putten heel erg hun overtuiging uit de bijbel. Ze vinden hun opvattingen daar verwoord en in hun beroepsuitoefening worden ze in die opvattingen bevestigd. Maar dat is geen lineaire relatie: omdat in de bijbel staat ‘dit of dat’, doe ik ‘dit of dat’. Mijn conclusie is dat die beroepsspiritualiteit op een aantal punten wordt versterkt door de religieuze spiritualiteit. En dat is niet perse voorbehouden aan orthodox gereformeerden. Ik denk dat het met andere religieuze overtuigingen ook zo is.’
Moeten het wel perse religieuze overtuigingen zijn? ‘Je kunt religie natuurlijk ook breder opvatten in de zin van hoe je tegen de wereld en tegen mensen aankijkt. Aan het eind van mijn boek ga ik ook uitgebreid in op in hoeverre je de gevonden resultaten kunt generaliseren naar andere- niet religieuze leerkrachten of leerkrachten met een heel andere religieuze achtergrond.’
Maatschappij en individu Kun je een link leggen naar de huidige grote interesse voor spiritualiteit? ‘De secularisatiethese was dat door de moderniteit de religie overbodig zou worden. Dat wordt door de aandacht voor religie gelogenstraft. Ik denk zelfs dat er in ieder mens een hang is naar zingeving, naar betekenisgeving. Met het wegvallen van de "grote verhalen" in de postmoderne tijd zijn de kaders verdwenen van waaruit je die zingeving als bijna vanzelf kon vullen. Mensen zoeken nu hun eigen kaders en maken een "bricolage" van zingeving.’
Het verdwijnen van de grote verhalen, ‘The end of history and the last man’. Denk je dat het wankelend vertrouwen in het kapitalistisch systeem en het ook al bijna tot religie verheven marktmechanisme mede een verklaring zijn voor die huidige grote aandacht voor spiritualiteit? ‘Het ligt wel wat ingewikkelder. Toen ik studeerde was de invloed van Habermas en de Frankfurter Schule nog sterk merkbaar. In die pedagogische literatuur was het heel gebruikelijk om de maatschappij verantwoordelijk te stellen voor waar kinderen onder lijden. Ik zie dat studenten vandaag de dag veel minder gevoelig zijn voor grote begrippen als sociale gerechtigheid en het politieke verhaal niet zo snel omhelzen. Ze hebben wel compassie met de zwakkeren maar ze verbinden dit niet met begrippen als barmhartigheid of rechtvaardigheid. Geen protest dus tegen een systeem, maar wel een reactie op “het je niet meer aangesproken voelen door iets wat je overstijgt”. Als de transcendentie niet van boven komt, dan moet die uit het horizontale komen. Je krijgt dan paradoxaal, om met Kunneman te spreken, immanente transcendentie. Die zorg voor het innerlijk gaat wel samen met een plat wereldbeeld. Daarmee komen we terug op wat ik eerder zei over de vertechnisering van het beroep. Orthopedagogen denken vanuit wetenschappelijke kaders. Je hebt een kind en dat wordt beïnvloed door bepaalde factoren. Als je die factoren nu maar goed genoeg in beeld brengt, kun je daarop invloed uitoefenen en kun je ook het kind zelf beïnvloeden. Het onderzoek dat in het orthopedagogische veld gedaan wordt, richt zich sterk op het individu.’
Aandacht voor persoonsvorming Staat die fixatie op technische mogelijkheden, op instrumentele kennis, niet haaks op dat verlangen naar bezinning en bezieling, naar spiritualiteit? ‘Dat is heel paradoxaal. Als studenten pedagogiek gaan studeren zeggen ze dat ze het doen omdat ze van kinderen houden. Maar vervolgens richten ze zich op ‘technische’ vaardigheden. Ze staan onder druk, denk ik. Er wordt van hen vereist dat ze die instrumentele kennis beheersen. De impliciete boodschap daarbij is: Als je die test goed afmeent, ben je een goede orthopedagoog. Terwijl de boodschap moet zijn: Als ik een goed hart heb voor die kinderen en een goede relatie met ze kan aangaan, als ik goed in beeld heb welke idealen ik heb met dit kind en met dit gezin en samenleving, dán ben ik een betere orthopedagoog. Ik zou dan ook heel graag zien dat er in de orthopedagogiek meer aandacht komt voor persoonsvorming. Als orthopedagoog moet je jeheel goed bewust worden van de idealen die je hebt, en van de kwetsbaarheden in jezelf. Je moet je eigen biografie kennen en weten wat je teweeg brengt in een relatie met kinderen en in relatie met ouders. Dat heeft in de beroepsopleiding nauwelijks een plek.’
Beroep en ethiek In je boek noem je als voorbeeld voor een inspirerende rol het enthousiasme van een vroegere docent over Paolo Freire. Je pleidooi voor het actief bewust zijn van je beweegreden en handelen doet mij denken aan zijn ‘conscientização’. Daarvoor moet je afstand kunnen nemen van je zelf, kunnen reflecteren. Hebben de religieus georiënteerde docenten die je beschrijft daarin een streepje voor? ‘Die hebben daarin inderdaad iets voor. Ze hebben transcendente gevoelens en zijn er in geoefend om daar woorden aan te geven. Hun verantwoordelijkheid betreft niet alleen het hier en nu. Het heeft een veel diepere lading en het reikt ook veel verder dan de kinderen. Die morele verantwoordelijkheid is vrij zwaar bij deze leerkrachten en het levert ook een natuurlijke morele reflectie op. In mensgerichte beroepsgroepen worden nu ‘morele profielen’ gemaakt, die een uiting zijn van casuïstische ethiek, maar dan van een gezindheidsethiek. Beroepscodes zijn vaak erg uitgesponnen. Dan wordt beroepsmoraal iets van regels, terwijl die moet voortkomen uit de vraag: Wat is mijn grondhouding en hoe vertaal ik die naar deze cliënt? Uiteindelijk gaat het altijd om keuzes tussen goed en kwaad. Maar een beroepspraktijk heeft ook zijn eigen normatieve veld en ons beroep kent zijneigen morele dilemma’s.’
Ik maak mee dat mensen zeggen: Vanuit mijn ethisch besef vind ik eigenlijk dit, maar vanuit mijn beroepsethische benadering kom ik tot iets anders. ‘Persoon en beroep worden heel erg gescheiden, dat is ook een kritiek die ik heb op de opleidingen. Typisch voor ons beroep is dat je je eigen instrument bent. Ik kan geen orthopedagoog zijn zonder dat ik mij in mijn relatie aanbied aan die cliënt. Zodra ik tegenover iemand ga zitten gebeurt er iets. Uit onderzoek is gebleken dat de grootste verklarende factor van therapiesucces is gelegen in de rol van de therapeut enniet de methodiek die hij hanteert.’
Inspiratie Nog even terug dan naar die inspiratie. Ernest Hemingway zei ooit: ‘Schrijven is tien procent inspiratie en negentig procent transpiratie’. Gaat dat ook niet op voor de pedagogiek? ‘Inspanning is natuurlijk erg belangrijk. Maar die tien procent is wel erg invloedrijk. Verschillende mensen in mijn onderzoeksgroep hadden een burn-out gehad. In het algemeen ligt zoiets aan factoren buiten het werk. Maar professionaliteit staat niet los van hoe je verder in het leven staat. De mensen waar ik het over heb, zijn heel erg bevlogen leerkrachten. Die inspiratie was zo invloedrijk dat die transpiratie “over de kop ging”. Werkgevers zouden daar meer oog voor moeten hebben.’
Zonder die inspiratie krijg je geen letter op papier. Een andere schrijver, John Braine, riep daarentegen: ‘Don’t wait for inspiration’. Kun je de geest oproepen? ‘Er zou bij de opleiding van meet af aan aandacht moeten zijn voor die begeestering. Het is mij opgevallen dat leerkrachten die inspiratie krijgen, zodra ze goed naar kinderen kunnen kijken. Met een heel open blik, zonder een observatieschema of iets dergelijks. Bijde Pabo krijgen studenten een module met allemaal observatieschema’s. Ik denk: Laat de aanstaande leerkracht nou eerst eens genieten van de kinderen. Gewoon onbevangen kijken wat ze eigenlijk doen. Inspiratie kun je misschien niet oproepen, maar je kunt wel de condities creëren, waaronder spiritualiteit een betere kans krijgt. Het belangrijkste is om je er voor open te stellen. Als je in een museum voor een schilderij stil gaat staan en de tijd neemt, dan heb je kans dat je overweldigd wordt. Als je doorloopt, of niet naar het museum gaat, loop je die kans mis. Die openheid is belangrijk voor het ontvangen van spiritualiteit, voor het hebben van inspiratie.’
De zachte krachten Een goede leerkracht, een goede pedagoog, kan niet zonder bezieling. Is dat een van de belangrijkste conclusies van je betoog? ‘Religieus gericht of niet, ik denk dat de samenleving niet kan zonder dat een groter doel wordt nagestreefd. Het staat niet met zoveel woorden in mijn boek, maar er gaat ook een zekere boodschap vanuit: Laten we alsjeblieft oog hebben voor die zachte kant van het opvoeden van kinderen. Kinderen worden groot als ze in een warme relatie opgroeien. Als ze gevoelig worden voor idealen die bemiddeld worden door hun ouders en andere opvoeders. We hebben in Nederland gelukkig een heel natuurlijke traditie die ervoor zorgt dat de aandacht voor die zachte kant blijft. Dat komt ook weer naar voren uit recente enquêtes waaruit blijkt dat vrouwen, maar ook mannen, meer in de opvoeding van hun kinderen willen investeren. Ze zijn bereid daarvoor minder te werken en desnoods minder in hun carrière te steken. Daarin zijn we anders dan veel ons omringende landen. Het gaat in tegen de antipedagogische tendensen en de somberheid rond ouders en opvoeding die de laatste tijd lijkt te overheersen. Dat is een hoopvol signaal.’
Rinke Bok
Een goddelijk beroep Spiritualiteit in de beroepspraktijk vanleraren in het orthodox-protestantse basisonderwijs Muynck, Bram de. ISBN 978-90-5892-887-4 (W) Ook verschenen als proefschrift VrijeUniversiteit Amsterdam 2008, Uitgeverij Groen, Heerenveen
JONGEREN ACHTER SLOT EN GRENDEL
Dertig jaar lang werkte hij zelf in justitiële jeugdinrichtingen. Nu is hij gepromoveerd op een onderzoek ernaar.
|