STUDENTEN STONDEN AAN DE WIEG NVO
Een interview met Nathan Deen
Onderwijspedagoog Nathan Deen is geboren in 1930 in Amsterdam. Vanaf het begin van zijn onderwijsloopbaan was hij betrokken bij projecten van onderwijsvernieuwing, met vanaf de jaren zeventig het accent op de introductie van de leerlingbegeleiding in het Nederlandse schoolwezen. Hij is erelid van de NVO en de NAC, en werd in 1997 onderscheiden met een ‘Distinguished Professional Service Award’ van de American Counseling Association. We voeren een gesprek in Utrecht. Bij hem thuis op de bank. Maar het blijkt dat hij nog steeds geen stilzitter is. En als geen ander kent hij de geschiedenis van de NVO.
De NVO bestaat volgend jaar 50 jaar. U was een van de oprichters van de NVO
Naar aanleiding van de aankondiging van de Langeveldprijs in het NVO-Bulletin stuurde u een brief aan de redactie waarin over U de opmerking corrigeerde dat Langeveld de oprichter van de NVO zou zijn.
‘Ja, ik heb daarop gezegd dat het zo niet helemaal zat. Langeveld heeft de oprichting eerder dwarsgezeten dan dat hij die geholpen heeft. Hij was natuurlijk een god in die tijd, maar de NVO is feitelijk uit de studenten voortgekomen. In die tijd was ik zelf nog student pedagogiek, ik moest nog afstuderen in Amsterdam. Ik deed al wel van alles. Net als u had ik had een onderwijzersopleiding gevolgd en ik was inmiddels leraar geworden aan de Rijkskweekschool hier in Utrecht.
Nog daarvoor had ik een vijftal jaren theologie gestudeerd. Ik had me uiteindelijk gerealiseerd dat daar toch niet mijn bestemming lag. Al was het maar omdat je iets moest geloven. Er bestond toen een verkorte onderwijzersopleiding en via die weg ben ik in het onderwijs terecht gekomen, en daarna pedagogiek gaan studeren.’
Theologische vakdisputen als inspiratiebron
Ik heb altijd de indruk dat de theologieopleidingen een degelijke theoretische basis bieden. Je leert er tenminste wel argumenteren.
‘Ik heb er ook helemaal geen spijt gehad. In tegendeel. Ik vertel het ook juist omdat we bij die theologieopleiding ‘vakdisputen’ kenden. Daarbij was je buiten de colleges met elkaar bezig met je vák. Je kwam regelmatig bij elkaar, je moest een werkstuk maken of een presentatie voorbereiden over een onderwerp en allerlei andere activiteiten. Het bood verdieping aan je studie. Bovendien ontwikkelden er zich groepsverbanden en je leerde ook mensen kennen. Zeker bij de theologen was dat zo. De meesten hadden geen geld en geen zin om in een corps te gaan zitten. Ik heb dat ook nooit gedaan. Er was een vorm van binding.
Toen ik bij de pedagogen kwam, miste ik dat. Het was allemaal los zand. Dat leek me niet goed voor het vak. Ik heb daarop geprobeerd de studenten in Amsterdam wat bij elkaar te brengen. Dat heeft geresulteerd in een club die Comenius is gaan heten. Daar hebben we geprobeerd om het model van de theologie met die disputen in te voeren. Het werd een grandioze mislukking. Mensen hadden geen tijd, velen hadden er banen. Bovendien vonden ze het bedreigend. Bij die theologische disputen werd altijd een theoloog van naam en faam die verstand had van het onderwerp uitgenodigd. Die gaf dan commentaar op wat die studenten deden. Voor de pedagogen was zo’n model veel te bedreigend, want het wereldje was zo klein. Degene die je wilde inhuren als deskundige, was vaak ook de werkgever van degene die lezing hield. Als dispuut werd het niks, maar het resulteerde wel in een vereniging van Amsterdamse studenten in de pedagogiek. Toen bleek dat er in Utrecht ook zo’n clubje was. Ook in Leiden en Nijmegen; overal was er wel een.’
‘Zeg jíj het maar’
‘We dachten toen dat het goed zou zijn die groepen eens bij elkaar te brengen. We hebben contact gezocht en met een aantal mensen een landelijke bijeenkomst belegd. We hadden heel weinig geld en we zochten thema’s om met elkaar over te kunnen praten. Als inleider zochten we iemand iets buiten het circuit, die een aansprekende inleiding kan houden. Ik vroeg daarvoor de filosoof Oldewelt [1]. Bij de discussies na afloop van de succesvolle bijeenkomst voelde je dat er behoefte was om dit niet eenmalig te doen.
Naast mij in de zaal zat Hem Koster. Ze zei tegen mij dat we eigenlijk een landelijke club zouden moeten oprichten. Dat vond ik ook en ik vroeg haar wie van ons tweën op zou gaan staan om dit voorstel te doen. “Zeg jíj het maar”, zei ze. Vandaar dat ik opstond en het idee lanceerde. En zoals dat gaat als je zoiets zegt, ben je meteen voorzitter van het voorbereidend comitee.’
NVO zittend op bed opgericht
‘Pieter Appelhof,[2] ook een oude pedagoog, zei me laatst nog: “Weet je nog dat we bij jou aan het Majellapark, zittend op je bed, de vereniging hebben zitten oprichten?”
Dat bed is volgens mij fantasie, misschien hadden we een oude bank die daar op leek.
Bij de VU hadden ze ook een voorbereidend comitee en daarvan kende ik Sjoerd de Witt. We hebben jaren samengewerkt en hem kennende verwachtte ik dat hij wel het secretariaat van het voorbereidend comitee gevoerd zou hebben. Hij is ook sectretaris geweest van Pedagogische Studieën. Nog vanochtend, in verband met dit interview, heb ik met hem gebeld. Hij heeft inderdaad nog een map met documentatie en die zal hij mij sturen.[3]
Wij zaten samen in een voorbereidend comitee met afgevaardigden van studenten uit Amsterdam -de VU en de UvA- uit Leiden, Nijmegen, Utrecht en volgens mij ook uit Groningen.
Maar als het echt wat wil worden, moeten we er ook een hoogleraar bij hebben, bedachten we.
We hebben de toen bestaande club van hoogleraren pedagogiek gevraagd of zij er iemand bij wilden zetten. Zij bepaalden dat Stellwag[4] de contacpersoon zou zijn. Dat was niet zo verbazingwekkend. Ik had veel contact met haar, want ze was niet alleen mijn studieleidster, ik was ook assistent bij haar op de Universiteit van Amsterdam. Ik noem haar met nadruk, omdat het Langeveld dus níet was.’
De grondlijnen van de vereniging werden getrokken. Het moest een beroepsvereniging worden en in gezamenlijk overleg werden ontwerp statuten gemaakt.’
‘Maar dát kan niet!’
‘Rond dat ontwerp is een heleboel te doen geweest. Ik heb de grondlijn gemaakt en we hebben het ontwerp binnen de voorbereidende club gemaakt. Daar zijn ze verder ontwikkeld en artikel voor artikel besproken. Ze zijn geaccordeerd door de vertegenwoordigers van de studenten van de verschillende universiteiten, én door de hoogleraren. We waren toe aan een oprichtingsvergadering, maar ik was nog steeds niet afgestudeerd. We vonden dat de voorzitter niet een student maar een hoogleraar zou moeten zijn. We hebben dat voorgelegd aan het gezelschap van hoogleraren en die kwamen uit bij Len de Klerk senior [5].’
De Klerk was bereid om voorzitter te worden van het bestuur in oprichting. Hij zou leiding geven aan de oprichtingsvergadering en de statuten ter stemming brengen. Alles leek goed voorbereid.
Deen: ‘Nu kom ik bij mijn eerdere opmerking dat Langeveld meer heeft dwarsgelegen dan geholpen.’
Als Deen op de ochtend van de oprichtingsvergadering de zaal inloopt treft hij daar De Klerk aan. Hij zou nog een half uurtje met hem voorpraten.
“Moet je horen”, zei De Klerk. “Ik heb van de week een gesprek met Langeveld gehad en we hebben toch andere statuten gemaakt. Die wilde ik straks maar in bespreking brengen.”
‘‘Maar dát kan niet”, was mijn reactie. “Dat kan zo maar niet. Dit zijn statuten die in de voorbereiding besproken zijn en door iedereen goedgekeurd, ook door Stellwag als vertegenwoordiger van de hoogleraren. Díe statuten moeten besproken worden en niet iets wat je nu met Langeveld hebt bedacht.”
Nathan Deen vermoedt overigens dat ze door Langeveld zelf waren geschreven. Toch was het nog lastig om tegengas te geven. ‘Als student zit je daar dan toch wel even moeilijk’, zegt hij, en hij voegt eraan toe dat hij later nog een moeilijk uurtje met Stellwag heeft doorgebracht, waar hij uit moest leggen hoe dit had kunnen gebeuren.
De vereniging is van start
Uiteindelijk werd besloten om dan maar beide statuten in stemming te brengen.
Bij de stemming werd het ontwerp van Langeveld afgewezen. Deen: ‘Niemand zag er iets in.’
In de inmiddels ontvangen map van Sjoerd de Witt komen een aantal versies van (concept) statuten voor. Een daarvan vermeldt onder andere dat de vereniging twee afdelingen kent: ‘1. een afdeling studenten’ en ‘2. een afdeling afgestudeerden.’
In een andere versie ‘Ontwerp- Statuten voor de N.V.U.O.P. ‘Nederlandse Vereniging van Universitair Opgeleide Pedagogen, hierna te noemen “Vereniging”’, figureren dezelfde twee afdelingen, maar hier zijn ze in omgedraaide volgorde genoemd. Interessant is dat in deze versie toelating tot het lidmaatschap ook open staat voor....’personen, wier wetenschappelijke vorming gelijkwaardig geacht mag worden aan de vorming van de in lid 1 van dit artikel genoemde leden. (ieder met het doctoraal examen in de opvoedkunde heeft afgelegd.)
Als oprichtingsdatum is hier met de hand niet alleen de datum 24 maart ingevuld, maar zelfs het tijdstip: 12:15 uur.
Hoe dan ook, de vereniging is opgericht en De Klerk wordt eerste voorzitter.
Nathan Deen: ‘Later toen ik was afgestudeerd, ben ik ook nog voorzitter van de NVO geweest. Dumont was toen vicevoorzitter. Na mij werd hij voorzitter.
In die dagen zijn we begonnen met de gesprekken met het NIP. Tegenwoordig heb je het idee dat NVO en NIP als broer en zus samen optrekken, maar in die tijd lag dat nog niet zo gemakkelijk. Het NIP zag de NVO als een bedreiging, hoewel het NIP toen al een veel grotere organisatie was met een respectabele positie.’
Op het affiche van de oprichtingsvergadering van de NVO dat in de vergaderzaal van de NVO hangt staat naast de namen van De Klerk en Langeveld, de naam van Strasser.
‘Strasser[6] was de hoogleraar van Nijmegen. Bekend filosoof en ook pedagoog. Dé fenomenoloog van Nederland. Veel meer eigenlijk dan Langeveld.’
De pedagogiek moet meer terug naar Langeveld
Langeveld was geen vriend van u, als ik het zo hoor.
‘Oh, dat is niet waar hoor. Ik heb later een heel goede relatie met hem gehad. Ik heb de Langeveld lezing ook helpen oprichten en ik ben daar ook voorzitter van die stichting geweest. Maar hij heeft toen de boel dwars gezeten. Strasser was van de Nijmeegse tak. Hij heeft prachtige dingen geschreven over de fenomenologie en de fenomenologische menskunde. Langeveld had zijn eigen variant, iets wat later de Utrechtse School ging heten. Hij heeft als pedagoog in Nederland meer invloed gehad dan wie dan ook. Tot op de dag van vandaag. Ik citeer hem nog graag wanneer dat uitkomt. Hij heeft een stempel gezet. Gezien de ontwikkelingen die je momenteel ziet in de pedagogiek denk ik dat we wel weer meer terug zouden moeten naar Langeveld. Er zijn meer mensen die dat denken.’
‘Een kind is geen patiënt’
Kunt u dat verduidelijken?
‘Ik heb het verhaal van die meneer die ons vanaf het omslag van het NVO-Bulletin toelacht (Geert Jan Stams –red) goed gelezen. Ik denk dan: wat een aardige man, heel interessant wat hij vertelt. Maar aan het eind gaat hij volstrekt de mist in als hij het heeft over evidence based werken en die ladder van het NJI. Misschien dat het samenhangt met zijn forensische pedagogiek, die natuurlijk ook meer raakvlakken heeft met de juridische benadering. Daar zou je bijvoorbeeld Gert Biesta[7], hoogleraar aan de University of Stirling eens tegenover moeten zetten. Die heeft op een heel fundamentele manier aangetoond dat het evidence based werken in de pedagogiek te kort schiet. Als we alles evidence based moeten maken onderwerp je je aan de dictatuur van de methodologie. In de pedagogiek gaat het om waarden en niet om gedragstheoretische evidentie. Ik vind dat hij daar voortreffelijke stukken over heeft geschreven.
Ik vind dat er teveel vanuit een medisch model wordt gedacht. Een kind is geen patiënt, en hij is ook niet ziek. Een aantal mensen denkt nu dat het medisch model ook het pedagogisch model moet zijn.
Ik heb dat ook gemerkt in de discussies over de beroepscode.’
Een soort noodlot
Bij de voorbereiding voor dit gesprek vond ik vele en heel verschillende verwijzingen naar u. En niet alleen naar oude geschriften. Ik kwam u zelfs tegen op Facebook.
‘Daar ben ik toe uitgenodigd door een Amerikaanse dame, een van de auteurs van. The International Journal for the Advancement of Counselling, waar ik 15 jaar eindredacteur van ben geweest en waar ik nu nog in de redactie zit.
Ik sta dus nog steeds op Facebook, maar met heel gemengde gevoelens, moet ik zeggen. Ik communiceer wel via berichten –een soort email dus- met bepaalde mensen. Maar ik vind dat er ook heel veel onnozelheden via de nieuwe media worden uitgevent.
U was jaren voorzitter van het College van Toezicht van de NVO, u was voorzitter van het Samenwerkingsverband van Organisaties voor Onderwijsvernieuwing SOVO en u was betrokken bij de oprichting van de Nederlandse Associatie voor Counselling. In het Counselling Magazine wordt u de nestor van de counseling genoemd [8]. Er waren vast nog wel meer organisaties. Hoe komt u toch zo ongelooflijk actief?
‘Soms speelt toeval een rol, zoals bij dat Journal. Op een of andere manier heb ik in mijn leven veel dingen op gang gebracht of opgezet. Het schijnt een soort noodlot te zijn. Maar sommige dingen overkomen je natuurlijk niet als een noodlot. Je moet er ook zelf iets aan doen.’ Zegt Nathan Deen met typerend twinkelende ogen. ‘ Wilt u ter afsluiting een glas wijn?’
Rinke Bok
Nathan Deen promoveerde in 1969 bij H.W.F.Stellwag op een proefschrift over een halve eeuw onderwijsresearch in Nederland. In 1960 werd hij leraar aan de Rijkskweekschool voor onderwijzers te Utrecht, en in 1965 onderwijskundig onderzoeker aan het toenmalige Nutsseminarium voor Pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. Bij de omzetting van het Nutsseminarium in het Kohnstamminstituut (1970) werd hij de eerste directeur. In 1972 werd hij hoofd van de afdeling die aan de Universiteit Utrecht een opleiding voor leerlingbegeleiding in het voortgezet onderwijs moest ontwikkelen. Vanaf 1987 zette hij dit werk voort als bijzonder hoogleraar.
>Download als PDF
--------------------------------------------------------------------------------
[1] H.M.J (Hendrik) Oldewelt. 1897-1986. Hoogleraar in de philosofische anthropologie aan de Universiteit te Amsterdam. –red.
[2] http://www.oberon.eu/Pieter.htm
[3] De map van Sjoerd de Witt is inmiddels ontvangen en met dank overgedragen aan het archief van de NVO. Hij bevat een schat aan originele documenten, die uitnodigen tot nader onderzoek over de oprichting en de eerste jaren van de NVO.
[4] HWG (Helena) Stellwag, werd in 1946 de eerste vrouwelijke hoogleraar Pedagogiek aan de UvA. -red
[5] Prof. dr. LFW (Len) de Klerk, hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Leiden. Zijn zoon draagt dezelfde naam en titels. –red.
[6] S. (Stephan) Strasser. 1905-1991. Verliet na de Anschluss Wenen en werd o.a. buitengewoon hoogleraar in de wijsgerige psychologie en antropologie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.
[7] http://www.gertbiesta.com/
[8] http://www.counsellingmagazine.nl/syv_files/file/downloads/20101%20nathandeen.pdf